Ontwikkelingsgeld verschuift van Congo en Burundi naar Benin: toeval of noodzaak?

De komende vijf jaar zal ons land gemiddeld zo’n 12 miljoen euro ontwikkelingsgeld per jaar besteden in Benin. Het hulpbedrag voor dat kleine landje in West-Afrika stijgt zo met 20 procent in vergelijking met de afgelopen vijf jaar. Dat is geen toeval. De Belgische ontwikkelingssamenwerking met de bevoegde minister Alexander De Croo richt zich de afgelopen jaren alsmaar meer op West-Afrika, met ook onder meer Guinée-Conakry en Burkina Faso, met geld én met officiële bezoeken, liefst vergezeld door de Belgische media. Om de traditionele partners in Centraal-Afrika (Congo, Rwanda, Burundi) wordt, letterlijk, met een grote bocht omheen gevlogen. Toeval of noodzaak?

Eerst over de Belgische liefde voor Benin, de jongste trip van Alexander De Croo.

Hoewel een vroegere Franse kolonie, zijn ‘de Belgen’ hier al erg lang welkom, zelfs onder de dictatoriale regimes van de vorige eeuw. Het was toen één van die vele plekken waar de grens tussen ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel nogal eens durfde vervagen. Zo werd er destijds een groot mobiel ziekenhuis gebouwd door een schimmig Belgisch bedrijf met veel Belgisch geld via ‘Buitenlandse Handel’, zoals dat toen nog heette, politiek beslist door CVP-coryfee Leo Tindemans, in – wat een toeval!- de geboorteplaats van de Beninse president van destijds.

Het Belgische departement Ontwikkelingssamenwerking mocht/moest dan opdraven voor de opleiding van het geneeskundig personeel en het onderhoud van de onaangepaste en veel te dure installaties. Dat was nog eens een tijd, die van de ‘gebonden hulp’: ontwikkelingsgeld dat feitelijk gebruikt wordt om de eigen bedrijven opdrachten toe te spelen.

Die ‘gebonden hulp’ werd na het blootleggen van een reeks gelijkaardige schandalen in de jaren negentig van de vorige eeuw afgezworen, amper twintig jaar geleden dus.

Met het nieuwe Belgisch-Beninse samenwerkingsprogramma voor 2019-2023 wordt het op dat punt toch opnieuw goed uitkijken. De liberale minister maakt er een punt van om met ontwikkelingsgeld ook het lokale ondernemerschap (lees: bedrijven) te steunen, tot en met de ontwikkeling van de haven. Dat betekent een behoorlijk scherpe bocht na het meer traditionele programma van de afgelopen vijf jaar toen alle aandacht naar landbouwontwikkeling en gezondheidszorg ging. Maar volgens Alexander De Croo betekent een bloeiende economie de kortste weg naar meer welvaart voor meer Beniners, een opvatting waarmee hij zeker niet alleen staat.

Staatssecretaris De Croo bezoekt de haven van Cotonou.

Maar toeval of niet, precies vanaf begin dit jaar heeft ‘Port of Antwerp International’ het beheer overgenomen van de haven van Cotonou, een belangrijk contract voor de Haven van Antwerpen, zeker na de stukgelopen relatie met de haven van Matadi, Congo. Nu heeft de Belgische ontwikkelingssamenwerking als één van de pijlers voor de komende vijf jaar ingeschreven om specifiek de ontwikkeling van de haven van Cotonou te ondersteunen door onder meer de concurrentiepositie te verbeteren. Dat kan uiteraard alleen maar gebeuren in volle symbiose met … de ondernemers van de Haven van Antwerpen.

En zo raakt een Belgische economische sector opnieuw verweven met Belgisch ontwikkelingsgeld. Het hoeft natuurlijk niet zo faliekant af te lopen als ongeveer dertig jaar geleden, al zullen kritische waarnemers in de ontwikkelingssector ongetwijfeld scherp toekijken of deze investeringen met ontwikkelingsgeld uiteindelijk de Beninse bevolking ten goede zullen komen dan wel in de eerste plaats de Belgische én Beninse ondernemers, de president incluis.

"Belgisch-Afrika"

Extra geld voor Benin dus, en andere West-Afrikaanse landen, terwijl de samenwerking met het grote Congo, ooit de parel aan de Belgische ontwikkelingskroon met uitgaven tot 100 miljoen en meer euro per jaar, zo goed als stilgevallen is. Dat heeft alles te maken met de politieke spanning tussen het vroegere koloniale 'moederland' België en het Congo van de intussen erg machtige president Joseph Kabila. Toen die in 2016 met opzet geen verkiezingen liet doorgaan in zijn land, werd ook de Belgische regering alsmaar kritischer voor hem en zijn entourage. Dat betekende een stevige koerswending tegenover 2011 toen diezelfde Joseph Kabila zijn verkiezingen alleen maar kon winnen door de uitslagen te vervalsen. Toch kreeg zijn herverkiezing de belangrijke zegen van … de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders.

Het zou dan nog een hele presidentiële legislatuur duren voor België ietwat kritischer werd voor het Congolese regime, niet alleen vanwege de politieke malversaties maar ook omdat de investeringen met Belgisch ontwikkelingsgeld niet de gewenste resultaten opleverden bij gebrek aan een echt engagement van de Congolese overheid. Zo werden met Belgisch geld lokale wegen en bruggen aangelegd die volgens de afspraken door Congo verder onderhouden moesten worden, wat niet gebeurde, waardoor die na één stevig regenseizoen weer grotendeels weggespoeld waren. Het Belgisch geld incluis.

Na een reeks politieke aanvaringen is nu het grootste deel van het Belgisch ontwikkelingsprogramma in Congo stilgelegd en/of stilgevallen. De wensdroom om het voorbehouden geld dan maar voor een deel door te sluizen naar niet-gouvernementele organisaties, dus niet langer te besteden via de overheidsdiensten, blijft steken in de goede bedoelingen, onder meer omdat de Congolese overheid ook die organisaties ronduit tegenwerkt. Het lijkt er overigens niet meteen op dat de verkiezingen die dan toch op 23 december zouden doorgaan, dus twee jaar te laat, snel veel zullen veranderen aan die vastgelopen Belgisch-Congolese relatie.

Arme wijk in Kigali AFP PHOTO/JOSE CENDON

Ook het Belgische ontwikkelingsgeld dat bedoeld is voor het kleine Burundi raakt niet uitgegeven, na de opschorting van een belangrijk deel van de samenwerking in de nasleep van het politieke geweld in 2015. Nochtans is Burundi één van de allerarmste landen van de hele wereld, met nauwelijks eigen middelen en mogelijkheden, precies het type land dat prioritair steun verdient volgens de beleidslijn van Alexander De Croo sinds 2014. Maar België slaagt er nog altijd niet in om de uitgestoken hand van de armlastige maar koppige Burundese overheid aan te nemen en manieren te zoeken om de politieke onenigheid terzijde te schuiven en opnieuw samen het lot van de bevolking ter harte te nemen.

Blijft dan nog Rwanda, het derde vroegere ‘Belgisch-Afrikaanse’ land dat traditioneel door alle regimes heen altijd heel veel Belgische steun heeft gekregen, de afgelopen jaren in de orde van 40 miljoen euro per jaar. Na de tragedie van 1994 met de genocide op de Tutsi’s en de massamoorden op de Hutu’s en eigenlijk op alle Rwandezen, werd Rwanda snel het land met de grootste buitenlandse steun per hoofd van de bevolking, nu ongeveer 90 dollar per persoon per jaar. Intussen gedraagt het regime van Paul Kagame zich alsmaar repressiever tegenover elke kritische stem, maar de grote donoren reageren daar nauwelijks op.

Paul Kagame, bij zijn herverkiezing in 2017 AFP or licensors

Tegelijk is wellicht de aard van het regime, met een president die verkiezingen ‘wint’ met 99 procent van de stemmen, een reden waarom de Belgische ontwikkelingssamenwerking niet al te uitbundig uitpakt met het ‘succes van de samenwerking’ in Rwanda en met de goedkeuring van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst. (Want dan zouden er wel eens lastige vragen kunnen komen over zin en onzin van het samenwerken met regimes die niet meteen blijk geven van respect voor het leven van de eigen burgers of althans een deel van hen.)

Verschuiving

En zo verschuift het geld en de aandacht bijna geruisloos van Centraal- naar West-Afrika. Daarbij speelt zeker de politieke hoop dat in die landen waarmee België een minder gecompliceerde relatie heeft de ontwikkelingssuccessen zullen volgen. Want daar gaat het uiteindelijk om voor elke politicus, ook voor een minister van Ontwikkelingssamenwerking: kunnen uitpakken met de goede resultaten van zijn beleid, liefst toonbaar in beeld en geluid, en best zo snel mogelijk, nog voor het verstrijken van de eigen ambtstermijn. De kans om daarin te slagen is alvast veel groter in het gastvrije Benin dan in het onhandelbare Congo, het koppige Burundi of het hardvochtige Rwanda.