Op reis met Vlaamse meesters: Waarom Jezuïeten steeds met drie gingen wandelen

Elke week leiden Jos Vandervelden en fotograaf Alexander Dumarey je naar een plek in Vlaanderen of Brussel waar onze grootste Vlaamse meesters hun schildersezel opstelden.  Ooit vonden schilders het de volmaakte plekken om verzinnelijkt te worden op het canvas. Vaak zijn ze het nu nog. Soms zijn ze het niet meer. Het schilderij van toen, het beeld van nu in 360°

Vandaag: "Zondag aan de Leie" van Frits Van den Berghe of het uitstapje van de drie jonge kloosterbroeders en andere verhalen van een rustige zondagmiddag in het dorpje Drongen in 1924

"Zondag aan de Leie" is de sfeer van een pastorale zondagmiddag. Het is lente en de donkere oorlogsjaren lijken helemaal achter de rug. Het coloriet straalt met frisgroen, diepblauw en  tedere okers. Drie op het eerste zicht gescheiden taferelen zijn naadloos naast elkaar afgebeeld. Een gespierde jongeman toont zijn roeikunsten aan een meisje. Kloosterbroeders in habijt mediteren bij het water van de Leie. Een zondags uitgedoste familie flaneert langs de rivier. Vader met sigaar, moeder met plechtige hoed, zoontje in matrozenpak. In 1924 was de zondagsrust nog een gebod.

Expressionist Frits Van den Berghe had veel gevoel voor fijnzinnige humor. Drie schijnbaar totaal gescheiden leefwerelden treffen elkaar aan de oevers van de Leie op een zondag. Iedereen kijkt weg, niemand slaat acht op elkaar. Allen lijken voldaan in hun eigen wereld. Het waren dit soort intuïtieve observaties die Van den Berghe de naam van "literaire schilder" hebben bezorgd.

“Noeit mee twieen, wriee weinig alliene..."

De schildersezel van Frits Van den Berghe stond voor zijn zondags schouwspel aan de oevers van de Leie in Drongen. Het decor is dat van de zuidkant van de abdij en de aanpalende parochiekerk van Drongen. Het monumentale abdijcomplex ligt net voorbij een meander van de Leie, waar de Pontbrug toegang verleent tot het oude Drongense dorpsplein. De kerktoren, ook wel peperbus genoemd vanwege de achthoekige vorm,  is die van de abdijkerk

De abdij zelf kent een omvangrijke geschiedenis. Lang was het een Norbertijnenabdij tot de Franse bezetter in 1796 de kloosterlingen verjoeg. Pionier van de industriële textielfabricage, Lieven Bauwens had er een tijd lang een katoenspinnerij. Vanaf 1836 maakte de Jezuïetenorde er opnieuw een klooster van. Tot vandaag is het een Jezuïetisch bezinningscentrum met een weelderig domein van 10ha dat langs de Leie loopt.

Het lijkt aannemelijk dat Frits Van den Berghe mijmerende Jezuïetische kloosterlingen vereeuwigde met hun statige abdij op de achtergrond. Ze dragen een zwart habijt met priesterhoed, de kledij die moest gedragen worden als ze de wereld introkken. Van den Berghe beeldde de broeders af zoals het hoorde, met drie. De kloosterorde had een oud en onbuigzaam devies dat lokaal zo klonk: “Noeit mee twieen, wriee weinig alliene, ten minste mee drijën”. Jonge kloosterlingen mochten enkel in groep van drie buiten de abdijmuren. Alleen kun je iets doen waar niemand iets van weet. Met twee kun je altijd iets onder elkaar afspreken. Maar met drie zal je niet veel proberen want je loopt altijd het risico dat een derde verklikker speelt.

Of wijst de witte bef die de drie kloosterlingen dragen toch naar een andere orde? Op wandelafstand hadden de Broeders van de Christelijke Scholen verschillende gemeenschappen in de omgeving van Drongen. Zo waren ze actief in het kunst- en architectuuronderwijs van Sint-Lucas in Gent, dat Van den Berghe zeker moet gekend hebben. De oevers van de Leie waren de uitgelezen plek voor vredige bezinning op zondag. Welke orde het ook was, de richtlijnen om een stap in de wereld te zetten waren onkreukbaar.

Roeiers werden kajakkers

De boorden van de Leie rond de abdij en de Pontbrug zijn op zondagen nog steeds een charmante plek om te verpozen. De roeiers van toen zijn nu vooral kajakkers geworden. Van de zondagse kerkgang blijft nog weinig over. Of ging het fatsoenlijke gezin dat Frits Van den Berghe langs de Leie liet wandelen, dan toch niet naar de mis of vespers? Trokken ze misschien naar "In den Boomgaard"?

Zo heette de herberg of "uitspanning" aan de Veerstraat waar vele artistieke lui aanmeerden. Ook Van den Berghe moet het goed hebben gekend. Schilder en confrater Gustave Van de Woestyne vermeldde het in 1929 met veel trek in zijn autobiografie als: "een lusthof, gelegen te Drongen, waar men 's zondags gerooste paling en een musse hesp, of een pooske hesp en rijstpap kon krijgen met flakontjesbier."

Natuur en gewone lui

Frits Van den Berghe vluchtte voor de oorlog naar Nederland en keerde pas definitief terug  in 1922.  Hij groeide uit tot een van de spilfiguren van het nieuwe Vlaamse expressionisme.Zijn band met het platteland, de natuur en de gewone lui deed hem opnieuw naar de Leie trekken. Met de steun van kunstpromotor Paul-Gustave Van Hecke en het gezelschap van schilder Gustave De Smet kon hij er zijn nieuwe expressieve stijl tot wasdom brengen. Waar hij voor de oorlog nog de schittering van de Leie zou schilderen, ging hij nu menselijk gedrag observeren.

Hoewel klassiek van vormgeving bevat "Zondag aan de Leie" veel expressionistische elementen. De volumineuze en cilindrische figuren, de hoekige contouren en de contrasterende kleurvelden pasten in de meer temperamentvolle manier waarop schilders in het Europa van de jaren twintig werkten. Al schilderden de Vlaamse expressionisten het Vlaamse landleven, ze speelden wel degelijk mee in de moderne kunst van die tijd.

"Zondag aan de Leie" van Frits Van den Berghe hangt in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel