Video player inladen ...

Laatste Duitse steenkoolmijn sluit de deuren: een terugblik op een tijdperk van 200 jaar

Vandaag gaat de laatste steenkoolmijn van Duitsland officieel dicht. De mijn Prosper Haniel in het Duitse Ruhrgebied sluit daarmee een lange geschiedenis af van een sector die lange tijd mee de economische bloei van Duitsland heeft bepaald. Het einde van de steenkoolontginning betekent wel niet het eind van steenkoolgebruik voor de energieproductie in het land, integendeel. 

“Glückauf”, waarmee Duitse mijnwerkers elkaar traditioneel begroeten klinkt vandaag voor de laatste keer in de mijn van Prosper Haniel. Een kilometer onder de grond van Bottrop, in het Ruhrgebied, graven de kompels de allerlaatste meters steenkool weg. Die klompjes van wat ooit het zwarte goud was, zijn bestemd voor de Duitse president Frank-Walter Steinmeier die aanwezig is op de plechtigheid die niet alleen de mijn Prosper Haniel officieel sluit, maar meteen een streep trekt onder 200 jaar steenkoolwinning in het Ruhrgebied. 

Het is het definitieve einde van een tijdperk, waarin de steenkool- en staalindustrie van het Ruhrgebied van Duitsland een economische reus maakte, van een sector die na de Tweede Wereldoorlog mee de motor was van het Wirtschaftswunder, waardoor Duitsland uit het oorlogspuin rechtkrabbelde.

Maar dat is lang verleden tijd, de steenkoolindustrie is nog maar een schim van wat ze in het verleden was. In de jaren 50 verdienden meer dan 430.000 mensen de kost in de mijnindustrie, die in meer dan 140 mijnen meer dan 100 miljoen ton steenkool ontgonnen. Maar olie en gas maakten een einde aan die opgang, sinds de jaren 60 ging het alleen maar bergaf. In 2010 hadden de 4 overblijvende mijnen amper 18.000 mensen in dienst die zo'n 10 miljoen ton steenkool boven haalden. 

“De Duitse steenkoolsector is al jaren niet meer in staat te concurreren met andere landen”, zegt Hubertus Bardt van het Institut der Deutschen Wirtschaft in Keulen. “De steenkoollagen in het Ruhrgebied liggen heel erg diep, waardoor het veel duurder is ze te ontginnen, zeker in vergelijking met steenkoolmijnen in de open lucht.”

Lange tijd hield Duitsland de eigen ontginning recht: stevige subsidies overbrugden het verschil tussen Duitse prijzen en de prijzen op de wereldmarkt. Een situatie die niet meer houdbaar was. In 2007 besliste de regering om het systeem geleidelijk af te bouwen, met als eindpunt december 2018. “Een goede beslissing”, zegt Bardt, “zo’n stapsgewijze aanpak is beter dan een harde schok.”

De sluiting is dus het gevolg van economische berekening, milieu of klimaat speelden daarbij nauwelijks een rol. Da’s meteen glashelder als je kijkt naar de elektriciteitsproductie in Duitsland. Bijna 40 procent van de Duitse elektriciteit wordt met kolen opgewekt. Op de dag van vandaag is steenkool goed voor 14 procent van de elektriciteitsproductie, het aandeel van bruinkool is nog een pak groter (24 procent). 

Afscheid van bruinkool en de bruinkoolmijnen hebben de Duitsers nog lang niet genomen. Van steenkoolgebruik trouwens ook niet, alleen zullen ze geen Duits steenkool meer gebruiken. Het is goedkoper om steenkool uit alle hoeken van de wereld te halen. Vorig jaar importeerde Duitsland 51 miljoen ton, vooral uit Rusland, maar ook uit de VS, Colombia of Australië. 

Naar steenkool graven zullen de mijnwerkers van Prosper Haniel niet meer doen, toch ligt er voor ruim 600 van hen ondergronds nog wel een tijd werk op de plank. De hele ondergrondse machinerie wordt gedemonteerd en naar boven gebracht met de hoop er nog delen van te kunnen verkopen. De gangen worden onder water gezet, de schacht met beton gevuld.

Door de decennialange ondergrondse activiteiten is het Ruhrgebied verzakt, waardoor er voortdurend grondwater weggepompt zal moeten worden. Een kostelijke zaak van 220 miljoen euro per jaar, schat mijnmaatschappij RAG. Die heeft een fonds opgericht om het herstel van die historische aangerichte schade te financieren. 

AFP or licensors

De sluiting van Prosper Haniel vormt het sluitstuk van een proces dat al decennia aan de gang is. “In die zin is de sluiting geen grote schok voor het Ruhrgebied”, meent Kristian Rusche, een collega van Bardt, die aanvult dat de kleine groep overblijvende mijnwerkers heel goed opgeleid is en dus “nog een goede kans heeft om een nieuwe baan te vinden".

Dat neemt niet weg dat het hele Ruhrgebied heel veel moeite heeft om het verdwijnen van de steenkool- en staalindustrie te verteren. De hele “Strukturwandel”, Duits voor reconversie, is al jaren aan de gang en verloopt moeizaam. 

De regio van het Ruhrgebied doet het veel slechter dan veel andere delen van Duitsland. Steden zoals Oberhausen, Essen of Gelsenkirchen hebben het moeilijk, de steden hebben torenhoge schulden en de bevolking trekt er weg. Sinds begin 2000 leven er 5 procent procent minder mensen in het Ruhrgebied, zegt Rusche.

“De werkloosheid ligt met 10 procent veel hoger dan in de rest van het land”. In die zin lijkt de situatie erg op die van het vroegere Oost-Duitsland, waar regio’s met gelijkaardige fenomenen kampen. Al is lang niet alles kommer en kwel. Rond de universiteit van Dortmund is een hele technologie cluster gegroeid, waar 10.000 mensen hun brood verdienen. Dat is een succes, al genereert die hub volgens Kristian Rusche nog te weinig duurzame groei en blijft hij te weinig verbonden met andere ondernemingen in de regio. 

Voor de dag van morgen ligt er nog een hoop werk voor de boeg, maar vandaag draait alles in Bottrop nog even rond steenkool en de mijnwerker, vooraleer die definitief tot de Duitse industriële geschiedenis behoort.

VIDEO: bekijk hieronder het verslag uit "Het Journaal"

Video player inladen ...