De onderkaak van de middeleeuwse vrouw met het tandsteen waarin lapis lazuli-fragmenten zitten. © Christina Warinner

Tandsteen toont aan dat middeleeuwse vrouw luxueuze manuscripten illustreerde

Onderzoekers hebben direct archeologisch bewijs gevonden voor de betrokkenheid van middeleeuwse vrouwen bij de productie van geïllustreerde manuscripten. Ze deden dat in de vuile tanden van een vrouw die begraven was bij een Duits klooster uit de 12e eeuw. In het tandsteen van de vrouw werden namelijk - eerder toevallig - deeltjes lapis lazuli gevonden, een erg kostbaar edelgesteente dat gebruikt werd om een helderblauwe kleurstof te maken, waarmee luxueuze manuscripten werden geïllustreerd. De vondst, de eerste in haar soort, stelt een aantal wijdverspreide opvattingen in vraag en opent de deur naar de identificatie van nog meer vrouwelijke kunstenaars in de middeleeuwse geschiedenis.  

In de middeleeuwen waren geletterdheid en geschreven teksten in Europa grotendeels voorbehouden aan religieuze instellingen. Rijkelijk geïllustreerde - verluchte - manuscripten werden in kloosters vervaardigd voor leden van die religieuze instellingen en voor de adel.

Sommige van die geïllustreerde manuscripten - de duurste en meest luxueuze exemplaren - werden versierd met kostbare verven en kleurstoffen, waaronder bladgoud en ultramarijn, een zeldzaam en erg duur pigment dat gemaakt werd van het edelgesteente lapis lazuli.  

Een nieuwe studie van een internationaal team van onderzoekers onder leiding van het Max-Planck-Institut für Menschheitsgeschichte in Jena en de University of York werpt nieuw licht op de rol van vrouwen in het maken van dergelijke manuscripten met een verrassende ontdekking: de identificatie van tientallen fragmentjes lapis lazuli die ingebed zaten in de versteende plaque van een vrouw van middelbare leeftijd die waarschijnlijk in de 12e eeuw begraven was bij een klein vrouwenklooster in landelijk Duitsland.     

De analyse van het team toont aan dat de vrouw waarschijnlijk een schilder was die rijkelijk versierde manuscripten illustreerde. 

De kerk in Dalheim en het vrouwenklooster. A geeft de ligging van Dalheim en een aantal andere kloosters weer, B is een foto van de kerk van Petrus in Dalheim en het eraan verbonden vrouwenklooster (bovenzicht, in de cirkel, zicht vanuit het westen). Op de plaats van de vroegere begraafplaats staat nu een modern gebouw. C is een plan van de kerk (zwart) en het vrouwenklooster (bruin), met het opgegraven deel van de begraafplaats in het groen. D is een schema van de graven in de begraafplaats, het graf van de vrouw in kwestie, individu B78, is aangegeven in het groen. © Christina Warinner

Tandsteen, een unieke bron van gegevens

Tandsteen is plaque, een afzetting van bacteriën, voedselresten, cellen en slijm, die in de loop van het leven van een individu gemineraliseerd is. Tandsteen biedt enorme mogelijkheden voor archeologen omdat het, terwijl het gevormd wordt, in staat is om een breed gamma aan microscopische en moleculaire overblijfselen te vangen en in te kapselen van zaken die in contact zijn gekomen met iemands mond.

Als de plaque versteend is, kan het die partikels gedurende honderden, mogelijk zelfs miljoenen, jaren bewaren. Het tandsteen kan dan geanalyseerd worden, en dat biedt een unieke blik op het dieet en de levensomstandigheden van een bepaald individu uit het verleden.    

Tandsteen is relatief weinig onderzocht, en het grootste deel van het wetenschappelijk onderzoek naar oud tandsteen concentreert zich op het reconstrueren van het dieet. Naast het opzettelijk innemen van voedsel, staat de mond van de mens echter ook bloot aan een constante instroom van partikels van allerlei aard uit de omgeving. Zo zijn er in oud tandsteen al pollen van grassen en bomen gevonden, sporen, vezels uit katoen en boombast, naast diatomeeën - kiezelwieren, eencellige algen uit zoet of zout water met een hard skelet van kiezel -, stekels van sponzen en kleine stukjes houtskool. 

A Een tand van individu B87 met tandsteenafzettingen, voor het onderzoek, B blauwe partikels in een groot stuk tandsteen en een los deeltje, C-I verschillende blauwe partikels die losgemaakt zijn uit het tandplak. B-I zijn allemaal op dezelfde schaal als op I aangeduid. (Illustratie: © C. Warinner (A), M. Tromp en A. Radini (B-I).

Een rustig leven in een rustig klooster

Als onderdeel van een studie die de inhoud van tandsteen analyseerde, onderzochten de onderzoekers de stoffelijke resten van mensen die begraven waren in een middeleeuwse begraafplaats die verbonden was aan een vrouwenklooster in Dalheim in centraal Duitsland. 

Over dat klooster is weinig geweten en de stichtingsdatum ervan is niet bekend, mogelijk woonde er al in de 10e eeuw n.C. een gemeenschap van vrouwen. Gedacht wordt dat het klooster zo'n 14 religieuzen huisvestte vanaf de stichting tot de verwoesting door een brand die volgde op een reeks gevechten in de 14e eeuw. 

Zoals dat het geval is voor veel vroege religieuze gemeenschappen van vrouwen, heeft het klooster in Dalheim weinig sporen nagelaten in de geschiedenis. Van het klooster zijn geen boeken bewaard, noch uit zijn bibliotheken, noch in enig ander overlevend werk. We kennen de vrouwen van Dalheim bijna uitsluitend uit een handvol korte vermeldingen in teksten, en door de archeologische overblijfselen. En die hebben nu voor een verrassing gezorgd.

Toen het team het tandsteen onderzocht van een vrouw, individu B87, uit de begraafplaats, bleken daar tientallen fragmentjes van een blauw pigment in te zitten. Het team was op zoek naar microfragmenten van planten om te identificeren, dus de blauwe partikels waren een verrassing. 

De vrouw in kwestie moet tussen 45 en 60 jaar oud geweest toen ze stierf, wat volgens koolstofdatering gebeurde tussen 1000 en 1160 n.C. Aan het skelet waren geen afwijkingen te zien die op een ziekte wezen, en het vertoonde ook geen sporen van trauma of infectie. Wel was duidelijk dat de vrouw nooit fysiek zwaar werk had verricht. 

Het enige opmerkelijke aan haar overblijfselen waren de talrijke stukjes blauw pigment die verspreid zaten over het tandsteen. "Het was een complete verrassing, toen het tandsteen oploste, gaf het honderden kleine blauwe partikels vrij", zo herinnerde Anita Radini zich in een persmededeling van het Max-Planck-Institut. Radini is verbonden aan de University of York en mede-eerste auteur van de nieuwe studie. 

De onderzoekers analyseerden de partikels zorgvuldig met een aantal verschillende spectrografische methoden, waaronder energie-dispersieve röntgenspectroscopie en micro-Raman spectroscopie, en alle resultaten kwamen uit op hetzelfde: het blauwe pigment was gemaakt van lapis lazuli. 

Een vergroting van partikels lapis lazuli die ingebed zitten in het tandsteen van een middeleeuwse vrouw. (Foto: © Monica Tromp)

Een zeldzaam en duur pigment en vier scenario's

"We bekeken verschillende scenario's voor hoe dit mineraal in het tandsteen van de tanden van de vrouw ingebed zou kunnen geraakt zijn", zei Radini.

"Op basis van de verdeling van het pigment in haar mond, zijn we tot de conclusie gekomen dat het meest waarschijnlijke scenario was dat ze zelf schilderde met het pigment, en aan het puntje van haar penseel likte terwijl ze aan het schilderen was", voegde mede-eerste auteur Monica Tromp van het Max-Planck-Institut eraan toe. De partikels komen meestal alleen voor in het tandsteen en niet in klonters, en ze werden gevonden in veel verschillende stukjes tandsteen, van verschillende tanden. Dat wijst erop dat ze in het tandsteen terecht zijn gekomen in verschillende aparte voorvallen en niet in een keer, en dat dat gebeurd is gedurende een langere periode terwijl het tandplak versteende.  

Het team bekeek vier scenario's en het eerste scenario lijkt de onderzoekers het meest waarschijnlijke, dat de beste verklaring geeft voor de gevonden partikels. Dat is dat de vrouw in kwestie betrokken was bij de productie van manuscripten van een hoge kwaliteit, en de illustraties schilderde waarmee dergelijke boeken geïllustreerd werden. 

Er is een precedent voor die periode in Duitsland, waarbij de beheerder van de bibliotheek van een mannenklooster in twee brieven opdracht geeft voor de "kundige" productie van een luxueus, geïllustreerd manuscript aan zuster "N" in een vrouwenklooster op 70 kilometer van Dalheim. De brieven dateren tussen 1140 en 1168 n.C., bijna gelijktijdig met de begrafenis van de vrouw uit het onderzoek,  en uit de hoeveelheid perkament en het feit dat er ook zijde geleverd werd voor de productie van het boek, blijkt dat het wel degelijk om een erg luxueuze uitvoering ging, waarvoor waarschijnlijk ook de betere en duurdere pigmenten gebruikt zouden worden. 

Het is waarschijnlijk dat de schilders om bepaalde details weer te geven in hun illustraties, aan hun penselen gelikt zullen hebben om een fijn puntje te krijgen, en die praktijk wordt ook expleciet vermeld in latere handboeken. Op die manier zouden ze kleurstoffen als lapis lazuli in hun mond hebben gekregen, en het herhaaldelijk likken aan het topje van het penseel zou het patroon kunnen verklaren dat de fragmentjes vertonen in het tandsteen van de vrouw. 

Een tweede scenario is dat de vrouw de deeltjes binnen gekregen zou hebben door het bereiden van de kleurstof ultramarijn, op basis van gemalen lapis lazuli. Daarbij zou stof kunnen vrijkomen, dat dan in haar mond terecht zou kunnen komen. De onderzoekers wijzen er echter op dat de Arabische methode om het gemalen lapis lazuli te raffineren door middel van olie, een methode die nodig is om een helder blauw te krijgen in plaats van een dof grijsblauw, in Europa niet bekend lijkt te zijn voor de 15e eeuw.

Daarom lijkt het hen waarschijnlijk dat de schilders in de vroegere periode de ultramarijne kleurstof kant en klaar geleverd kregen, en niet zelf maakten. Als de religieuze vrouw uit Dalheim echter toch kleurstof bereid heeft met lapis lazuli, dan is het volgens hen waarschijnlijk dat ze dat voor zichzelf deed, of voor een andere vrouw uit haar gemeenschap die betrokken was bij de productie van boeken.

"Christus Pantocrator" in een hoofdletter U in de Codex Bruchsal uit de 13e eeuw.

Ritueel en devoot kussen van afbeeldingen

Het derde scenario is dat de vrouw B87 lapis lazulipoeder zou ingenomen hebben als geneesmiddel. Sinds de oudheid worden aan lapis lazuli magische en geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, en het werd voornamelijk gebruikt als amulet en in oogzalven. Vooral in de middeleeuwse islamitische geneeskunde werd het veel gebruikt, maar in Europese medische teksten verschijnt het pas in de 11e en de 12e eeuw. Die werken beschrijven wel het medisch gebruik van de edelsteen, maar er zijn weinig aanwijzingen dat de islamitische en mediterrane methode van het innemen van lapis lazuli wijdverspreid was, of zelfs maar toegepast werd in het Duitsland van de 11e en de 12e eeuw. Het scenario kan dus niet uitgesloten worden, maar het lijkt weinig waarschijnlijk volgens de onderzoekers.   

Het vierde en laatste scenario kan ons vreemd lijken, maar in de middeleeuwen kwam het wel degelijk voor: het ritueel, devoot kussen van de illustraties in de geïllustreerde manuscripten. 

Vrouwen die uit toewijding religieuze werken lezen zijn al gedocumenteerd in de 6e eeuw, en in de 14e en 15e eeuw wordt dat devote lezen meer emotief, en wordt het ritueel, herhaaldelijk kussen van geschilderde figuren in geïllustreerde gebedenboeken meer algemeen. Als een gevolg daarvan gaan de illustratoren zelfs decoratieve "kus-tabletten" toevoegen aan de boeken, om te vermijden dat de geschilderde figuren nog langer veelvuldig gekust zouden worden, en zo beschadigd zouden raken. Door het herhaaldelijk kussen kwam er uiteindelijk zelfs verf los van de illustraties, en het is mogelijk dat het lapis lazuli op die manier in het tandsteen zou terechtgekomen zijn.

Erg waarschijnlijk lijkt dat de onderzoekers echter niet, aangezien de vroegste vermeldingen van de praktijk van het ritueel kussen van bijna drie eeuwen later dateren. Bovendien zou op die manier er waarschijnlijk een klonter pigment in de mond terechtgekomen zijn, samen met de stoffen waarin het pigment ingevat was, en dat is niet te zien in het tandsteen van de vrouw uit het onderzoek.  

De beste verklaring is dus dat het lapis lazuli per ongeluk in het tandsteen is terechtgekomen tijdens het schilderen en/of het bereiden van de kleurstof ultramarijn. Het gaat om de eerste ontdekking van lapis lazuli in het tandsteen van het vrouw, en het is het vroegste directe bewijs voor het gebruik van de zeldzame en erg dure - het was in die tijd minstens even kostbaar als goud en werd alleen gevonden in een bepaalde streek in Afghanistan - door een religieuze vrouw in Duitsland.

"Het gebruik van ultramarijn pigment gemaakt uit lapis lazuli was voorbehouden, samen met goud en zilver, voor de meest luxueuze manuscripten. Enkel aan uitzonderlijk bedreven kopiisten en schilders zou het gebruik ervan toevertrouwd zijn", zo zei geschiedkundige Alison Beach van de Ohio State University. 

Een illustratie in de 13e eeuwse Codex Gigas.

Werken niet getekend

Hoewel geweten is dat Duitsland in deze periode een centrum was voor de productie van boeken, is het bijzonder moeilijk gebleken om de bijdrage van vrouwen daaraan vast te stellen. Als teken van nederigheid tekenden middeleeuwse kopiisten en schilders hun werk niet in deze periode, en dat geldt vooral voor vrouwen.

Het feit dat het werk van vrouwen in de productie van manuscripten zo weinig zichtbaar was, heeft veel moderne wetenschappers er dan ook toe gebracht aan te nemen dat vrouwen er maar een kleine rol in gespeeld hebben. Nochtans heeft recent historisch onderzoek aangetoond dat religieuze vrouwen niet alleen geletterd waren, maar ook veel boeken lazen en produceerden, vooral in Duitsland en Oostenrijk. Zo zijn er steeds meer aanwijzingen dat vrouwenkloosters in die beide landen tegen de 12e eeuw boeken voortbrachten van de hoogste kwaliteit, zo schrijven de onderzoekers in hun studie. 

Individuele vrouwelijk kopiisten blijven echter zo goed als onzichtbaar in de historische annalen, en het is waarschijnlijk dat het grootste deel van hun werk geen erkenning heeft gekregen.

Daar brengt de huidige studie evenwel verandering in, want ze heeft de levensgeschiedenis van een individu uit die periode blootgelegd. De stoffelijk resten van de vrouw waren oorspronkelijk een relatief onopvallende vondst uit een relatief onopvallende plaats, maar door moderne technieken te gebruiken hebben de onderzoekers een opmerkelijke levensgeschiedenis in de openbaarheid gebracht. 

Daarbij gaan de bevindingen van het onderzoek in tegen de heersende opvatting dat het bijna uitsluitend monniken waren die manuscripten produceerden, en dat lapis lazuli in deze periode erg zeldzaam was. De aanwezigheid van dit kostbare buitenlandse pigment in een voor de rest onopvallende gemeenschap van vrouwen in landelijk Duitsland, is een duidelijke aanwijzing voor de expansie van de handelswegen over lange afstanden in de Europese commerciële revolutie van de 11e eeuw. 

De vrouw uit de begraafplaats in Dalheim bleek verbonden te zijn met een uitgestrekt, wereldwijd netwerk dat zich uitstrekte van de mijnen in Afghanistan, waar het lapis lazuli in die tijd vandaan kwam,  tot haar gemeenschap in middeleeuws Duitsland, via de handelssteden in islamitisch Egypte en byzantijns Constantinopel. 

"De groeiende economie van het Europa van de 11e eeuw stimuleerde de vraag naar het kostbare en voortreffelijke pigment, dat duizenden kilometers aflegde met handelscaravanen en schepen, om ten dienste te staan van de creatieve ambitie van deze vrouwelijke kunstenaar", zo zei geschiedkundige en mede-auteur Michael McCormick van de Harvard University. 

"We hebben hier direct bewijs voor een vrouw die niet enkel schilderde, maar schilderde met een zeer zeldzaam en duur pigment, en in een zeer afgelegen plaats", zei Christina Warriner in de persmededeling. Warriner is de senior auteur van de nieuwe studie en werkt aan het Max-Planck-Institut. 

"Het verhaal van deze vrouw zou voor eeuwig verborgen hebben kunnen blijven, als we deze technieken niet gebruikt zouden hebben. Het maakt dat ik me afvraag hoeveel andere kunstenaars we nog zouden kunnen vinden in middeleeuwse begraafplaatsen, als we maar willen kijken."

De studie van Radini, Tromp, Warriner en de rest van het team is gepubliceerd in Science Advances.