Moet Staatsveiligheid burgers toegang geven tot haar dossiers?

Vorige zomer werd Kaoutar Fal het land uitgezet. De vrouw werd op basis van informatie van de Staatsveiligheid verdacht van spionage. Maar Kaoutar Fal spreekt dat in alle toonaarden tegen en wil dat de Staatsveiligheid openheid van zaken geeft. Ze begon een procedure om de Staatsveiligheid te dwingen haar toegang te geven tot haar dossier. Staatsveiligheid weigerde dat met het evidente argument dat een geheime dienst nu eenmaal geheim is. Maar dat antwoord lijkt niet te volstaan. 

analyse
Dirk Leestmans
De auteur is journalist bij de themaredactie justitie van VRT NWS.

Het juridisch dossier van Kaoutar Fal is vrij complex.  De Marokkaanse vrouw, officieel ondernemer van beroep, kreeg een visum om naar België te komen. Maar dat visum werd later weer ingetrokken. Zowel de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als de rechtbank spraken zich hierover uit. Wie de motivatie van deze beslissingen leest, komt weliswaar iets te weten maar nu ook weer niet zo heel veel. En daar wringt het schoentje. 

Eigenlijk komt het erop neer dat de Staatsveiligheid zegt dat Kaoutar Fal actief betrokken is bij spionage voor Marokko. Bovendien zou ze in contact staan met “mensen bekend bij de Staatsveiligheid omwille van hun activiteiten voor offensieve buitenlandse inlichtingendiensten.”  

Op die manier is het moeilijk ons te verdedigen

Zijzelf (en haar entourage) spraken die beschuldigingen met klem tegen en vinden ze bovendien erg vaag. “Op die manier is het moeilijk ons te verdedigen,” zo zei haar advocaat destijds al. Alle pleidooien ten spijt werd Kaoutar Fal in juli 2017 het land uitgezet. Maar daarmee was het verhaal niet gedaan. Ze blijft vanuit Marokko met de hulp van enkele vrienden in België juridische strijd voeren. 

Haar entourage in België stelde zich altijd al erg activistisch in deze zaak op. Die entourage bestaat eigenlijk uit Moshe Arye Friedman (opperrabbijn Moshe Arye), zijn echtgenote Lea Rosenzweig en hun dochter Resi Friedman (onlangs nog CD&V kandidate voor de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen). Zij spraken over Fal’s uitwijzing zelfs in termen van ‘ontvoering’ en legden daarvoor klacht neer bij een Brussels onderzoeksrechter. En ook het Comité I mocht van hen een klacht ontvangen. 

Staatsveiligheid heeft wetens en willens foute en valse informatie gegeven

Haar entourage verwijt de Staatsveiligheid “wetens en willens overduidelijk foute en valse informatie te hebben gegeven aan de Dienst Vreemdelingenzaken en de Federale Politie. Met name hebben zij de verzoekster valselijk ervan beschuldigd om spionne te zijn voor Marokko.”

Parallel daarmee startten de drie gezinsleden van de familie Friedman een procedure om toegang te krijgen tot Kaoutar Fal’s dossier bij de Staatsveiligheid. Ze kregen daarvoor een volmacht van Fal (die nu dus in Marokko verblijft) maar ze beweren ook zelf ‘onnoemelijk’ veel materiële en morele schade te hebben ondervonden van deze zaak. Vandaar hun persoonlijk belang, zo redeneren zij.

In november 2018 schreven ze een eerste brief naar administrateur generaal Jaak Raes van de Staatsveiligheid. In die brief vragen ze niet weinig: toegang en een kopie van het volledige dossier van Kaoutar Fal, correcties, inzage in alle correspondentie tussen Staatsveiligheid en Dienst Vreemdelingenzaken en alle correspondentie hierover naar wie dan ook. 

Geheimhouding is nu eenmaal eigen aan een geheime dienst, hoe duidelijk kan het zijn?

De administrateur-generaal antwoordde op 7 december 2018 dat daarvan geen sprake kan zijn. Hij wijst erop dat ze aan het verkeerde adres zijn en dat zijn dienst slechts informatie geeft aan de dienst Vreemdelingenzaken. Staatsveiligheid neemt zelf dus geen beslissingen over de verblijfssituatie. Bovendien, zo antwoordt hij, vormt de Wet Openbaarheid van bestuur onvoldoende basis. Want in die wet zijn er uitzonderingsbepalingen.

Als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen veiligheidsbelangen of internationale belangen, kan de aanvraag geweigerd worden. Informatie kan de modus operandi en lopende onderzoeken aan het licht brengen en zodoende gevaar vormen voor de betrokken inlichtingsagenten. En, als dat nog niet voldoende zou zijn, de Staatsveiligheid heeft zich te houden aan een (wettelijke) geheimhoudingsverplichting en aan de classificatiewet. 

Kortom, zo luidt het antwoord, de werking van de Staatsveiligheid is per definitie geheim. Geheimhouding is nu eenmaal eigen aan een geheime dienst, hoe duidelijk kan het zijn?  

Vader, moeder en dochter Friedman zijn het hiermee niet eens en vragen de Staatsveiligheid haar beslissing te heroverwegen. Tegelijk dienen ze bij de ‘Commissie voor de toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten’ een verzoek tot advies in. 

Dat advies van de Commissie geraakte nu bekend en is verrassend te noemen. Vooreerst omdat aanvaard wordt dat derden, het gezin Friedman, als partij erkend wordt in het individuele dossier Fal. Maar ook verrassend omdat de Commissie de Staatsveiligheid op de vingers tikt.

Elke weigering moet in concreto en op pertinente wijze gemotiveerd worden

De Commissie oordeelt dat er in principe toegang moet zijn tot bestuursdocumenten. Er kan afgeweken worden van dit principe maar dan moet dat wel “in concreto en op pertinente wijze” gemotiveerd worden. 

De Commissie verwijst in haar uitvoerig gemotiveerd advies naar uitspraken van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State en besluit dat de “Veiligheid van de Staat ernstig tekortschiet in de verantwoording van haar weigering.” 

Het simpele feit te zeggen dat de Staatsveiligheid een geheime dienst is, volstaat niet. Dat is geen uitzonderingsgrond, dat is een gezegde dat te algemeen is, zo oordelen zij. In het verlengde van deze redenering zeggen zij dat elk aangehaald argument concreet moet gemaakt worden. Als documenten geclassificeerd zouden zijn, moet ook aangetoond worden waarom dat zo is. En zo nodig moet een rechter daarover oordelen. 

Het simpele feit te zeggen dat de Staatsveiligheid een geheime dienst is, volstaat niet

In één zin samengevat komt het advies van de Commissie erop neer dat de Staatsveiligheid er zich te gemakkelijk van afmaakt door zondermeer ‘neen’ te zeggen op de vraag van een burger wat zij over hem of haar weten. Dat is misschien vervelend maar ook een dienst als de Staatsveiligheid moet een grondrecht respecteren.   

De Staatsveiligheid kan het zich niet veroorloven dit advies zomaar naast zich neer te leggen. Het is een essentieel onderdeel van de procedure en dat betekent dat ze hierop (binnen de veertien dagen) zal moeten antwoorden. Het valt af te wachten wat dat antwoord zal zijn, maar het is weinig waarschijnlijk dat de Staatsveiligheid hierin zal meegaan. Want het is duidelijk dat, in de logica van een inlichtingendienst, openheid van zaken eigenlijk gelijk staat met het sluiten van de boeken.  

Is het logisch van een inlichtingendienst te verwachten in de schaduw te werken door tegelijk licht op hen te schijnen? 

Kaoutar Fal (of haar Belgische vrienden) kunnen dan eventueel een procedure starten bij de Raad van State. Heel veel precedenten zijn er niet. Maar één zaak zal ongetwijfeld wel meespelen. Dat is de zaak L.L. uit 2004. L.L. vroeg toen om benoemd te worden tot beëdigd tolk. Maar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen zei haar dat haar aanvraag niet aangenomen werd omdat, als gevolg van een dossier van de Staatsveiligheid op haar naam, een negatief advies werd uitgebracht. 

L.L. had er het raden naar wat dat dossier dan wel mocht voorstellen. Na vier jaar procederen kreeg ze van de Raad van State gelijk. De Staatsveiligheid hield de deur voor haar gesloten en weigerde haar verzoek tot inzage van haar “eventueel” dossier. Maar de Raad van State vernietigde de beslissing van de Staatsveiligheid. En volgens de toenmalige advocaat van L.L. heeft zijn cliënt wel degelijk toegang gekregen tot haar dossier (en, zo zegt hij, zo ook gezien dat het dossier inhoudelijk niets voorstelde.)  

In die zin kan deze casus verstrekkende gevolgen hebben. In welke mate kan de Staatsveiligheid verplicht worden aan burgers informatie te geven over hun dossier. Anderzijds, in welke mate kan Staatsveiligheid nog functioneren als er (meer) transparantie moet zijn? Hoe valt het behoorlijk werken van een inlichtingendienst te rijmen met een (grondwettelijke) verplichting openheid van zaken te geven? Is het logisch van een inlichtingendienst te verwachten in de schaduw te werken door tegelijk licht op hen te schijnen?