Op reis met Vlaamse meesters: Wat Leuven te danken heeft aan 500 Ardense boeren

Elke week leiden Jos Vandervelden en fotograaf Alexander Dumarey je naar een plek in Vlaanderen of Brussel waar onze grootste Vlaamse meesters hun schildersezel opstelden.  Ooit vonden schilders het de volmaakte plekken om verzinnelijkt te worden op het canvas. Vaak zijn ze het nu nog. Soms zijn ze het niet meer. Het schilderij van toen, het beeld van nu in 360°

Vandaag "De Leuvense Vaartkom" van Louis-Marie Autissier of hoe in 1804 heren met Napoleonhoed en dames in empirekledij langs de Vaart defileerden

Het werk van de meest befaamde schilders wordt eeuwenlang geroemd. Daarentegen, de tour de force van anonieme arbeiders die duizenden kilometers kanalen in Vlaanderen met de hand hebben uitgegraven, is compleet vergeten. De Vaart Leuven-Mechelen werd vanaf 1750 gegraven door 500 Ardense boeren. De mijnbouw had in Wallonië nog geen werk en welzijn gebracht. Werklieden, vrijwel altijd boeren, migreerden tijdelijk naar onteigende woningen in de buurt van het kanaaltraject. Voor een dagloon van ruim 2 frank groeven ze 11 uur per dag de 30 kilometer lange kanaalbedding uit. De enige hulp kwam van schop, kruiwagens, loopplanken en primitieve houten hijstoestellen. Twee jaar is er gewerkt alvorens in 1752 het eerste water in het kanaal kon vloeien.

Van het zweet en het eelt van de boeren uit de Ardennen is geen spoor meer  te bekennen op het prestigeschilderij "De Leuvense Vaartkom" van Louis-Marie Autissier. Laat staan op de digitale shots op glanspapier van de vastgoedpromotoren die vandaag de Vaartkom beheren.

Hoeden van Napoleon en hoge tailles

In 1804 heerste Napoleon over het huidige België. Louis-Marie Autissier kwam vaak over de vloer bij koninklijke hoven. Hij was een gedienstig opdrachtschilder en schilderde zelfs het staatsieportret van de broer van Napoleon. Waarschijnlijk beeldde hij de Vaartkom af zoals de promotoren van die tijd het wilden zien. Modieuze jonge lieden droegen in Leuven blijkbaar de bicorne als hoofddeksel, net zoals Napoleon hem droeg, met de steken aan de zijkanten van het hoofd.  De Leuvense dames hadden de Franse empirekledij ontdekt met hoge taille en pofmouwen. Als we Autissier mogen geloven, was de Vaartkom een plek waar niet alleen gewerkt werd. Het was een respectabele ontmoetingsplaats waar alle sociale lagen van de bevolking welkom waren. Kortom, nog steeds de zalige droom van de projectontwikkelaars van nu. 

Het begon met een zilveren spade

De Vaart  is er gekomen omdat de ondiepe Dijle te grillig was en niet langer bevaarbaar voor de handelsnoden van de stad. Al decennialang werd er voor eigen “schipvaart” gepleit door de “vaertgezinden of kanalisten”. Het was uiteindelijk Karel van Lorreinen, landvoogd van de Oostenrijkse Nederlanden, die in 1750 met een zilveren spade de eerste steek gaf. Een deel van de Vaart werd gegraven in de oude bedding van de Dijle. De rivier moest daarvoor omgeleid worden. De Vaartkom, de negentiggradenbocht die het kanaal maakt in Leuven, werd gegraven tot aan de voet van de Keizersberg.

Veel meer dan een voetnoot in de kunstgeschiedenis is schilder Louis-Marie Autissier niet. Maar de stad Leuven houdt aan zijn schilderij ‘De Leuvense Vaartkom” een merkwaardig en historisch bijzonder interessant document over. Autissier schilderde de Vaartkom in 1804 in volle bloei. De werken begonnen vruchten  af te werpen voor de stad. Leuven was nu bereikbaar vanuit Mechelen en dus ook Antwerpen. De Vaartkom werd een nijverheidscentrum met vooral graanverwerkende bedrijven, opslagplaatsen en expeditiekantoren. Ene Leonard Artois zette op dat moment zijn eerste stappen in het brouwersvak. Wat Autissier en zijn figuranten niet konden vermoeden, was dat goed twintig jaar later de komst van de “ijzeren weg”  de bloeiende Vaartkom zwaar concurrentie zou aandoen.

Het laatste pakhuis

De Vaartkom was in 1804 nog geen allegaartje van flatgebouwen, nijverheidsgebouwen, los- en laadtorens of winkelmagazijnen. Autissier had als schilder duidelijk oog voor de homogene architectuur uit zijn tijd. Pakhuizen, ook stapelhuizen of breedhuizen genoemd, met drie lagen zijn aan elkaar gekoppeld met strikte hoogtebeperking. De Leuvense bouwheren hadden verstand van planmatige aanleg en respecteerden strenge bouwverordeningen.  Bemerk tevens hoe elk pakhuis een dakkapel heeft waarin een katrol bevestigd is om goederen binnen te halen. De allerlaatste getuige van de huizenrij staat vandaag nog steeds aan de linkerzijde van de Vaartkom. Het pakhuis was oorspronkelijk bezit van graanhandelaars en maakt deel uit van de Molens van Orshoven. Het is op dit ogenblik wachten op renovatie.

Schiptrekkers aan de slag

Voor mensen met een scherp oog biedt het schilderij nog meer spektakel. Op het water links ligt een groene trekschuit voor reizigersvervoer. Dit soort trekschuiten werd vanaf de oever voortgetrokken door schiptrekkers die gelukkig de hulp kregen van paarden. 150 jaar lang waren op de vaart schiptrekkers aan de slag. Tweemaal per dag voer een trekschuit naar Mechelen. Een enkele rit duurde meer dan vier uur. De grote boot in het midden is een otter. Met een grote en een kleine mast kon dit type boot ruim 100 ton goederen vervoeren.

Op de achtergrond ligt de Leuvense Keizersberg met links de grote graanwindmolen van Albert Impens. Niet veel later werd de molen getroffen door een brand om nooit meer opgebouwd te worden. Rechts  is de toren van de toen al helemaal vervallen burcht van de Hertogen van Brabant te zien. Ook deze toren zou snel uit het landschap verdwijnen en plaats maken voor de Benedictijnenabdij van Keizersberg.

Meer dan 250 jaar is de Vaartkom de spiegel van snelle economische evolutie. Sinds een decennium gaat de site door een nieuwe metamorfose. Zoals het nut van de Vaart al weer in twijfel werd getrokken toen de eerste spoorlijn werd getrokken. Zo lijkt nu het ene vastgoedproject al weer gedateerd, voor het volgende plan klaar is. 

"De Leuvense Vaartkom" van Louis-Marie Autissier hangt in Museum M in Leuven