Duizenden textielarbeiders worden ontslagen na stakingen in Bangladesh

De voorbije weken zouden tussen de 5.000 en de 7.000 werknemers uit de textielsector ontslagen zijn. Dat zou een vergelding zijn voor een staking voor hogere minimumlonen eerder deze maand. Na China is Bangladesh de tweede producent van kleding en stoffen.

Begin deze maand lag de textielindustrie in Bangladesh zo goed als plat door een algemene staking. Daarbij is een dode gevallen en raakten er 50 mensen gewond. De werknemers eisten een verhoging van de minimumlonen. Net voor de verkiezingen had de regering die lonen verhoogd tot 84 euro per maand, maar de arbeiders eisten 168 euro per maand.

Volgens het Bangladesh Center for Worker Solidarity zijn er sindsdien meer dan 5.000 en mogelijk 7.000 stakers ontslagen. Anderen zouden zijn bedreigd. Volgens de werkgevers zijn de ontslagen evenwel het gevolg van vandalisme door het personeel of door de verliezen die de bedrijven hebben opgelopen door de staking.

Bangladesh is na China de grootste producent van kleding. De uitvoer van textiel is goed voor 30 miljard dollar of 80 procent van de uitvoer. Er werken meer dan 20 miljoen Bengalezen in 4.500 textielbedrijven in het Zuid-Aziatische land en die leveren toe aan grote kledingketens zoals H&M, Primark, Walmart, JC Penney, Zara, Benneton, Hugo Boss of Levi Strauss.

De lonen van de arbeiders -arbeidsters vooral- zijn echter erg laag en bovendien kampen die met lange werktijden, gevaarlijke en onhygiënische werkomstandigheden, intimidatie en seksueel misbruik. Overigens zijn de omstandigheden vaak even slecht in andere grote textielproducerende landen zoals China, India of Cambodja. (Lees verder onder de foto).

Copyright 2018 The Associated Press. All rights reserved.

De schaduw van Rana Plaza

De wantoestanden in de textielindustrie in Bangladesh kwamen vooral in de actualiteit door de instorting van de fabriek van Rana Plaza in de hoofdstad Dhaka in 2013. Toen zijn 1.134 werknemers gedood.

Nadien zijn de minimumlonen weliswaar verhoogd en hebben tal van kledingmerken beloftes gedaan om nauwer toe te zien op de werkomstandigheden bij de toeleveranciers. Dat heeft tot enige verbetering geleid, maar is volgens critici vooral "window dressing".

De werkgevers in Bangladesh zeggen dan weer dat ze niet meer kunnen betalen omdat ze onder zware druk staan van de grote internationale kledingmerken. Toch gaat gemiddeld slechts twee procent van de prijs die u in de winkel betaalt naar de arbeidster in Bangladesh die het gemaakt heeft. Of nog een cijfer: volgens Oxfam verdient een CEO van een groot kledingmerk op vier dagen tijd evenveel als een Bengaalse arbeidster in heel haar leven.

Vandaag hebben een aantal actiegroepen zoals Oxfam en de Belgische vakbonden overigens betoogd aan de ambassade van Bangladesh in Brussel. Ook Test-Aankoop was aanwezig om te laten merken dat ook consumenten gevoelig zijn voor de kwestie.

De ingestorte fabriek Rana Plaza in Dhaka. AP2013