Minister van Justitie en Antwerps parket nemen loopje met grondwettelijk verbod van censuur

De voorzitter van de rechtbank te Brussel weigerde om in te gaan op de eis van de minister van Justitie en het Antwerpse parket om een verbod op te leggen tot het uitzenden van een televisiereeks op VTM over een moord in 1996, een zgn. ‘cold case’, waarover onlangs het gerechtelijk onderzoek heropgestart is. Met hun actie negeren de minister en het parket evenwel een essentiële waarborg voor de pers- en expressievrijheid, stelt hoogleraar mediarecht Dirk Voorhoof.

opinie
Dirk Voorhoof
Prof. em. Dirk Voorhoof, UGent Human Rights Centre, Legal Human Academy en European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF). De auteur is in het verleden al regelmatig in de bres gesprongen om het verbod van mediacensuur door politiek of justitie met juridische argumenten te bekampen.

Het is nog niet vaak vertoond in dit land: de minister van Justitie zelf die, samen met het openbaar ministerie, eist dat de voorzitter van de rechtbank te Brussel een preventief verbod oplegt aan een tv-programma. Van een minister van Justitie en van een procureur des Konings mag je verwachten dat die de grondwet zowat uit hun hoofd kennen en ook wel op de hoogte zijn van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin België veroordeeld werd wegens onbetamelijke inmenging in de (journalistieke) expressievrijheid. 

De Belgische grondwet waarborgt immers de vrijheid van meningsuiting en verbiedt preventieve censuur, ook vanwege de rechterlijke macht. Alleen achteraf, nadat meningen openbaar zijn gemaakt of de informatie is verspreid, kan opgetreden worden, voor zover dat bij wet is voorzien (denk aan laster en eerroof, schending van de privacy, belaging, aanzet tot racisme of vreemdelingenhaat, onrechtmatige journalistiek, aanzet tot strafbare feiten…). Niet enkel de Raad van State en het Grondwettelijk Hof  hebben in het verleden verduidelijkt dat elke vorm van preventieve censuur door de rechter strijdig is met de Belgische grondwet die immers bepaalt : “De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd” (art. 25). Het begrip drukpers straalt nog de formulering uit van 1831, maar de rechtspraak heeft ondertussen duidelijk gemaakt dat het verbod van censuur geldt voor alle media, dus inclusief de audiovisuele media. 

Geen twijfel mogelijk

Alle twijfel daarover is al ruim 8 jaar geleden weggenomen door een arrest van het EHRM in de zaak RTBF t. België. Toen de RTBF met een rechterlijk verbod via kort geding werd geconfronteerd naar aanleiding van een aangekondigd programma in de reeks Au nom de la loi, trok de omroep finaal naar het Europees Hof in Straatsburg, aanvoerend dat een dergelijk verbod in strijd was met de Belgische grondwet en niet voorzien was bij wet. Het Europees Hof maakte toen in een arrest van 29 maart 2011 duidelijk dat een rechterlijk verbod van een tv-uitzending in België geen voldoende wettelijke basis heeft en een manifeste bedreiging inhoudt van de essentie van de expressievrijheid.

Zolang de grondwet niet gewijzigd is, kan de kortgedingrechter geen preventief uitzendverbod opleggen.

Sinds het arrest van het EHRM in de zaak RTBF t. België is er dus geen pertinente juridische verantwoording voor een uitzendverbod via de kortgedingrechter. Sterker: het is zonneklaar dat een verbod tot uitzending van een aangekondigd tv-programma, via een procedure in kortgeding, onvermijdelijk in strijd is met de Belgische grondwet en artikel 10 van het Europees Mensenrechtenverdrag (EVRM) dat de expressievrijheid waarborgt en rechtstreekse toepassing vindt in het Belgisch recht. 

Men kan van oordeel zijn dat het wenselijk is dat in uitzonderlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld privacybescherming of het waarborgen van het recht op een eerlijk proces, dringende voorlopige maatregelen in kort geding tegen media mogelijk moeten zijn. Maar daarvoor is dus een grondwetswijziging nodig en minstens ook een wettelijk kader, met duidelijke criteria. Bovendien is een uitzendverbod een extreme en preventieve maatregel, en kunnen andere maatregelen aangewezen en voldoende zijn. Maar zolang de grondwet niet gewijzigd is en er ook geen duidelijke wet is, kan de kortgedingrechter geen preventief verbod opleggen. Dat zijn de spelregels van de democratische rechtsstaat, waarvan je kan hopen dat die bewaakt worden door de minister van justitie en het openbaar ministerie.

Verbod ingetrokken wegens strijdigheid met de grondwet

Hoewel ook nog na 2011 zowel de VRT (Koppen) als VTM (Telefacts) een aantal keer geconfronteerd werden met een preventief uitzendverbod in kort geding, op eenzijdig verzoekschrift, werd toch telkens op derdenverzet, na een tegensprekelijke procedure, het verbod ingetrokken wegens strijdigheid met de grondwet en/of met artikel 10 EVRM. De beschikking van de Brusselse kortgedingrechter van 9 december 2015 in de Koppen-zaak poneert expliciet dat “ook audiovisuele informatie van het censuurverbod geniet” en dat “de vrijheid van pers, onder welke vorm dan ook, niet preventief aan banden kan worden gelegd”. Aan reportagemakers moet de vrijheid worden gelaten “inzake concept en uitwerking van de uitzending”.

De beschikking besluit dat in de huidige stand van de wetgeving en rechtspraak van het EHRM “een preventieve tussenkomst van de kortgedingrechter principieel niet te verantwoorden is” en “elke preventieve maatregel in persaangelegenheden in de regel verboden (is), of het nu gaat om geschreven of audiovisuele pers”. Die rechtspraak moet de minister van Justitie, de procureur des Konings, en hun advocaat, zijn ontgaan.

Ook nu wijst de Voorzitter van de Brusselse rechtbank de eis tot uitzendverbod af, omdat de door de minister van Justitie en het parket aangevoerde bezwaren geen uitzendverbod van het aangekondigde tv-programma kunnen verantwoorden. De rechter vindt een preventief verbod van de tv-uitzending “één van de zwaarste inbreuken op de door de grondwet en internationale verdragen beschermde persvrijheid en vrijheid van meningsuiting“. 

De censuur kan nooit worden ingevoerd”. Nooit! 

Hoewel finaal de beschikking van de Brusselse kortgedingrechter de vordering van de minister en het parket afwijst, wordt de deur op een kier gezet om in de toekomst misschien toch soms een preventief verbod op te leggen. Immers, de beschikking laat uitschijnen dat indien de onderzoeksjournalisten die het programma maakten manifest het geheim van het strafonderzoek zouden hebben miskend, het onderzoek in gevaar zouden brengen, of het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces zouden schaden, de aangekondigde televisiereeks wel zou kunnen verboden worden. Daarmee laat de rechter, zonder het programma gezien te hebben en nog voor het is uitgezonden, toch de mogelijkheid open voor preventieve rechterlijke tussenkomst in een televisieprogramma dat ontegensprekelijk verband houdt met een thematiek van maatschappelijk belang en nota bene een aanklacht is van het niet behoorlijk functioneren van Justitie in dit strafonderzoek naar een moord in 1996, 23 jaar geleden dus.

Daarom best toch nog eens meegeven dat artikel 25 van de Grondwet toch wel duidelijk is : “De censuur kan nooit worden ingevoerd”. Nooit! 

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.