Plus chaud que la loi?

De terugkerende klimaatbetogingen van de voorbije maanden geven aan dat minstens een substantieel deel van de samenleving snakt naar een performanter klimaatbeleid. Het status quo voldoet niet. Opmerkelijk is dat deze hang naar verandering zich de laatste jaren ook binnen het recht voltrekt. Want ook het recht blijft niet langer doof voor de eis naar meer "climate justice" of klimaatrechtvaardigheid, zo tonen een aantal recente rechterlijke uitspraken aan.  

opinie
Hendrik Schoukens
Hendrik Schoukens is assistent aan de universiteit van Gent en gespecialiseerd in milieurecht.

Wat is recht? En hoe bepalen we wat rechtvaardige wetten zijn? Over deze ogenschijnlijk simpele vragen hebben een kransje briljante rechtsgeleerden en filosofen zich eeuwenlang het hoofd gebroken.

Ook binnen het huidige klimaatdebat zijn deze vragen niet zonder belang. Want het antwoord hierop is misschien wel determinerend voor de aanpak van het klimaatvraagstuk binnen onze samenleving. 

Recht wordt in deze tijden vaak onterecht verengd tot een formalistisch systeem van regels waarmee men de maatschappij ordent. In het wetboek staat wat je wel en wat je niet mag doen, en that’s it, folks! Het zou binnen die benadering volstaan te kijken naar de rechtsregels die zijn opgeschreven in specifieke wetten of verdragen.

Of, vrij vertaald naar het klimaatvraagstuk: kijk wat er geschreven staat in de internationale milieuafspraken en pas dat toe. Dan komt het populaire riedeltje: "het beleid komt de internationale klimaatafspraken na". En daarmee lijkt de kous af, zelfs al betekent dit in de feiten slechts een beperkte vooruitgang of een zware last voor de minder gegoede mensen in de samenleving. 

De uitstoot van CO2 wereldwijd neemt immers nog steeds toe ondanks alle klimaatafspraken.

Maar wat als de wetten en verdragen niet langer deugen? Ons hedendaagse milieurecht blijkt immers niet volledig in staat om de maatschappelijke transitie te bewerkstelligen waar we volgens verschillende wetenschappelijke rapporten naar toe moeten bewegen om de schadelijke gevolgen van een klimaatverandering binnen de perken te houden. De aanwezigheid van loopholes, een gebrekkige handhaving en een onvoldoende hoog ambitieniveau als gevolg van doorgedreven lobbying tijdens de totstandkoming van wetgeving, lijken de vleugels van heel wat goedbedoelde milieuwetten bij voorbaat te knippen. De uitstoot van CO2 wereldwijd neemt immers nog steeds toe ondanks alle klimaatafspraken.

Er voltrekt zich echter een vreemdsoortige paradox in verschillende rechtbanken. In juridische procedures beroepen klimaatactivisten zich steeds vaker op algemene rechtsbeginselen die sterk aanleunen bij gedachtegangen die teruggaan op eeuwenoude juridische principes. 

Het lijkt wel of we opnieuw belanden bij een vorm van "natuurrecht", een soort universeel recht dat boven het door de mensen geschapen recht staat. 

Recht op leven

Eén van de meest markante exponenten van die terugkeer naar de basis vormde de recente uitspraak van het Gerechtshof van Den Haag in de Nederlandse klimaatzaak. In deze baanbrekende klimaatprocedure hanteerde men voor het eerst met succes de individuele mensenrechten als juridische sokkel voor een performanter klimaatbeleid. Nederland pleegde schuldig verzuim.

In oktober 2018 bevestigden de Nederlandse rechters in beroep dat de Nederlandse overheid verplicht is ambitieuzere klimaatdoelen aan te nemen. Niet handelen conform de voorliggende wetenschappelijke inzichten zou het recht op leven van de huidige generaties Nederlanders onnodig in gevaar brengen. Dat zou haaks staan op het bonus pater familias-beginsel, dat zorgvuldige overheden verplicht om zo snel mogelijk te gaan voor substantiële CO2-reducties. Er rust op de Nederlandse overheid een positieve verplichting om het recht op leven van haar eigen burgers te beschermen tegen de gevaarlijke gevolgen van ongecontroleerde klimaatverandering. 

Rentmeesterschap

De Nederlandse rechters staan echter niet langer alleen met hun nadruk op de onvervreemdbare rechten van burgers. Ook elders in de wereld grijpt men almaar vaker terug naar algemene rechtsbeginselen in klimaatprocedures.

In de bekende Juliana-zaak, waar een aantal tieners de Amerikaanse overheid dagvaardden wegens een nalatig klimaatbeleid, zetten de Amerikaanse rechters het beginsel van de public trust, volgens welk de overheid als een rentmeester over het klimaat dient te waken, weer op de bühne. Ook de toekomstige generaties moeten nog kunnen genieten van een leefbaar klimaat, zo luidt de premisse die teruggaat op de Codex Justinianus uit de 6e eeuw na Christus.

Zelfs het eigendomsrecht, dat nu vaak een sta-in-de-weg lijkt voor een progressiever milieubeleid, wordt plots een onverwachte hefboom. 

De Amerikaanse rechtbank vergelijkt het cruciale belang van een gezond leefklimaat voor de toekomst van de mensheid met de rol van het huwelijk. Zonder leefbaar klimaat géén beschaving, noch vooruitgang. Zelfs het eigendomsrecht, dat nu vaak een sta-in-de-weg lijkt voor een progressiever milieubeleid, wordt plots een onverwachte hefboom. Want de overheid is verplicht om het individuele eigendomsrecht van haar burgers te beschermen tegen bijkomende beperkingen. Maar wanneer je het "klassieke" eigendomsrecht met een intergenerationele bril benadert, blijkt de overheid er dan niet evenzeer toe gehouden om de eigendom van toekomstige generaties te vrijwaren tegen klimaatschade?

Of hoe een van de vermeende hoekstenen van ons kapitalistisch systeem alsnog kan dienen als breekijzer voor een ecologische toekomst. 

Klimaattoets

Maar ook binnen het milieurecht zelf bewegen de dingen. Tot voor kort werd al te weinig aandacht besteed aan het klimaat bij het vergunnen van projecten met een gigantische ecologische voetafdruk. Denk maar aan de bouw van nieuwe dokken of een uitbreiding van een luchthaven. Hoogstens werd zo’n project lichtjes bijgesteld om eventuele buurtbewoners te plezieren. Maar het project zelf in vraag stellen? Ho maar, we gaan toch niet heiliger zijn dan de paus?

Een uitspraak in een Australische mijnzaak uit 2016 was tekenend. De rechter oordeelde dat het er allemaal weinig toe deed of de steenkoolmijn werd vergund of niet. De "druppel op een hete plaat"-redenering. Indien de mijn er niet kwam, zouden de Chinezen hun steenkool zo nodig wel elders gaan halen. Of hoe de globalisering altijd het pleit wint.

Ook binnen Vlaanderen moeten stappen worden gezet richting een meer bindende klimaattoets.

Maar ook deze wel erg pragmatische benadering vertoont stilaan barsten. Zo trok een Australische rechtbank enkele weken terug een dikke streep door het Rocky Hill Coal Project, omdat ze de totale klimaatimpact niet aanvaardbaar vond in het licht van de klimaatuitdaging waarvoor we staan. De milieu-impact woog niet op tegen de economische winsten die op korte termijn te rapen vielen.

Ook binnen Vlaanderen moeten stappen worden gezet richting een meer bindende klimaattoets, al was het maar om ons te bevrijden van klimaatonvriendelijke lock-ins. Projecten die niet kaderen binnen ons beperkt beschikbare CO2-budget voor het komende decennium kunnen niet zonder meer worden toegelaten, toch? 

Ook het 'vervuiler betaalt'-beginsel beleeft een heropleving. Eerder dit jaar verplichtte het Canadese Hooggerechtshof een failliet oliebedrijf de schade die het heeft toegebracht aan het milieu op te kuisen. De terugbetaling van niet-vergoede schuldeisers was van secundair belang. Klimaatpotje breken, klimaatpotje betalen, zo is het adagium.

Een sluier van onwetendheid

Tegen alle verwachtingen in blijkt het recht dan ook verrassend wendbaar. Dat doet sommigen steigeren. Is het recht nog wel voldoende kenbaar? En doen de rechters dan niet aan politiek?

Zij dwalen.

De bekende Duitse filosoof Jurgen Habermas herinnerde er ons echter meermaals nog aan dat grondwettelijke beginselen steeds moeten worden herschreven in het licht van nieuwe maatschappelijke uitdagingen. De recente klimaatrechtspraak lijkt deze herijkingsoefening enkel au sérieux te nemen.

Het lijkt wel alsof de rechters in hun recente arresten het recht op een leefbaar klimaat van de toekomstige generaties laten primeren op de korte­termijn­belangen van de huidige generaties.

In zijn beroemde werk "A theory of Justice" (1972) hanteert de Amerikaanse filosoof John Rawls de zogenaamde sluier van onwetendheid – the veil of ignorance – om te bepalen op welke principes onze maatschappij gestoeld zou moeten zijn.

Omdat we al te zeer redeneren vanuit eigenbelang, is het volgens Rawls noodzakelijk om uit te gaan van een situatie waarin we niet weten wie of wat we zijn. Met deze blinddoek voor onze ogen – Rawls noemt het the original position – weten we niet of we jong of oud zijn, rijk of arm, klimaatvluchteling of miljonair, klimaatontkenner of believer. Op die manier versmelt ons eigen belang alsnog met het algemeen belang. Het lijkt wel alsof de rechters in hun recente arresten ook steeds meer gebruikmaken van die veil of ignorance, die het recht op een leefbaar klimaat van de toekomstige generaties laat primeren op de korte­termijn­belangen van de huidige generaties.

Of hoe ook het "natuurrecht" – klimaatwet of géén klimaatwet – uiteindelijk ook aan de kant lijkt te staan van de klimaatspijbelaars. Of volwassenen dat nu graag hebben of niet. 

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.