Video player inladen...

Eilandcultuur, referenda en broedertwist over de euro: waarom de Britten nooit met hart en ziel in de EU hebben gezeten

De Britten hebben de voorbije drie jaar - na het brexit­referendum in 2016 - weinig blijk gegeven van eensgezindheid. Wilden ze nu wel of niet doorgaan met die brexit en uit de Europese Unie stappen? Dat de brexit er nu toch is, is echter geen verrassing. Noch de verdeeldheid erover. De Britten hebben altijd al een stormachtige relatie met Europa gehad. Een terugblik op meer dan een halve eeuw aantrekken en afstoten.

Yeah, but no, but yeah, but no, but yeah... Kent u Vicky Pollard nog uit de Britse comedyreeks "Little Britain"? Haar legendarische oneliner vat perfect samen hoe de Britten de afgelopen jaren met de brexit zijn omgegaan. Vooral het laatste jaar was een en al chaos, een soap met zowat elke dag een nieuwe plotwending. De eensgezindheid was ver te zoeken.

Dat de Britten 47 jaar na hun toetreding uiteindelijk toch uit de Europese Unie stappen, is geen verrassing. Een deel van hen heeft er namelijk nooit met hart en ziel in gezeten. Al sinds de oprichting van de Economische Gemeenschap voor Kolen en Staal, nu bijna 70 jaar geleden, hebben de Britten een haat-liefdeverhouding met het eengemaakte Europa gehad.

De stugge eilandbewoners hadden het altijd al op hun eentje gered en zouden dat blijven doen. The British Empire besloeg ooit een kwart van de wereld, om maar iets te zeggen. En een deel van wetgevende en rechterlijke macht afstaan, vonden ze allerminst een aantrekkelijke gedachte.

Anderzijds lonkte de economische vooruitgang van een douane-unie en interne markt, in een tijd dat het Verenigd Koninkrijk straatarm was na de verwoestende Tweede Wereldoorlog. Maar toen die economische integratie decennia later evolueerde naar een politieke integratie, gingen opnieuw de alarmbellen af.

En net zoals de voorbije jaren speelden ook de voorbije decennia partijbelangen een grote rol. Wie in 10 Downing Street huisde, de ambtswoning van de premier, en welke druk de premier vanuit zijn of haar partij voelde, bepaalde grotendeels welke houding het Verenigd Koninkrijk op dat moment tegenover de Europese Unie innam. Zowel de Conservatieve Partij als Labour - de grootste twee partijen in het Verenigd Koninkrijk - switchte met gemak van voor Europa naar tegen Europa en weer terug. Kortom: de Britten hebben het nooit echt geweten.

Churchill droomt

De Britten waren er niet bij toen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) begin jaren 50 het licht zag. Ze waren er eind jaren 50 niet bij toen dezelfde zes landen de Europese Economische Gemeenschap boven de doopvont hielden. Ook niet toen er een douane-unie gevormd werd en een Europese Commissie, Europese Raad en Europese rechtbank in het leven werden geroepen. De eerste stappen van een eengemaakt Europa werden alleen op het Europese vasteland gezet.

Nochtans was een vooraanstaande Brit een van de eersten om voor Europese integratie te pleiten: Winston Churchill, Brits premier tijdens de Tweede Wereldoorlog, zag er kort na die oorlog een garantie op vrede in Europa in, meer nog, de énige garantie op vrede. Er moest maar eens een einde komen aan al die haat en wraak, en al dat nationalisme en oorlog voeren. "We moeten een soort van United States of Europe bouwen", oreerde hij in 1946 in een toespraak aan de Universiteit van Zürich.

Churchill pleitte onomwonden voor een eengemaakt Europa zonder grenzen, met een Frans-Duitse alliantie als kern. Tot op vandaag blijft het echter onduidelijk welke rol hij voor het Verenigd Koninkrijk zag in dat eengemaakte Europa. In elk geval was hij al geen premier meer toen hij zijn befaamde speech gaf en zijn schouders onder een Europese toenadering zette. Labour was in die tijd aan de macht, Churchill was "slechts" leider van de oppositie. En de Labourregering koos ervoor om aan de kant te blijven staan toen de EGKS opgericht werd. Nochtans was het Verenigd Koninkrijk toen de grootste kool- en staalproducent in Europa.

Winston Churchill geeft een toespraak voor de Universiteit van Zürich, in 1946.

Willen, maar niet mogen

Maar zelfs toen Churchill opnieuw premier werd (1951-1955), bleven de Britten aan de zijlijn staan. Hij was niet meer geïnteresseerd en had andere zorgen. Pas een decennium later, toen ze in Londen voelden dat ze de trein wel degelijk aan het missen waren, speelden de Britten echt open kaart. In de jaren 60 diende het Verenigd Koninkrijk twee keer een aanvraag tot lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in. Begin jaren 60 gebeurde dat onder de Conservatieve premier Harold Macmillan, eind jaren 60 onder Labourpremier Harold Wilson.

Om maar te zeggen dat de houding tegenover Europa niet partijgebonden was. Het was een Labourregering die besloot niet in de EGKS te stappen, weet u nog? En toen de Conservatieve premier Harold Macmillan een eerste poging waagde, was Labour als oppositiepartij nog tegen een Britse toetreding. Maar enkele jaren later had Wilson, die nooit een grote fan van Europa was geweest, het licht gezien. Lid worden van een economische unie zou de Britse economie uit het slop halen.

Hoe dan ook, de Britten kregen nul op het rekest. Twee keer. De Franse president Charles de Gaulle lag dwars. Trad het Verenigd Koninkrijk toe tot de EEG, dan was dat het einde van de Franse dominantie binnen de Gemeenschap, oordeelde de president. Bovendien was De Gaulle toen al doordrongen van de profetische gedachte dat je met de Britten alleen maar last zou krijgen. Hij stelde twee keer zijn veto. Voor de Britten werd het pijnlijk: eerst wilden ze er niet bij horen, dan weer wel, maar mochten ze niet.

Dan toch, maar met vele mitsen en maren

Het was uiteindelijk toch een Conservatieve premier, Edward Heath, die het Verenigd Koninkrijk de EEG in loodste, in 1973. Niet zonder slag of stoot, want het Britse Lagerhuis was hopeloos verdeeld. De breuklijnen liepen door alle partijen heen. Elke partij had zijn voor- en tegenstanders van Europees lidmaatschap. Inderdaad, toen ook al. En tot op vandaag.

De Conservatieve premier Edward Heath zet zijn handtekening onder de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Economische Gemeenschap.
Copyright 2017 The Associated Press. All rights reserved.

De Gaulle zou al snel gelijk krijgen, want toen Labour een jaar later opnieuw de macht greep, wilden de Britten het toetredingsakkoord dat ze nog maar pas met de EEG hadden gesloten, alweer heronderhandelen. Zes jaar daarvoor had Labourpremier Wilson zelf nog een aanvraag tot lidmaatschap ingediend, twee jaar na de toetreding organiseerde hij een referendum met de vraag of het VK in de EEG moest blijven of eruit moest stappen.

Zelf was Wilson er voorstander van om in de EEG te blijven – de Britse economie in gedachten – maar zijn partij was diep verdeeld. Het lidmaatschap heronderhandelen en daarna een referendum houden, leek hem het gepaste antwoord daarop. (David Cameron zou het hem 40 jaar later nadoen.)

In 1975 voert Margaret Thatcher enthousiast campagne om in de EEG te blijven.
2016 Getty Images

Neen, het brexitreferendum in 2016 was dus niet het eerste. In 1975 mochten de eilandbewoners al eens hun zegje doen over het lidmaatschap van de Europese club. Toen met een duidelijker resultaat: 67 procent van de kiezers wilde in de EEG blijven.

In de aanloop naar dat referendum voerde een bepaalde politica een opmerkelijke campagne om in de EEG te blijven: ene Margaret Thatcher, net voorzitter van de Conservatieve Partij geworden. Gehuld in een opvallende, uit Europese vlaggen bestaande trui, trok ze enthousiast de straat op. Geheel volgens de Britse traditie zou ze een decennium later een andere Europese koers varen en de Europese leiders het bloed onder de nagels vandaan halen.

The Lady wants her money back

Want van Thatchers relatie met Europa blijven toch vooral twee legendarische quotes in het geheugen gegrift staan. "I want my money back!" en "No! No! No!"

De eerste slaat op de bijdrage die alle lidstaten aan de gezamenlijke Europese pot moeten betalen. De Britten is het altijd een doorn in het oog geweest dat ze meer geld aan Europa gaven, dan ze ervan terugkregen (via subsidies voor bijvoorbeeld landbouw).

Tijdens haar premierschap (1979-1990) ijverde Thatcher voor een korting op die Britse bijdrage: "I want my money back", klonk het in 1979 al op een Europese top in Dublin. Ze kreeg de jaren erna gedeeltelijk haar zin. En ze diende met haar niet aflatende vraag voor zo'n korting de Europese eenmaking: alle Europese leiders waren het moe en stonden schouder aan schouder… tegen haar. 

No! No! No!

Margaret Thatcher had weinig zin in politieke integratie.

De tweede uitspraak deed ze eind 1990 in het Britse parlement, een maand voor ze moest opstappen. Het was een reactie op een persconferentie van toenmalig Europees Commissievoorzitter Jacques Delors waarin hij zijn plan tot meer politieke integratie ontvouwde.

Delors wilde van het Europees Parlement het verkozen orgaan van de Europese Gemeenschap maken, van de Europese Commissie de uitvoerende macht en zag de Raad van Ministers als een soort Senaat. Zoveel politieke macht afstaan, zag Thatcher allerminst zitten. Ze beantwoordde Delors' drieluik kort en krachtig: "No! No! No!"

Nochtans hadden de Britten die verdere politieke integratie kunnen voorspellen. Al in het Verdrag van Rome uit 1957 was sprake van een "alsmaar nauwere unie tussen de volkeren van Europa". De Britten voelden zich verraden, want ze waren naar eigen zeggen enkel in een economische unie gestapt. Maar hadden ze de kleine lettertjes wel goed gelezen?

Thatcher had overigens haar eigen manier om die politieke integratie een halt toe te roepen. Ze pleitte voor een verdere uitbreiding van de Europese Gemeenschap naar het oosten. De economische markt zou groter worden, de politieke besluitvorming alsmaar ingewikkelder.

Video player inladen...

De woede om Maastricht

De woede-uitbarsting in het Britse parlement ("No! No! No!") komt Thatcher duur te staan. Het zet een reeks gebeurtenissen in gang die uiteindelijk een maand later tot haar ontslag leiden. De tot dan toe vrij onbekende John Major neemt het roer over en gooit het meteen om. Hij wil het Verenigd Koninkrijk in het hart van Europa brengen.

Maar verdeeldheid binnen zijn Conservatieve Partij leidt ertoe dat zijn regering van de ene crisis over Europa in de andere struikelt. Toen hij in 1992 zijn handtekening zette onder het Verdrag van Maastricht, dat de Europese Economische Gemeenschap omvormde tot Europese Gemeenschap en nog meer Europese eenmaking in het verschiet stelde, begonnen de eurosceptici binnen zijn regering en partij in opstand te komen.

Een politieke unie doemde op aan de horizon, een horrorscenario. Major was zeven jaar premier. In al die jaren wilde hij het euroscepticisme in zijn partij ombuigen, maar aan het einde van de rit had hij het alleen nog maar feller aangewakkerd.

John Major trachtte het euroscepticisme in zijn Conservatieve Partij om te buigen, maar slaagde daar niet echt in.
AP1992

Broedertwist houdt Britten uit de euro

In 1997 kwam Labour na 18 jaar oppositie opnieuw aan de macht. New Labour heette de partij voortaan. Partijleider en premier Tony Blair bewandelde namelijk de derde weg, die van de sociaaldemocratie met een dikke kapitalistische saus erover.

Ook toen moesten er belangrijke knopen omtrent Europa worden doorgehakt: vervangen de Britten hun pond sterling door de Europese eenheidsmunt? En ook dan – tradities zijn er om in ere te houden – bepaalt interne verdeeldheid binnen de partij van de premier de Europese koers die de Britten zullen varen. Meer zelfs: het wordt een echte broedermoord.

Eerst beslist Blair, kort na zijn aantreden, nog schouder aan schouder met zijn minister van Financiën en kompaan Gordon Brown, dat het nog te vroeg is om in de euro te stappen. Jaren later, we zijn dan al 2003, vindt Blair wel dat het tijd is. Maar Brown, die wrok koesterde omdat Blair en niet hijzelf premier was geworden, steekt er een stokje voor. Met 18 studies van samen 2.000 pagina's en een samenvattend rapport van 700 pagina's in de hand, vertelt hij het Lagerhuis dat het Verenigd Koninkrijk er nog steeds niet klaar voor is. Brown zet zijn baas een neus. De lijvige studies zijn enkel een schaamlapje voor een politieke zet. De Britten zullen nooit in de euro stappen.

Tony Blair (l) en Gordon Brown (r) in 2003 tijdens een persconferentie waarin ze bekendmaken dat het VK niet in de eurozone zal stappen.
AP2003

In de tweede helft van de jaren 90 krijgt het Britse euroscepticisme overigens een nieuw gezicht, in de hoedanigheid van twee politieke partijen. De Referendum Party is een kort leven beschoren. Tijdens de eerste parlementsverkiezingen waaraan de partij deelneemt, in 1997, haalt ze geen enkele zetel. De Referendum Party, waarvan het enige programmapunt een referendum over de Europese Unie was, hield kort daarop op te bestaan.

Een andere partij die op ongeveer hetzelfde moment het levenslicht zag, de UK Independence Party (UKIP), worstelde zich wel door de onzekere beginjaren om bijna 20 jaar later in volle glorie de grootste partij van het Verenigd Koninkrijk te worden (weliswaar bij Europese verkiezingen).

Dan maar een referendum

Na 13 jaar Labour – Brown werd in 2007 dan toch nog premier – nemen de Conservatieven in 2010 opnieuw hun intrek in 10 Downing Street. En de nieuwe premier is de jonge David Cameron. Zijn partij is na al die jaren oppositie nog even verdeeld als in de dagen van Major als het over Europa gaat.

Cameron behoort zelf tot het gematigde pro-Europese kamp en is voorstander van verdere Europese integratie. Maar net als Major krijgt Cameron het hard te verduren van een groep felle tegenstanders van de Europese Unie binnen zijn partij. De wanhoop nabij komt Cameron dan maar op het idee om een referendum te organiseren. Naar verluidt ingefluisterd door Duits bondskanselier Angela Merkel.

De Duitse bondskanselier Angela Merkel (l) en toenmalig Brits premier David Cameron (r) in 2015. Naar verluidt fluisterde Merkel Cameron het idee van een referendum in.
Copyright 2016 The Associated Press. All rights reserved. This material may not be published, broadcast, rewritten or redistribu

In 2013 belooft Cameron dat hij een referendum over het lidmaatschap zal organiseren als de Conservatieven in 2015 de verkiezingen winnen. En zo geschiedde. Cameron haalt een absolute meerderheid. Een jaar later, op 23 juni 2016, mogen de Brittenn hun zeg doen: in or out?

Cameron hoopte met het referendum twee vliegen in één klap te kunnen slaan: het stemmenverlies aan UKIP een halt toe roepen en de anti-EU-groep binnen zijn partij de mond snoeren. En zo zijn partij bijeenhouden. Hij gokte erop dat de bevolking wel voor een verder verblijf in de Unie zou stemmen. Van algemeen belang was nauwelijks sprake. Puur eigenbelang, het bijeenhouden van de partij, daar ging het om.

De hele onderneming ontploft in Camerons gezicht. Het resultaat van het referendum is bekend. De dag erna neemt hij ontslag. UKIP mag door de uitslag van het referendum zijn bestaansreden dan wel kwijt zijn, Cameron gaat de geschiedenis in als de premier die zijn land uit de Europese Unie heeft geduwd. En de eenheid binnen de Conservatieve Partij zou niet snel terugkeren.

Slotsom: het beeld van de Britse politiek dat we vooral het laatste anderhalf jaar te zien kregen, is zowat hetzelfde beeld als de voorbije 70 jaar. Verdeeldheid tot en met. Met alle gevolgen van dien voor de relatie met Europa. De Britten en Europa waren bijna 50 jaar getrouwd, dat wel, maar het was een stormachtig huwelijk. Eigenlijk lagen de echtscheidingspapieren al van bij het begin klaar.

Bekijk hier de historische terugblik door VK-kenner Ivan Ollievier:

Video player inladen...

Meest gelezen