Broeder Cyriel: "Na de moord op de president schoot de extremistische Hutu-militie in actie"

Op 6 april 1994 werd in de Rwandese hoofdstad Kigali het vliegtuig neergeschoten met de presidenten van Rwanda en Burundi. Het was het begin van de genocide op de Tutsi's en de massamoorden die tussen de 800.000 en 1 miljoen mensenlevens eisten. VRT NWS kijkt 25 jaar later terug en laat mensen aan het woord die alles van dichtbij hebben meegemaakt. Vandaag broeder Cyriel Wieme.

Broeder Cyriel (Jules) Wieme (°1922) trok in 1972 naar Rwanda en bouwde er in Kisaro, in het noorden van het land, een geïntegreerd landbouwproject uit dat uitgroeide tot een model van ontwikkeling. Tot ook zijn streek in 1990 oorlogsgebied werd, met de inval van het Rwandees Patriottisch Front (RPF) vanuit Oeganda.

Tijdens de oorlogsjaren zag hij hoe de radicalisering toesloeg en de haat tussen de Hutu- en de Tutsi-bevolking, ook in zijn gebied, toenam. In zijn dagboek vertelt Broeder Cyriel hoe hij die fatale april 1994 zag aankomen en hoe hij na de verovering van ook Kisaro door de RPF-troepen pas weken later kon ontkomen naar Oeganda. 

Broeder Cyriel overleed in 2015 in België, 92 jaar oud. Pas enkele maanden tevoren was hij definitief teruggekeerd uit zijn geliefde Rwanda.

Het is heel gevaarlijk. Ik zal u twee militairen meegeven

Voormalig minister van Landsverdediging Leo Delcroix

"Op 15 maart 1994 werd ik door de minister van Defensie opgeroepen voor een vergadering in Kigali, waarop ook de Belgische minister van Landsverdediging, Leo Delcroix, aanwezig was. Het waren hooggeplaatsten waartussen ik mij niet thuis voelde. Door de minister van Defensie werd ik voorgesteld aan die hoge omes."

"Ook aan de Rwandese eerste minister, een dame. Toen ze me zag, omhelsde ze me: "Wat ben ik blij u eens te mogen begroeten." Ik had haar nooit in levenden lijve gezien, maar wel geregeld contact met haar gehad. Deze scène kreeg veel bekijks. Wat er op die vergadering bepraat moest worden, wist ik niet. Het werd avond en ik wou vertrekken. Minister Delcroix vroeg me: "Gaat ge nu nog naar Kisaro?" Op mijn bevestiging zei hij: "Het is heel gevaarlijk. Ik zal u twee militairen meegeven". Zo reed ik naar Byumba."

"Daar aangekomen zegden de militairen: "Nu kunt ge alleen verder. We hebben alle posten verwittigd". Ik geraakte heelhuids in Kisaro. Maar ik was niet gerust. In Kisaro zaten ook RPF-mensen. Zij waren zenuwachtig, zo leek het mij, en ze schenen te spioneren. Op het eerste zicht was het tijdens de Goede Week zeer rustig, zodanig zelfs dat een coöperant zei: "Men zou zeggen dat de oorlog voorbij is". Ik heb hem toen geantwoord: "Ik denk dat het de stilte is voor de storm"."

AP1994

"Sinds enige tijd was er iets aan het broeden in de vluchtelingenkampen. Ik kwam er wekelijks met een vracht wittekool en kreeg telkens hetzelfde te horen: we zitten al drie jaar in een kamp, onze heuvel en huizen zullen we nooit meer terugzien, we krijgen amper eten, en dit allemaal door de schuld van de Tutsi. Op 6 april 1994 is de aanslag gepleegd. Dit werd de aanzet van een nooit geziene actie. Een drama dat van beide kanten werd aangegrepen om een slachting te beginnen."

"Na de moord op de president schoot de Interahamwe, een extremistische Hutumilitie, in actie: ze deelden machetes uit in het kamp en vuurden de mannen aan om aan te vallen, ondersteund door een ophitsende radiozender, Mille Collines."

"Ze doodden zowel hun eigen volk als de aanvallers. Persoonlijke vetes werden uitgevochten. Goed menende Tutsi die altijd in Rwanda gewoond hadden, werden evenmin ontzien."

"Er speelden zich gruwelijke scènes af. We mogen nochtans de schuld niet enkel op de Hutu schuiven. Welk volk zou zich niet wreken op de verknechting die het moest ondergaan. Ze waren verjaagd van hun heuvel en moesten leven zoals in een kudde, en dit gedurende drie jaar. Zij waren de eerste slachtoffers. Hun woede was begrijpelijk, hoe afkeurenswaardig de wraak ook was."

AP1994

"Ook ik werd door het RPF gedwongen om plaats te ruimen, Kisaro te verlaten. Onze Mercedesbestelwagen moest ik achterlaten. Met een kleine wagen reed ik naar Miyove. Toen ik de stad tot op een kilometer van de markt genaderd was, kwam een sliert RPF-soldaten ons tegemoet. Het waren mannen te voet onder leiding van een officier die ik toevallig kende en met wie ik mij goed verstond. Hij gebood mij om terug te keren en zou mij de plaats aanwijzen waar ik kon verblijven."

"Intussen reden we langs de lange rij rekruten en konden we hen observeren. Ze droegen geen uniform en waren gewapend met hakken, pikhouwelen en dergelijke. Werktuigen als wapen. Slechts enkelen hadden een geweer. "Waar zal dat toe leiden?", vroeg ik mij af."

"Waar gaan jullie naartoe?", wilde ik weten van de officier. "Deze nacht, om twee uur, beginnen we vanuit Rutongo aan de beschieting van Kigali", was het antwoord. Ik schatte dat het een leger van ongeveer 5.000 mannen was. Zij waggelden in stilte vooruit, een eendenpas van onervaren jongens. "Vreest ge niet beschoten te worden door de FAR (het regeringsleger)?", vroeg ik. "Die zijn allang op de vlucht", was het antwoord.

AP1994

"Ik vond intussen een onderkomen in een leegstaand huis op de heuvel tussen Rusasa en Kisaro, waar ook de gevangenis is. Bewoners van Kisaro volgden mij. We verbleven samen in dat huis. ‘s Anderdaags ging ik terug naar het Centrum (Kisaro) in de hoop wat proviand te kunnen meenemen en in mijn bureau en kamer nog wat spullen te vinden."

"Maar men had alles al doorsnuffeld. De vloer lag vol documenten. Mijn map met persoonlijke documenten was eveneens verdwenen. Daar zaten brieven in die men tegen mij kon gebruiken, zoals correspondentie met de president. Aan een officier vroeg ik of we onze eetwaar mochten meenemen, zoals bonen, bloem enz. Hij stond het toe, maar toen de jongens met een paar kruiwagens wilden vertrekken, werden ze tegengehouden."

Men had alles doorsnuffeld. De vloer lag vol documenten

Broeder Cyriel Wieme

"Alles hier laten", snauwde men. "Ik protesteerde maar men was categorisch: "Nog een woord en ik schiet". Zo heb ik aan den lijve ondervonden wat het betekent om in een kamp te leven. De jongens waren er al langer in geoefend."

"Ik sliep ergens in een hoek op een geïmproviseerde matras en bracht mijn dagen door met wandelen, de rozenkrans te bidden en sommige militairen te woord te staan. De RPF-soldaten wilden natuurlijk van alles te weten komen. Ik was op mijn hoede."

AP1994

"Op een morgen zei men: "Hou u klaar, vandaag brengen we u naar Gatuna (aan de grens met Oeganda)". Wat was er gebeurd dat ik moest vertrekken? De kopstukken van het leger waren bijeengekomen om te beslissen wat ze met mij zouden aanvangen. Sommigen stelden voor mij van kant te maken, anderen pleitten tegen. Men geraakte er niet uit, heb ik vernomen en ze besloten (RPF-leider) Kagame op te bellen. Deze antwoordde: "Breng hem naar Gatuna"."

"Daarmee was de knoop doorgehakt. Het was na vieren toen men mij kwam halen. Ik vertrok samen met twee soldaten. Het regende. Slagbomen gingen omhoog zodra men ons zag. Ook aan de grenspost was men vriendelijk. Ze vergezelden mij nog tot op een brug waar ik werd overgeleverd aan de Oegandese grenswacht."

Meest gelezen