Is België mee verantwoordelijk voor de genocide in Rwanda?

Toen in 1995 Nederlandse blauwhelmen in Srebrenica er niet in slaagden Bosnische moslims te verdedigen tegen Bosnische Serviërs, werd dat al gauw een nationaal trauma. Belgische blauwhelmen in Rwanda slaagden er niet in om daar de genocide in 1994, nu 25 jaar geleden, te voorkomen. Maar in België liggen er maar weinig mensen wakker van, ook al is de Rwandese genocide een van de ergste misdaden tegen de mensheid sinds de Tweede Wereldoorlog. 

analyse
Jan Balliauw
Jan Balliauw is specialist internationale relaties bij VRT NWS.

België in shock door moord op 10 para's

De eindredacteur vraagt me naar de Wetstraat 16 te gaan. Het is de avond van de 7e april 1994. Het nieuws dat in Rwanda tien Belgische VN-blauwhelmen zijn vermoord, is nog vers. Toenmalig minister van Defensie Delcroix is ook opgetrommeld voor een speciale kabinetsraad. Voor hij de lift neemt, vraag ik hem of er een evacuatie van Belgen komt. Hij antwoordt veelbetekenend: “Dat is niet uitgesloten.”

Zijn uitspraak wordt meteen door de internationale nieuwsagentschappen opgepikt. De volgende dag beslist de regering inderdaad de Belgen in Rwanda te evacueren en stuurt zo'n 800 para’s naar het land. Daar waren inmiddels massale moordpartijen bezig, in die begindagen waren het Hutu’s die vooral Tutsi’s afslachtten.

Het was het begin van de genocide waarbij uiteindelijk naar schatting 1,1 miljoen doden zouden vallen (op een bevolking van 7,5 miljoen). Uiteindelijk ontsnapten zowel Tutsi’s als Hutu’s niet aan de collectieve razernij in Rwanda. De Hutu’s werden later vooral vermoord door het door Tutsi’s gedomineerde Rwandees Patriottisch Front (RPF).

Het was toen zeer gevaarlijk om je als blanke op straat te bewegen, zeker als Belg

Het nieuws van die massaslachtingen sijpelde die eerste dagen bij ons amper door bij gebrek aan westerse journalisten in het land. En zelfs als die er waren geweest, konden ze nauwelijks op straat komen. Het was toen zeer gevaarlijk om je als blanke op straat te bewegen, zeker als Belg, te meer omdat het gerucht werd verspreid dat de Belgen mee verantwoordelijk waren voor het neerschieten van het vliegtuig van de Rwandese president op 6 april.

De meeste Belgen bleven thuis en hoopten zo snel mogelijk geëvacueerd te worden. Dat was ook wat huidig VRT collega Katrien Vanderschoot mij enkele dagen later telefonisch vertelde. Zij woonde toen in Rwanda en werkte er als freelance journaliste.

Begrafenis van een van de 10 VN-militairen die omkwam in Rwanda, 1994.

Weinig aandacht

Minister van Buitenlandse Zaken Claes had in onze journaaluitzending van de 7e april nog gefilosofeerd over een harder optreden van de VN-vredesmacht UNAMIR waarvan Belgische militairen de kern uitmaakten. Maar hij wist toen nog niet dat tien van die Belgische blauwhelmen waren vermoord in Kigali. De internationale gemeenschap was in de aprildagen van 1994 ook helemaal niet gefocust op Rwanda, ook al waren er in de maanden voor de genocide begon, al verschillende waarschuwingen geweest dat de situatie in Rwanda snel slechter werd.

Ook in de Veiligheidsraad sijpelde het nieuws over een oplopende spanning in Rwanda niet door. Toenmalig Amerikaans VN-ambassadeur Madeleine Albright schrijft in haar memoires (Madam Secretary, 2003) dat bij het overleg tussen de leden van de VN-Veiligheidsraad voor de agenda van de maand april, Rwanda zelfs niet ter sprake kwam, ook al zat het land zelf in de Veiligheidsraad als niet-permanent lid. Het kabinet van het wereldbestuur had toen vele problemen op zijn bord. Zo was er de spanning in Bosnië, de chaos in Somalië, Irak en nog vele andere conflictgebieden. 

De bevelhebber van de VN-vredesmacht UNAMIR, Roméo Dallaire, had nochtans verschillende keren aangegeven dat er in feite geen vrede meer te handhaven was. Dat was nochtans de opdracht van de vredesmacht en de blauwhelmen waren ook alleen maar uitgerust voor vredeshandhaving: lichte wapens, lichte pantservoertuigen. Om actief in te grijpen in een conflict, is zwaardere bewapening nodig en eventueel luchtsteun.

En zelfs met de bestaande uitrusting waren veel problemen. De Belgische militairen, de best uitgeruste militairen in Rwanda, hadden een hele reeks klachten voor de staf in Brussel over hun voertuigen, over munitie, maar veel aandacht werd er niet aan geschonken. 

Versterking van het VN-mandaat

In de eerste momenten na de moord op de 10 para’s pleit België voor een versterking van de VN-vredesmacht UNAMIR. Minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes zei in zijn verklaringen voor de parlementaire Rwanda-commissie in 1997 dat hij verschillende mogelijkheden zag: een brede interpretatie van de inzetregels, het sturen van extra troepen of de versterking van het mandaat tot een gevechtsmissie, in VN-jargon een hoofdstuk VII-operatie (UNAMIR had een mandaat onder het minder verregaande Hoofdstuk VI, wat gebruikt wordt voor vredeshandhaving). Claes voegt er wel meteen aan toe: “Ik heb zo ongeveer de halve wereld rondgebeld maar niemand bleek bereid om het mandaat te versterken.” 

De beelden van de lijken van de Amerikaanse militairen die werden meegesleurd door de straten van de hoofdstad, veroorzaakten een diep trauma in de VS

De VN was er alvast niet voor te winnen dat de VN-blauwhelmen actief zouden tussenkomen in een conflict. Ze waren daarvoor niet bewapend en daarmee zouden ze ook hun onpartijdigheid verliezen. Somalië had het jaar daarvoor nog getoond hoe gevaarlijk dat was. De VN-vredesmacht daar was wel opgezet als een Hoofdstuk VII-gevechtsmissie. Maar 18 Amerikaanse militairen waren omgekomen in hevige gevechten in Mogadishu. De beelden van de lijken van de Amerikaanse militairen die werden meegesleurd door de straten van de hoofdstad, veroorzaakten een diep trauma in de VS. President Clinton besloot de Amerikaanse deelname te beëindigen en gelastte een herziening van de deelname aan VN-operaties.

Dat verklaarde meteen dat ook de VS niet zat te wachten op een versterking van de VN-mandaat in Rwanda, laat staan om er troepen voor te leveren. Ook andere landen, zeker in Europa, hadden ernstige twijfels gekregen over VN-missies, vooral na de vernederingen die VN-blauwhelmen in Bosnië moesten ondergaan. Zo hadden Bosnische Serviërs na NAVO-bombardementen blauwhelmen gevangen genomen en hen gebruikt als menselijk schild om potentiële doelen te vrijwaren, net toen in Rwanda de situatie uit de hand liep.

Belgische VN-militairen in Rwanda, 1994

Belgische terugtrekking uit VN-vredesmacht

Al vlug slaat de houding van de Belgische regering om. Zondag 10 april landen de eerste Belgische C-130’s op de luchthaven van Kigali voor de start van de evacuatie. De aandacht gaat nu vooral naar die operatie. De volgende dag zegt premier Dehaene in de Kamer dat de regering vindt dat aan de voorwaarden om Belgische troepen in Rwanda te houden “niet langer is voldaan.” Dehaene had al van in het begin van de crisis grote vragen bij een verdere Belgische deelneming aan de VN-vredesmacht.

Al op de ministerraad van 8 april had hij verdere deelname nog afhankelijk gemaakt van een versterking van UNAMIR, maar dat moest wel gebeuren zonder de inzet van extra Belgische soldaten. Maar al vlug bleek er dus geen animo te zijn in de Veiligheidsraad voor een versterking van het mandaat, waardoor die piste al snel verlaten werd. Verschillende deskundigen hebben voor de Rwanda-commissie verklaard dat de eerste pogingen om het mandaat uit te breiden in feite bedoeld waren voor de evacuatie-operatie, niet voor de bescherming van de Rwandezen.

Topoverleg

De regering stuurt minister Claes op 12 april naar Bonn voor een ontmoeting met VN-secretaris-generaal Boutros Ghali. Tijdens de crisis was de VN topman op rondreis in Europa en hij onderbrak die niet, ook al bevorderde dat de communicatie niet. Claes zegt er vrij schamper over: “Ik kan mij indenken dat hij op dat ogenblik niet op de hoogte was van alle details van de situatie.”

Claes komt met een duidelijke boodschap naar Boutros Ghali, een boodschap die net voor zijn ontmoeting is doorgesproken met de hele regering: “U weet dat een versterking van het mandaat er niet inzit. Het is ons oordeel dat u er beter aan doet alle UNAMIR-troepen wijselijk terug te trekken…. In elk geval kunnen de Belgische troepen niet blijven.” In het Belgische verslag van de ontmoeting zegt Boutros Ghali dat hij de Belgische analyse deelt. 

Willy Claes en Boutros Ghali in 1993.

De VN-secretaris-generaal komt in zijn verslag aan de Veiligheidsraad evenwel met een andere versie. Hij schrijft dat hij tegen Claes had gezegd niet akkoord te gaan, dat UNAMIR alleen verder kon functioneren als België zijn beslissing zou terugdraaien of de Belgische militairen zouden vervangen worden door andere goed uitgeruste soldaten.

Boutros Ghali zegt met andere woorden dat UNAMIR de facto niet verder kan blijven werken in Rwanda als België zijn soldaten terugtrekt. Hij legt de verantwoordelijkheid voor een terugtrekking dus uitsluitend bij België. De brief van Boutros Ghali zorgt voor de nodige consternatie bij de Belgische diplomaten in New York.

Campagne van België om VN-operatie in Rwanda te beëindigen

Meteen na de ontmoeting in Bonn begint België aan een actieve campagne om alle leden van de Veiligheidsraad ervan te overtuigen de VN-vredesmacht volledig uit Rwanda terug te trekken. België zoekt ook de steun van de VS, schrijft Madeleine Albright. Zij verwittigt Washington dat de meeste leden van de Veiligheidsraad de VN-vredesmacht toch in Rwanda willen houden, eventueel afgeslankt.

Maar ze krijgt op 15 april instructies uit Washington om de VN in te lichten dat de VS net zoals België achter een volledige terugtrekking staat. Voor Washington speelt het drama van Mogadishu een grote rol: “De Veiligheidsraad heeft een verplichting ervoor te zorgen dat vredesoperaties uitvoerbaar zijn en dat blauwhelmen niet in een onhoudbare situatie komen.” 

Ik geraakte er meer en meer van overtuigd dat we aan de foute kant stonden

Madeleine Albright, Amerikaans VN-ambassadeur

Op dat moment ziet Albright zelf ook niet in hoe de licht bewapende blauwhelmen de orde in Rwanda zouden kunnen herstellen. Maar ze laat zich tijdens een informeel debat in de Veiligheidsraad overtuigen dat de VN zich niet helemaal uit Rwanda mag terugtrekken: “Ik geraakte er meer en meer van overtuigd dat we aan de foute kant stonden.”

Ze probeert de instructies van het ministerie van Buitenlande Zaken te omzeilen door te bellen met de invloedrijke Nationale Veiligheidsraad die in het Witte Huis zit. In een hoogoplopende discussie roept ze aan de telefoon tegen een naaste medewerker van veiligheidsadviseur Tony Lake dat er nieuwe instructies moeten komen. Haar tirade heeft enig gevolg, de medewerker belooft dat de zaak opnieuw te bekijken en geeft Albright meteen ook de raad zich niet te veel op te winden. 

België contacteert niet alleen de VS, maar ook de andere permanente leden van Veiligheidsraad (Rusland, Frankrijk, V.K. en China) om een volledige terugtrekking te bepleiten. Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Claes stak in de Rwanda-commissie niet weg dat “schrik voor gezichtsverlies” zeker een rol heeft gespeeld. Als alle blauwhelmen werden teruggetrokken, zou met andere woorden een Belgische terugtrekking minder opvallen.

Maar er speelden volgens Claes ook andere zaken: de grondslag van het mandaat was weg, er was geen sprake meer van vredeshandhaving, van de Arusha vredesakkoorden bleef niets over, er was complete chaos, de blauwhelmen liepen zonder uitzondering zware risico’s. 

Belgische VN-militairen in Rwanda, 1994

Volledige terugtrekking van de Belgen, afslanking van de VN-vredesmacht

In New York rijpen de geesten intussen om toch een “romp-vredesmacht” in Rwanda te houden. Ook de VS is daarvoor nu gewonnen na het geanimeerde gesprek dat Albright had gevoerd met de medewerker van de Nationale Veiligheidsraad. Er lijkt zich een consensus te vormen voor een afslanking van 2500 militairen naar 270. België krijgt op 14 april de vraag om in te staan voor logistiek materieel en experts. Het eerste wil de regering bekijken, het tweede is uitgesloten. 

Die regering is op dat moment evenwel al volop bezig met de terugtrekking van alle Belgische blauwhelmen. De evacuatie van de Belgen uit Rwanda loopt op zijn einde en de Belgische blauwhelmen in Rwanda achterlaten terwijl de 800 para’s van de evacuatieoperatie vertrekken naar België, lijkt geen optie. Maar België zoekt naar een rechtvaardiging zodat het niet zou lijken dat het gaat om een zuiver unilaterale beslissing.

Het intense gelobby van België achter de schermen heeft uiteindelijk op 16 april resultaat. Er komt vanuit de VN een perscommuniqué dat de leden van de Veiligheidsraad begrijpen dat België zijn blauwhelmen wil terugtrekken op het moment dat de militairen voor de evacuatieoperatie naar huis gaan. Premier Dehaene vindt dat hiermee de politieke voorwaarden voor een terugtrekking zijn vervuld en geeft de militaire staf de opdracht die opdracht meteen uit te voeren. 

Desastreuze gevolgen

Het definitieve vertrek van de Belgen uit Rwanda heeft desastreuze gevolgen voor het land. Tijdens de evacuatieoperatie was er nog een zekere controlerende militaire aanwezigheid in het land, maar eens de Belgen weg zijn is de weg helemaal vrij voor een van de grootste slachtpartijen sinds de Tweede Wereldoorlog.

Enkele dagen later, op 21 april, beslist de VN-Veiligheidsraad om de VN-vredesmacht in Rwanda af te slanken tot 270, ook al is de genocide naar een hogere versnelling overgeschakeld. De wreedheden in de straten van Rwanda waren intussen wel doorgedrongen tot de westerse media, maar de internationale politiek blijft lange tijd zijn ogen daarvoor sluiten.

Als de Nigeriaanse voorzitter van de VN-Veiligheidsraad op 15 april met de pers praat, heeft hij het vooral over de noodzaak van een staakt-het-vuren. Over de afslachtingen in Rwanda wordt met geen woord gerept. De beslissing wordt overigens ook nooit uitgevoerd. België en Bangladesh hadden hun troepen eenzijdig teruggetrokken, maar 540 militairen uit Ghana en Tunesië bleven gewoon in Rwanda.

Had België anders kunnen reageren?

In de Belgische media is er in die aprildagen vooral aandacht voor de moord op de 10 para’s. Dat nieuws duwt de wreedheden in Rwanda naar de achtergrond. De regering stond daarom onder grote publieke druk om de Belgische blauwhelmen meteen terug te trekken. De politieke top in het land vreesde voor nieuwe militaire slachtoffers waardoor de druk nog zou stijgen.

Die angst was niet denkbeeldig. De Hutu-milities, maar ook het Rwandese leger, zagen de Belgen als de schuldigen voor het neerhalen van het vliegtuig van de Rwandese president, het begin van de genocide. Aan een checkpoint verschijnen met een Belgisch paspoort, had veel kans slecht af te lopen. Ook Paul Kagame, toen de leider van het RPF, had de Belgen overigens bedreigd als ze zich in de oorlog in Rwanda zouden mengen.

Toch blijft het vreemd dat België vooral een zeer defensieve houding heeft aangenomen. Het grootste contingent van de VN-vredesmacht bestond uit Belgische militairen (400) en die waren ook veruit het best bewapend. Daarmee was België de “lead nation” voor het Rwanda-dossier, en naar een land dat zo’n belangrijke rol speelt in een moeilijk dossier wordt doorgaans geluisterd. België pleitte in het begin wel voor een versterking van het mandaat maar dat gebeurde weinig doortastend. De piste werd snel verlaten toen er weinig animo voor bleek te bestaan. Vooral het feit dat niemand troepen daarvoor wilde leveren, werd als argument gebruikt. 

Nochtans waren de nodige militairen wel in de regio na enkele dagen. Brussel had al op 8 april 1994 800 goed getrainde para’s naar Nairobi gestuurd om de evacuatieoperatie tot een goed einde te brengen. Een deel daarvan was vanaf 10 april op het terrein in Rwanda.

Frankrijk had ook soldaten gestuurd naar Kigali. Die waren zelfs een dag vroeger dan de Belgen op de luchthaven van de Rwandese hoofdstad geland. De Amerikanen hadden enkele honderden goed getrainde militairen stand-by staan in Bujumbura. Al die westerse militairen waren daar vooral om de veiligheid van hun onderdanen te verzekeren in Rwanda, maar alles bij elkaar genomen was een omvangrijke gevechtscapaciteit ontplooid, zeker naar Afrikaanse normen.

De moordende, dolgedraaide milities en individuen die de straten terroriseerden met hun machetes zouden vlug het hazenpad kiezen als ze geconfronteerd zouden worden met zwaarbewapende en goed getrainde soldaten

Er was wel een Rwandees regeringsleger (FAR) en de rebellen van het FPR onder leiding van Kagame waren redelijk goed bewapend, maar beide groepen waren hoegenaamd geen partij voor de westerse militairen die op dat moment in de regio aanwezig waren. Zo beschikte de FAR niet over gevechtsvliegtuigen en geavanceerde luchtafweer. De hoofdmacht van het FPR, dat met een opmars was begonnen naar Kigali, zat op dat moment ook nog redelijk ver van de Rwandese hoofdstad, zodat het militair gezien niet zo’n hinderpaal vormde.

De FPR-soldaten (officieel 600, maar in de praktijk lag hun aantal wat hoger) die in het kader van het vredesakkoord van Arusha naar Kigali waren gebracht, waren met te weinig om een echte bedreiging te vormen. En de moordende, dolgedraaide milities en individuen die de straten terroriseerden met hun machetes zouden vlug het hazenpad kiezen als ze geconfronteerd zouden worden met zwaar bewapende en goed getrainde soldaten.

Ultimatum

Het zou zeker geen eenvoudige operatie zijn geweest, waaraan ook risico’s waren verbonden. Zo had Paul Kagame van het FPR minister Claes nog laten weten dat de Belgische evacuatieoperatie binnen de 48 uur afgelopen moest zijn, omdat er anders op de Belgische militairen en vliegtuigen zou geschoten worden (Het ultimatum werd later uitgebreid naar 72 uur).

Dat gevaar was reëel, want voorposten van het FPR bevonden zich in de heuvels rond de luchthaven. Maar dat soort risico’s zijn inherent aan een militaire operatie en, militair gezien, vrij eenvoudig te controleren. Stellingen van tegenstanders die bedreigend zijn, kunnen uitgeschakeld worden, bijvoorbeeld vanuit de lucht of met gerichte zware artillerie. Dat soort dreigementen kan dan ook moeilijk dienen als argument om niet op te treden. 

Professor Reyntjens, eminent kenner van Rwanda, had in een interview op 11 april in Le Soir al gewaarschuwd voor de gevolgen van een terugtrekking van de Belgen: “Als we onze troepen terugtrekken, is dat de rechte weg naar een catastrofe.” Tegenover de Rwanda-commissie verklaarde Reyntjens dat het de taak van België was om het initiatief te nemen alle troepen bijeen te brengen, gelet op het aantal manschappen dat België ter plaatse had. Toen hem daarover een reactie werd gevraagd in de Rwanda-commissie verschuilde Willy Claes zich achter een Franse en Amerikaanse weigering om soldaten in te zetten: “Parijs zei resoluut ‘neen’, en de Amerikanen dachten er zelfs niet aan.”

Ik heb niet gezegd dat het een correcte beslissing was. Ik constateer gewoon dat niemand in de politiek of in de media die beslissing op dat moment tegensprak

Leo Delcroix, minister van Defensie

Toenmalig premier Dehaene bleef tijdens zijn getuigenis in de Rwanda-commissie achter de beslissing staan om de Belgen terug te trekken, zelfs indien hij geweten had dat er een genocide aan de gang was. De VN kon volgens Dehaene geen partij kiezen in dergelijke conflicten, en dat leidde tot een situatie van onmacht die ook in Joegoslavië merkbaar was.

Zowel in het parlement als in de pers werden nauwelijks kritische bedenkingen gemaakt bij de terugtrekking. Dat herinnert zich ook minister van Defensie Delcroix als hij op 18 juni 1997 in de Rwanda-commissie getuigt: “Ik heb niet gezegd dat het een correcte beslissing was. Ik constateer gewoon dat niemand in de politiek of in de media die beslissing op dat moment tegensprak.”

Nationaal trauma

Hoeveel argumenten men ook kan opsommen om de Belgische terugtrekking te verantwoorden, het blijft een feit dat de Belgische verantwoordelijkheid bijzonder groot is. België is natuurlijk niet schuldig aan het plegen van genocide, maar het had belangrijke instrumenten in handen om die te voorkomen, en heeft ervoor gekozen om die instrumenten niet gebruiken. Hoezeer die beslissing misschien te begrijpen was op het moment van de gebeurtenissen, hoe moeilijker die te begrijpen is nu we weten wat er in Rwanda is gebeurd.

België heeft nooit een collectief bewustzijn ontwikkeld over ons aandeel in een van de grootste misdaden tegen de menselijkheid sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog

Zowel de politiek als de media moeten de hand in eigen boezem durven steken en erkennen dat iedereen na 6 april te veel gefocust was op de moord op de tien Belgische para’s, hoe vreselijk dat ook was, en te weinig op de wreedheden in Rwanda. Ook in de jaren daarna heeft België nooit een collectief bewustzijn ontwikkeld over ons aandeel in een van de grootste misdaden tegen de menselijkheid sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. 

Het feit dat Rwanda momenteel geregeerd wordt door een dictator, Paul Kagame, met veel bloed aan zijn handen, ook tijdens de periode van de genocide, maakt het er niet eenvoudiger op. Uitingen van schuldbesef kunnen al vlug uitgelegd worden als steun voor een wrede dictatuur. Toch moet het mogelijk zijn om deze historische verantwoordelijkheid die België draagt, te scheiden van het huidige bewind in Rwanda.

De Rwanda-commissie van 1997 was een eerste stap, maar nog te veel vragen blijven onopgelost, vragen waarmee ook de weduwen en nabestaanden van de vermoorde para’s blijven zitten. Alleen al voor hen, en zeker voor de 1,1 miljoen slachtoffers van de genocide in Rwanda, is België verplicht dieper in te gaan op wat in feite een nationaal trauma zou moeten zijn.