Espérance Mukashema: "Mijn man is vermoord door Hutu-milities, mijn zoon door de Tutsi-rebellen"

Op 6 april 1994 werd in de Rwandese hoofdstad Kigali het vliegtuig neergeschoten met de presidenten van Rwanda en Burundi. Het was het begin van de genocide op de Tutsi's en de massamoorden die zeker 1 miljoen mensenlevens eisten. VRT NWS kijkt terug, 25 jaar later, en laat mensen aan het woord die alles van dichtbij hebben meegemaakt. Vandaag Espérance Mukashema.

Espérance Mukashema woont nu in Nederland. In 1994 leefde ze met haar man en vier kinderen in Kigali. Alleen zijzelf en drie kinderen hebben de tragedie overleefd. Dit is haar verhaal.

"Neen, niet via mail, alleen WhatsApp, dat is veiliger. Mijn mailadres is de afgelopen jaren verschillende keren gehackt en dan verschenen er bedreigingen en verdachtmakingen. En met de trein kom ik liever niet. Kunnen we iets regelen met iemand betrouwbaar die me komt ophalen?"

De angst zit er nog altijd diep in, bijna een kwarteeuw nadat Espérance zowat haar volledige familie heeft zien uitmoorden door de Hutu-milities. Zij is een Tutsi, haar man was dat ook en haar kinderen dus ook, slachtoffers van de "genocide op de Tutsi's" van april tot juli 1994 in Rwanda.

Vandaag leeft ze in Nederland, in een klein liefst onbekend dorp. Want de bedreigingen zijn nooit helemaal stilgevallen. Die komen nu niet meer van de Hutu-milities, maar… van militanten en agenten van het Rwandees Patriottisch Front, de Tutsi-rebellenbeweging die in dat voorjaar van 1994 de oorlog opnieuw ingezet had tegen de moordende Hutu-milities en het regeringsleger van toen en, volgens de officiële versie, de genocide op de Tutsi’s zou hebben stopgezet.

AP1994

Maar tegelijk hebben ook zij massamoorden begaan, mogelijk evenveel als de Hutu-moordenaars, althans volgens het werk van de Canadese onderzoeksjournaliste Judi Rever die zich onder meer baseert op onderzoeksrapporten van het Rwanda Tribunaal van de Verenigde Naties.

Espérance is het slachtoffer geweest van beide moordbendes: eerst hadden de zogenoemde Interahamwe het op haar en haar hele familie gemunt, omdat zij bekendstonden als Tutsi's en "dus" aanhangers van het Rwandees Patriottisch Front, daarna werd haar zoontje voor haar ogen vermoord samen met onder meer vier Rwandese bisschoppen door het Rwandees Patriottisch Front en kon zij ternauwernood ontsnappen.

"Mijn man is vermoord door de Interahamwe-milities helemaal in het begin van de genocide op de Tutsi's. Samen met zowat de hele familie. Ikzelf ben toen kunnen ontsnappen, met onze drie kinderen. De broeders van Gakurazo, in de regio Gitarama, in het centrum van het land, boden ons onderdak, samen met nog heel veel andere vluchtelingen."

"Zij waren daarheen gekomen, vlak bij de stad Kabgayi, omdat de Katholieke Kerk daar haar hoofdkwartier had en zij zich daardoor beschermd voelden. Zo is het ook gegaan. De Interahamwe en het oude leger trokken voorbij en we werden met rust gelaten, samen met de vele bisschoppen, priesters, nonnen en broeders die er een onderkomen hadden gezocht."

Maar wat de Hutu-milities niet durfden, deed het Rwandees Patriottisch Front enkele weken later wel, vertelt Espérance 25 jaar later.

1994 AP

"Op het ogenblik dat het Patriottisch Front Kabgayi innam, woonden daar drie bisschoppen: die van Kabgayi zelf, de aartsbisschop van Kigali, de hoofdstad, en de bisschop van Byumba, in het noorden. Er verbleven toen ook veel leden van de hogere clerus en leidinggevende leken van de Katholieke Kerk. Na de aanval moesten alle andere vluchtelingen van het RPF naar Gakurazo, in dezelfde regio. Ikzelf verbleef daar toen al met mijn drie kinderen: de oudste zoon die toen acht was, onze dochter van zes en de jongste zoon van vier."

AP1994

"Op 5 juni, ik zal die dag nooit meer vergeten, werden de kerkleiders plots ook overgebracht naar Gakurazo, rond de middag, onder militaire begeleiding. Daar aangekomen gingen ze bidden in de kapel terwijl hun kamers klaargemaakt werden. Die avond werden zij naar het cafetaria gesommeerd voor wat de RPF-officieren een "vergadering" noemden. Zoals anderen was ik daar ook."

"Op dat ogenblik bracht ik mijn slapende jongste zoon samen met onze dochter naar zijn bedje. Onze oudste zoon was bij de bisschoppen gebleven die voor hem zorgden. Op de terugweg naar de cafetaria werden we tegengehouden door RPF-militairen en toen hoorden we hevig schieten. Ik hoorde mijn zoon om hulp roepen, om zijn moeder roepen."

"Toen ik de cafetaria weer binnenging, zag ik de dode bischoppen en hun medewerkers op de grond liggen en mijn zoon daartussen. Ik smeekte om hem te sparen maar voor mijn ogen schoot een soldaat hem in de rug, mijn kind van acht. Ik zag hoe de kogels hem verscheurden. Eén priester heeft de hele moordpartij overleefd."

Die priester leeft nu onder permanente bewaking ergens in Europa. Ook hij zwijgt niet meer over de tweede golf van moorden die Rwanda in het voorjaar van 1994 overspoeld heeft: na die door de Hutu-milities, de massamoorden door het Rwandees Patriottisch Front van president Paul Kagame dat nu aan de macht is.

Meest gelezen