Geradicaliseerden in de gevangenis: met hoeveel zijn ze? En wat als ze vrijkomen? Negen vragen én antwoorden

VRT NWS kon voor het eerst een reportage maken in de deradex-vleugel in de gevangenis van Hasselt, waar momenteel 7 geradicaliseerde veroordeelden zitten. Maar zij zijn natuurlijk niet de enigen. In de Belgische gevangenissen zitten welgeteld 227 mensen met het etiket T. Dat etiket staat voor terrorisme of geradicaliseerd. Hoe krijgen gevangenen dat etiket en hoe geraken ze er ook weer vanaf? Een overzicht van de T-etiketten en de beslissingsmechanismen.

Mensen in de gevangenis die het etiket ‘geradicaliseerd’ krijgen, kunnen zowel  veroordeelden (mensen die al een straf kregen), verdachten (mensen die hun proces nog afwachten en in voorlopige hechtenis zitten) als geïnterneerden zijn (mensen die strafbare feiten pleegden maar ontoerekeningsvatbaar verklaard werden). 

Het gevangeniswezen werkt met vier categorieën:

  • Categorie A: terroristen, mensen die vastzitten voor feiten van terrorisme.
  • Categorie B: gelijkgestelden, mensen die in relatie gebracht worden met terrorismemisdrijven (bv. mensen die wapens leverden, terrorisme financierden….)
  • Categorie C: terrorist fighters en haatpropagandisten, mensen die in de gemeenschappelijke gegevensbank zitten van het OCAD (Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse).
  • Categorie D: mensen die in de gevangenis zitten voor andere feiten (bv. drugs of diefstallen) van wie men vermoedt dat ze radicaliseren of anderen trachten te radicaliseren. 

Onderstaande cijfers zijn een momentopname, telkens gemeten op 1 oktober van dat jaar (behalve 2019). Het is het totaal aantal gedetineerden met het etiket T.  Met andere woorden, alle mensen uit de vier categorieën samen. 

Globaal genomen zitten in de Belgische gevangenissen zo’n 10.500 mensen. Dat betekent dat de groep van geradicaliseerden ongeveer 1,5 % van de totale gevangenisbevolking uitmaakt.

In totaal zijn er in België sinds januari 2015 tot op heden 370 personen definitief veroordeeld voor terroristische misdrijven. Maar een aantal onder hen zijn veroordeeld bij verstek. Dat betekent dat ze niet aanwezig waren op hun proces (bv. omdat ze op dat moment in Syrië of Irak zaten) en dus ook niet in hechtenis konden worden genomen.

Het is ook zo dat een aantal veroordeelden inmiddels hun straf hebben uitgezeten en om die reden dus niet meer in de gevangenis zitten.  

Het Belgisch gevangeniswezen telt in totaal 36 instellingen. De geradicaliseerde gedetineerden zitten verspreid over verschillende gevangenissen. Het gevangeniswezen heeft in haar aanpak de keuze uit drie mogelijkheden. 

  1. Deradex: In elk landsgedeelte is er een zogenaamde deradexafdeling. Deradex staat voor deradicalisering. In het Vlaamse landsgedeelte is die afdeling in de gevangenis van Hasselt, in het Waalse landsgedeelte is dat in de gevangenis van  Ittre. De deradexafdelingen kunnen beschouwd worden als een gevangenis in de gevangenis. De mensen die hier zitten worden vooral geïsoleerd van de anderen omdat men denkt dat ze op basis van hun leiderschap of ronselend gedrag anderen zouden kunnen radicaliseren.  De norm om daar geplaatst te worden is dus vooral het ingeschatte besmettingsgevaar. 
  2. Satellietgevangenissen: In Vlaanderen zijn er twee zogenaamde satellietgevangenissen (Brugge en Gent), in Wallonië ook twee (Lantin en Andenne) en in Brussel één (Sint Gillis). In deze vijf gevangenissen worden de geradicaliseerde gedetineerden bijzonder opgevolgd (versta: bijzonder in het oog gehouden).
    Zowel in de deradexafdelingen als in de satellietgevangenissen kreeg het personeel een opleiding om meer inzicht te krijgen in de problematiek van radicalisering.
  3. Gewone gevangenissen: Als geradicaliseerden niet in een van bovenstaande afdelingen geplaatst worden, zitten ze in een gewone gevangenis tussen alle andere gedetineerden. Het gevangeniswezen streeft ernaar een zo normaal mogelijk gevangenisregime aan te bieden aan de geradicaliseerde gedetineerden. Vandaar dat de overgrote meerderheid in gewone gevangenissen zit. De idee hierachter is dat men hen zo weinig mogelijk prikkels wil geven die een eventueel radicaliseringsproces nog versterken.  

(lees verder onder grafiek)

In principe krijgt elke gedetineerde (ook zij die op de deradexafdeling zitten) een normaal detentieregime. Dat betekent dat ze net als alle andere gedetineerden kunnen gaan wandelen, bezoek ontvangen (ook ongestoord), werken, ... Het uitgangspunt is dus dat ze als gedetineerde dezelfde rechten hebben als andere gedetineerden.

In de praktijk is het zo dat geradicaliseerde gedetineerden vaak het voorwerp zijn van een Bijzondere Veiligheidsmaatregel (BVM) of, de overtreffende trap hiervan, Individueel Bijzondere Veiligheidsmaatregel (IBVM). Deze maatregelen komen erop neer dat deze gedetineerden onderworpen worden aan een bijzonder regime en uitgesloten worden van een aantal zaken (bv. wandeling in groep, gescheiden bezoek, …) 

De plaatsing van deze groep gedetineerden gebeurt op een geobjectiveerde basis. Er wordt een risico-inschatting gemaakt aan de hand van een wetenschappelijke methode. Die methode is VERA-2R, noem het een uitgebreide psychologische test, waarbij men o.a. peilt naar overtuigingen, criminele voorgeschiedenis en actuele motivatie. Er wordt gewerkt op basis van interviews maar ook op basis van het gerechtelijk dossier. In totaal 31 risicofactoren krijgen een score ‘hoog’, ‘gemiddeld’ of ‘laag’.   

VERA-2R is een instrument dat internationaal erkend wordt en gebruikt wordt in o.a. Nederland (waar het instrument werd ontwikkeld), de Verenigde Staten van Amerika, Canada en Australië.

Daarnaast zijn er natuurlijk ook nog andere criteria die mee gewogen worden: geslacht, leeftijd, strafduur, aard van de gepleegde feiten, …

In theorie gaat het over alle vormen van extremisme (religieus geïnspireerd, extreemrechts, extreemlinks….) maar in de praktijk gaat het enkel over de eerste groep.

Een beslissing tot plaatsing is niet definitief. Gedetineerden kunnen doorstromen van het ene stelsel naar het andere. Bewakingspersoneel (maar ook directie en lokale psychosociale diensten) observeren aandachtig en voeden het systeem voortdurend met informatie. Zij hebben onder andere aandacht voor tekenen die wijzen op een radicaliseringsproces zoals bijvoorbeeld wervend gedrag, materiaal dat gevonden wordt op de cel, tekeningen en afbeeldingen in de cel, veranderingen in uiterlijk, gedrag, …

Vanaf 2015 werken binnen het gevangeniswezen twee diensten die zich uitsluitend bezighouden met deze problematiek. Er is vooreerst de Cel Extremisme (CelEx). CelEx verzamelt alle informatie over radicalisering in de gevangenis. Zij zijn het aanspreekpunt voor alle andere interne (denk aan de lokale gevangenisdirecties) en externe diensten (denk aan OCAD, politiediensten en Staatsveiligheid). 

Er wordt gewerkt op basis van een interne instructie genaamd BIEX, Bijzondere Instructies Extremisme). 

Daarnaast werd ook een Centrale Psychosociale Dienst Extremisme (CPSDEx) opgericht.  Hier werken gespecialiseerde psychologen. Hun werk is erop gericht mensen te screenen in functie van hun plaatsing en in functie van hun (voorwaardelijke) invrijheidstelling of andere strafuitvoeringsmodaliteiten zoals bv. penitentiair verlof. 

Zowel CelEx als CPSDEx adviseren over de plaatsing. De formele beslissing wordt genomen door de regionale (Vlaamse of Waalse) directie en finaal heeft de directeur generaal van het gevangeniswezen het laatste woord. De beslissing wordt beschouwd als een interne kwestie.  

Dit is een erg moeilijke vraag omdat er een verschil is tussen theorie en praktijk en omdat er gewerkt wordt vanuit verschillende doelstellingen. 

Op de gevangenisvloer zijn het in eerste instantie de bewakers die met de gedetineerden in contact komen. Zij zijn in principe verantwoordelijk voor de beveiliging, het openen en sluiten van de deuren,  maar het is evident dat de dagelijkse omgang met gedetineerden ook erg bepalend is.  

Daarnaast is er per gevangenis een PSD, een psychosociale dienst.  

De specifieke hulp en dienstverlening aan gedetineerden is een gemeenschapsmaterie. In Vlaanderen en Brussel is de Vlaamse Gemeenschap hiervoor dus verantwoordelijk.  

In alle Vlaamse en Brusselse gevangenissen is er in principe een zelfde aanbod van de Vlaamse gemeenschap.  Dat aanbod houdt onder andere in: onderwijs, werk en beroepsopleiding (VDAB), individuele begeleiding (Centra Geestelijke Gezondheidszorg en Justitieel Welzijnswerk).

Daarnaast zijn er momenteel twee deradicaliseringsconsulenten aan het werk (en twee in opleiding). Deze twee mensen houden zich exclusief bezig met individuele begeleiding van geradicaliseerden.  De voorbije twee jaar startten zij in totaal 43 trajecten met geradicaliseerde gedetineerden. Op dit ogenblik begeleiden de consulenten 19 geradicaliseerde gedetineerden binnen de gevangenis en vier die een gevangenisstraf achter de rug hebben. 

Het werk van de deradicaliseringsconsulenten werd recent wetenschappelijk onderzocht. Dat rapport vindt u hier.

En vanzelfsprekend kunnen gedetineerden in de gevangenis ook hun geloof beleven. In deze context vermelden we de aanwezigheid van imams en moslimconsulenten. Ook zij hebben een belangrijke rol in het deradicaliseringswerk.    

Maar wellicht het belangrijkste werk moet gebeuren als de gedetineerden vrij komen.

In principe zijn er twee mogelijkheden om vrij te komen. Ofwel omdat de straf helemaal uitgezeten is ofwel omdat de gedetineerde voorwaardelijk (voor zijn strafeinde) vrijgelaten wordt. Dat laatste wordt beslist door de strafuitvoeringsrechtbank.

Het gevangeniswezen heeft een apart informaticasysteem (Sidis). Dat systeem zorgt ervoor dat telkens een geradicaliseerde gedetineerde de gevangenis verlaat via automatische pushberichten een aantal instanties (Staatsveiligheid, federale politie, federaal parket….) hiervan op de hoogte gebracht worden. 

Buiten de gevangenis zijn er twee organen die de gedetineerde opvolgen: de Lokale Integrale Veiligheidscellen (LIVC) en de Local Task Forces (LTF). In de LIVC’s zitten de lokale politie, de burgemeester en de preventie- en sociale diensten. De LTF’s zijn een overlegplatform waar de politie- en inlichtingendiensten informatie uitwisselen. 

Sommige steden zoals Vilvoorde, Antwerpen en Mechelen hebben ook een eigen (lokale) deradicaliseringsambtenaar. 

Ook de deradicaliseringsconsulent kan contact blijven houden met de ex-gedetineerde. En als mensen vrijkomen voor hun strafeinde (in de vorm van bijvoorbeeld een voorwaardelijke vrijlating) worden ze in principe ook opgevolgd door de justitieassistenten.  

Informatiedoorstroming is net als de multi agency approach een sleutelbegrip in heel de aanpak. Het gevangeniswezen heeft de samenwerking met een aantal partners structureel verankerd. Zij zijn een steundienst van OCAD. 

Dat betekent ook dat de informatiestroom in twee richtingen gaat. Het gevangeniswezen geeft niet alleen maar krijgt ook (geclassificeerde) informatie. 

Los daarvan is er ook nog ad hoc samenwerking met de federale politie (DJSOC-Terro), Vreemdelingenzaken (DVZ), federaal parket… De samenwerking met de Veiligheid van de Staat werd afzonderlijk geregeld in een vertrouwelijk samenwerkingsprotocol.