Onderwijsexpert Jan Van Damme formuleert zijn beleidsadviezen: "Leg de lat hoger dan de eindtermen" 

Het dalend niveau van ons onderwijs lijkt aan de vooravond van de verkiezingen niet weg te slaan uit het politieke debat. Onderwijsexpert Jan Van Damme maakt van de gelegenheid gebruik om zijn beleidsadviezen te formuleren voor de volgende minister van onderwijs. Hij pleit onder meer voor meer terugkerende, gestandaardiseerde toetsen.  “Ik pleit voor het gebruik van eenzelfde lat, die ook redelijk hoog ligt”, verklaart Van Damme. 

Jan Van Damme is professor emeritus aan de KU Leuven en vooraanstaand onderzoeker naar de effectiviteit van onderwijs. Hij benadrukt dat zijn adviezen minimummaatregelen zijn die de kwaliteit moeten bevorderen. Het systeem moet zo worden ingericht dat onze jongeren – meer dan nu het geval is – kunnen profiteren van de grote inzet van de overgrote meerderheid van onze leraren. 

Grotere standaardisering

Van Damme pleit er in de eerste plaats voor om de mogelijke effecten van grote veranderingen in het onderwijs die het gevolg zijn van beleidskeuzes, vooraf te onderzoeken. Daarom moeten er meer gestandaardiseerde toetsen over de leerplannen komen op het einde van elke graad, ook in het basisonderwijs. Op die manier vermijden we dat het erg lang duurt voor de gevolgen van het gevoerde beleid duidelijk worden.  

Concreet betekent deze meer gestandaardiseerde benadering dat de koepels verplicht moeten worden om de toetsen die ze ontwikkelen over meerdere jaren te hanteren. Op die manier kunnen scholen vaststellen of hun niveau vooruit- of achteruitgaat. Vandaag richten ze vaak ieder jaar nieuwe toetsen in, waardoor een evaluatie op langere termijn niet mogelijk is. “Dat laat niet toe om een serieus beleid te voeren”, aldus Van Damme. 

Dit betekent voor de onderwijsspecialist evenwel niet de invoering van totaal gelijke toetsen over alle netten. “De toetsen mogen uiteraard individueel verschillend blijven. Het gaat erom dat ze in het onderzoek op één gelijke schaal kunnen worden geplaatst."

Voorts moet de overheid leervolgsystemen voor een aantal echt belangrijke leerdomeinen ontwikkelen. Zo kan aan scholen feedback worden gegeven over de mogelijke leerwinst van hun leerlingen.

Ook de handboeken moeten worden betrokken in deze benadering. Uitgeverijen zouden in hun handleiding verplicht duidelijk moeten maken of en op welke punten de handboeken rekening houden met gekende informatie uit wetenschappelijk onderzoek.

(lees verder onder de foto).

Hogere doelstellingen en meer middelen voor onderzoek

Ten tweede ijvert de onderzoeker ervoor om de lat in de leerplannen verplicht hoger te leggen. Deze mogen zich dus niet beperken tot wat opgenomen is in de eindtermen, want dit zijn slechts minimumdoelstellingen.

Om dit te kunnen verwezenlijken moet bijscholing, voor zowel leraren, directies, begeleiders als inspecteurs, verder worden gestimuleerd. De nadruk moet hierbij liggen op de zogenoemde vakdidactiek (de leer over hoe een specifiek vak best aangeleerd wordt). Op termijn zou dit dan kunnen leiden tot gespecialiseerde leerkrachten die zich al in het basisonderwijs toeleggen op een vakgebied, zoals bijvoorbeeld leren lezen of Frans.

Van Damme bepleit bovendien ook een verhoging van overheidsmiddelen voor onderwijsonderzoek

De overheid moet ervoor zorgen dat leerkrachten in het basisonderwijs die hierna een master behalen, terugvloeien naar het basisonderwijs

Opwaardering van de leraar

Ook de positie van de leerkracht komt uitgebreid aan bod. "De overheid moet ervoor zorgen dat leerkrachten in het basisonderwijs die hierna een master behalen, terugvloeien naar het basisonderwijs." Vandaag gebeurt dit niet. Dit kan door de extra kosten van een dergelijke aanstelling op te nemen in de Vlaamse begroting. Op die manier moeten de scholen hiervoor niet opdraaien en worden de leerkrachten toch betaald als masters. “Dan wordt het weer aantrekkelijk om hier te werken”, stelt de Leuvense onderzoeker.

Daarnaast ijvert hij ook voor de inrichting van een academische bachelor basisonderwijs in de Vlaamse universiteiten. Dit laat toe om weer een sterk publiek aan te trekken. Aansluitend op deze opleiding kunnen deze studenten dan een eigenlijke lerarenopleiding volgen op de hogeschool of doorstromen naar een masteropleiding.

Verder moet de proefperiode voor beginnende leerkrachten aanzienlijk worden opgetrokken. Op die manier geef je hen de kans om zich te ontwikkelen tot volwaardige leerkrachten.

Een grotere differentiatie leidt op termijn tot een betere oriëntering voor iedere leerling en moet zo de niveaudaling van sterk presterende leerlingen tegengaan. 

Het einde van de waterval

Ook het beruchte watervalsysteem moet worden aangepakt. De negatieve gevolgen moeten worden verminderd, zegt Van Damme, wat neerkomt op een grondige hervorming van het algemeen secundair onderwijs. Dat moet op termijn echt “algemeen” worden, dus niet langer bijna exclusief een cognitieve vorming vooropstellen. Er moet dus ook ruimte komen voor een volwaardige kunstzinnige, technische en praktische vorming.

Zo kan er een systeem komen dat elke leerling die dat wenst in staat stelt om tot de leeftijd van 16 een (aangepaste) vorm van ASO-onderwijs te volgen. Leerlingen die al sneller een duidelijke keuze willen maken, moeten dit ook kunnen. Een grotere differentiatie leidt op termijn tot een betere oriëntering voor iedere leerling en moet zo de niveaudaling van sterk presterende leerlingen tegengaan.