100 jaar geleden : Hoe België even dreigde geen vrede te sluiten

Voor velen in België werd het vredesverdrag met Duitsland in 1919 een teleurstelling. Het land had erop gerekend dat de sympathie voor Poor Little Belgium tijdens de oorlog zich zou vertalen in een bevoorrechte positie. Even dreigden de Belgen ermee de vredesconferentie te verlaten.   

Op de Vredesconferentie van Parijs, die een einde moest maken aan de Eerste Wereldoorlog, hadden de Belgen maar één eis die echt telde: ze wilden geld, veel geld, om hun rampzalige situatie te boven te komen. “Het ging om het leven”, zo schreef minister van Buitenlandse Zaken Paul Hymans, de delegatieleider op de conferentie. 

België was er inderdaad ellendig aan toe. Onnoemelijk veel huizen, gebouwen, wegen, spoorwegen, bruggen, akkers en diverse voorzieningen waren vernietigd door het oorlogsgeweld of door het optreden van de Duitse bezetter. Daarnaast hadden de Duitsers tijdens de lange bezetting heel wat materiaal opgeëist en hadden ze bij hun vertrek nog flink wat meegenomen, van treinwagons tot vee.

Nu het grondgebied bevrijd was, was de situatie nauwelijks verbeterd. De economie lag stil: de treinen reden niet, fabrieken waren vernietigd of van hun machines beroofd. De werkloosheid was enorm. Intussen moest het Belgisch leger op oorlogsvoet worden gehouden om een stuk van Duitsland te bezetten. Dat alleen was een geweldige kost. Hoe kon de overheid ook maar het begin van de wederopbouw financieren? 

De fabriek van velgen en assen in Ougrée-Marihaye  in 1919: alle machines werden door de Duitse troepen weggehaald(ARA)

De Belgische regering kon voorlopig niets anders doen dan geld lenen bij de bondgenoten. Ook werd er een grote lening voor nationaal herstel bij de eigen bevolking geplaatst, die trouwens een succes werd. Maar ze rekende vooral op de herstelbetalingen die Duitsland zou moeten doen. 

Bevoorrechte positie

De Belgische afgevaardigden op de vredesconferentie drongen erop aan dat hun land een bevoorrechte plaats zou krijgen bij de Duitse herstelbetalingen. Ze herinnerden eraan dat de Geallieerden al in 1916 beloofd hadden dat België vergoed zou worden voor de schade die het had opgelopen en dat ze hulp zouden bieden voor het financieel herstel van het land. En de Amerikaanse president Wilson had in zijn befaamde Veertien Punten gesteld dat België zou moeten worden “ontruimd en heropgebouwd”.  Dat engagement hield ook in dat er voldoende geld voor de heropbouw is, zo vonden de Belgische afgevaardigden.  

De Belgische eisen waren aanzienlijk. Duitsland moest meteen het (voor die tijd) enorme bedrag van 2,5 miljard frank als voorschot betalen. De volledige schade moest binnen  de tien jaar worden vergoed. Daarbij kwamen ook de uitgaven die België had besteed aan de oorlogsvoering. De Geallieerden hadden afgesproken dat oorlogskosten niet zouden worden aangerekend, maar de Belgen merkten op dat zij onder de bezetting massaal hadden moeten betalen aan de Duitsers, terwijl de Belgische regering al die tijd geen belastingen kon ontvangen. 

De Britse premier Lloyd George in Parijs. Hij vond de Belgische eisen absurd en merkte op dat België in de oorlog relatief weinig manschappen had verloren. (Agence Rol, BnF Gallica)

Verder wilde België nog af van een enorme hoeveelheid Duits geld dat het bezat. In de kluizen van de Nationale Bank lag zo’n 7 miljard mark. De Belgen waren onder de bezetting verplicht geweest betalingen met Duits geld te aanvaarden. Niemand wilde dat geld en België eiste dat Duitsland het in zou wisselen aan de koers die gold onder de bezetting, want intussen was de Duitse munt al veel minder waard geworden ... 

Al gauw bleek duidelijk dat veel eisen onhaalbaar waren. Ook andere landen stelden forse schadeclaims. Waarom moest België een bevoorrechte positie krijgen? 

Overleg met de Grote Drie

Toen resultaten uitbleven, begon men in België zenuwachtig te worden. In de Kamer werden vragen gesteld naar de verwachte vergoedingen. Die vormden volgens veel politici en journalisten een kwestie van leven of dood voor het land.

De Belgische delegatie in Parijs wilde de zaak op het hoogste niveau behandeld zien en vroeg een gesprek met de leiders van de drie grote mogendheden die de baas speelden over de conferentie: de Franse premier Clemenceau, de Britse premier Lloyd George en de Amerikaanse president Wilson (de Italiaanse premier was tijdelijk van de conferentie weggelopen).  De Belgen bereidden die confrontatie goed voor. Zo kwamen de ministers Delacroix en Franck even over naar Parijs om de eisen precies te formuleren.

Op 29 april was het zover. De Belgische ministers Hymans en Vandervelde, plus staatsminister Van den Heuvel, werden toegelaten tot de Grote Drie, zelf omringd door een schare adviseurs. 

De Belgische onderhandelaars in Parijs. V.l.n.r. :  Paul Hymans (liberaal), Emile Vandervelde (socialist) en Jules Van den Heuvel (katholiek)

Het overleg verliep bijzonder zwaar. De Belgen legden op de meest dramatische wijze uit hoe zwaar de toestand in hun land was. De socialist Vandervelde zei dat er in België 900.000 werklozen waren. Hij insinueerde dat er sociale revolutie zou komen als de werkende klasse haar hoop zou verliezen.

Maar behalve de 2,5 miljard voorschot kregen de Belgen geen toezeggingen. Hymans speelde het hard. Hij zei dat dit onvoldoende was en liet verstaan dat België wel eens de vredesconferentie zou kunnen verlaten en dus het vredesverdrag, dat intussen vrijwel rond was, niet zou ondertekenen. 

Het Hôtel de Noailles, de residentie van president Wilson in Parijs, waar de ontmoeting tussen de Grote Drie en de Belgische delegatie plaatsvond. Hymans merkte later op dat dit stadspaleis gebouwd was voor de bekende Belgische bankier Nathan Bischoffsheim.  (Agence Rol, BnF Gallica)

Zowel Wilson, Clemenceau als Lloyd George reageerden onthutst. Over een dikke week zouden de Geallieerden officieel de vredesvoorwaarden overmaken aan Duitsland. De tekst moest tegen dan rond zijn. Zou België roet in het eten strooien? 

Eigenlijk konden ze zich niet permitteren dat België zou wegblijven.  Italië was al (tijdelijk) weggelopen en er waren grote problemen met China en Japan. 

Buiten België had de pers maar weinig belangstelling voor het Belgische optreden. Alle aandacht ging naar de Duitse gedelegeerden, die toen pas naar de vredesconferentie mochten komen. Het waren de eerste Duitsers in Parijs sinds jaren. (Excelsior, BnF Gallica)

Uiteindelijk kwamen de Grote Drie met een tegenaanbod. België zou zijn oorlogsschulden aan de Geallieerden niet moeten terugbetalen. De Geallieerden zouden die schuld verhalen op Duitsland. Dat was niet niks. Maar de Belgen vroegen tevergeefs hoeveel ze in totaal zouden krijgen en tegen wanneer. Dat zou later moeten worden geregeld.

Onder zware druk verklaarde de Belgische delegatie zich akkoord. Hymans telegrafeerde het resultaat meteen naar Brussel. Diezelfde avond vergaderde de ministerraad onder leiding van de koning over de kwestie. Maar die kon daar uiteindelijk niet mee instemmen. 

De Belgische regering (bekend als de "regering van Loppem") die de vredesvoorwaarden moest aanvaarden.  Hymans (met opvallende pochet) staat in het midden, Vandervelde (met pince-nez) links van hem. Helemaal links staat eerste minister Léon Delacroix . (Collectie AMSAB Gent)

Onrust in België

Een crisis dreigde. Op 1 mei begaven drie andere ministers zich voor informatie naar Parijs. Ze kregen van Hymans, Vandervelde en Van den Heuvel te horen dat er niets beters te bekomen was, waarna ze hun begrip toonden.  

De Belgen wilden wel allerlei preciseringen over de regeling, waardoor ze nogmaals overleg pleegden met de financiële experts. De bekende econoom John Keynes, die als expert voor Groot-Brittannië optrad, liet toen weten dat Lloyd George geïrriteerd was over de houding van de Belgen. De Britse premier had opgemerkt dat Australië in de oorlog grotere inspanningen had geleverd dan België. Een belediging, zo vond Hymans.

De tijd dat de Britten hun sympathie voor Poor Little Belgium toonden was voorbij ! 

Intussen begon de publieke opinie zich in België te roeren. Velen vreesden dat ze niet zouden krijgen waar ze recht op hadden. In Antwerpen, Brussel en Gent werden grote betogingen georganiseerd om de Belgische eisen kracht bij te zetten.  In Antwerpen waren er vooral eisen voor "een vrije toegang naar zee" te horen, wat inhield dat ook Nederland toegevingen zou moeten doen over de Scheldemonding. 

Boven: de (piepjonge) krant De Standaard, die op 3 mei de vredesvoorwaarden voor België een "doodvonnis" noemtDe belangen van Antwerpen krijgen veel aandacht.  (KBR, Afdeling Kranten en Hedendaagse Media)

Onder :  de zeer patriottische krant La Nation Belge schrijft diezelfde dag  dat België zal weigeren de vrede te tekenen als zijn eisen worden afgewezen. De krant vergelijkt de "energieke" houding van de Belgische regering met de afwijzing van het beruchte Duitse ultimatum door België op 2 augustus 1914. (KBR, Afdeling Kranten en Hedendaagse Media)

Vrijwel iedereen, links of rechts, Vlamingen en Walen, toonde zich bezorgd. Maar vooral extreem-patriottische organisaties waren actief in het sturen van petities.  De inwoners van de martelaarssteden als Leuven, Dinant en Dendermonde lieten hun stem horen.  Gemeenteraden, diverse organisaties en groepen burgers stuurden protesten. Geallieerde ambassades kregen woedende brieven.

Op 5 mei riep koning Albert in het Koninklijk Paleis een Kroonraad (een vergadering van ministers en ministers van Staat) bijeen om de knoop door te hakken. Hymans, die dreigde op te stappen als het voorstel niet aanvaard werd, kwam speciaal naar Brussel om het te verdedigen. Hij sprak meer dan twee uur, waarna  de Kroonraad unaniem met hem akkoord ging. 

De zaak was rond. Door even te dreigen het vredesverdrag niet te ondertekenen had België toch meer bekomen dan aanvankelijk mogelijk leek. 

Op 6 mei, de dag na de Kroonraad, is Het Handelsblad (boven) al wat gerustgesteld. La Nation Belge (onder) blijft negatief en vermeldt opnieuw de Antwerpse eisen.  (KBR, Afdeling Kranten en Hedendaagse Media)

Wat België kreeg

In het definitieve Verdrag van Versailles verkreeg België dus dat Duitsland  zijn oorlogsschulden aan de Geallieerden zou betalen.

Het verdrag legde ook betalingen in natura op. Duitsland moest aan België 8 miljoen ton steenkool leveren en een grote hoeveelheid vee (50.000 melkkoeien, 40.000 vaarzen, 20.000 schapen enz.). Bovendien moest Duitsland een grote hoeveelheid boeken en manuscripten afstaan ter compensatie van de verliezen van de in 1914 verwoeste universiteitsbibliotheek van Leuven.     

De universiteitsbibliotheek van Leuven voor (links) en na (rechts) de vernietiging in augustus 1914, toen de Duitse troepen de stad in brand staken.  De circa 300.000 boeken die toen verloren gingen, moesten door de Duitsers worden vervangen.

Ten slotte moesten ook enkele schilderijen die in Duitse musea zaten terug naar België. Het ging om zijpanelen van twee wereldberoemde drieluiken De aanbidding van het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck in de Gentse Sint-Baafskathedraal en die van Het Laatste Avondmaal van Dirk Bouts in de Leuvense Sint-Pieterskerk. Het verdrag sprak wel van “teruggeven”, hoewel de schilderijen eerlijk waren gekocht in de loop van de 19de eeuw !  

Het beroemde Lam Gods-veelluik in Gent.  Alle panelen op de zijluiken (behalve die van Adam en Eva) waren in 1818 door de koning van Pruisen gekocht en bevonden zich in een Berlijns museum.  Door het  vredesverdrag werden ze "teruggegeven". Daaronder ook het in 1934 verdwenen paneel van de Rechtvaardige Rechters (linksonder).

Dat waren alle betalingen in natura, die een deel van  de totale herstelbetalingen vormden. Het volledige bedrag voor België werd in 1921 vastgelegd op 10,2 miljard goudmark. Daarvan zou het uiteindelijk maar 2,95 miljard krijgen, dus nog geen derde. 

Toch was het Belgische aandeel in verhouding meer dan wat andere landen kregen. Het Britse Rijk, dat 29 miljard goudmark was toegewezen, kreeg bijvoorbeeld maar 4,1 miljard. Dat kwam vooral door het grote voorschot dat België had bekomen, want Duitsland zou zeer achterblijven met de herstelbetalingen. 

Poor Little Belgium kwam er dus relatief goed van af. België zou zich wel in de eerste jaren na de oorlog samen met Frankrijk zeer hard blijven opstellen tegenover Duitsland. En het uitblijven van Duits geld voor de wederopbouw van het land zou ook voor grote binnenlandse moeilijkheden zorgen. 

Onder : socialistische verkiezingsaffiche uit 1925. Hierin wordt gespot met de voorbije regeringen-Theunis, die rekenden op de betalingen uit Duitsland.  (Collectie AMSAB Gent)