Op reis met Vlaamse meesters: De laatste keer dat het stil was in Genk

Elke week leiden Jos Vandervelden en fotograaf Alexander Dumarey je naar een plek in Vlaanderen of Brussel waar onze grootste schilders hun schildersezel opstelden.  Ooit vonden schilders het de volmaakte plekken om verzinnelijkt te worden op het canvas. Vaak zijn ze het nu nog. Soms zijn ze het niet meer. Het schilderij van toen en het beeld van nu.

Vandaag: "Moeras te Genck" van Joseph Coosemans uit 1891 of hoe een schilder de laatste keer de stilte in het Kempische Genk vereeuwigde

In de tweede helft van de negentiende eeuw trokken landschapsschilders van overal naar de ongetemde natuur van de Kempen. Het stille kerkdorpje Genk werd de uitvalsbasis voor schilders zoals Joseph Coosemans. Ze waren de laatsten om het landschap te zien zoals het er eeuwen ongeschonden had bijgelegen.

Voor “Moeras te Genck” plantte Coosemans zijn schildersezel midden in de rauwe vlakte rond het nog vredige Kempische dorp. Koeien graasden er tussen de moerasachtige plassen terwijl boeren ontspannen de wacht hielden. Een andere Genkse landschapsschilder, Armand Maclot, zou Coosemans' schilderij later als volgt beschrijven: "Het verbeeldt de Molenweyer zoo als hij er uitzag in dien goeden tijd (...), voor dat de gemeente-ingenieurs de Molenweyer begonnen te urbaniseren."

De Molenweyer is vandaag het conventionele stadspark, de Molenvijvers, omringd door de brede Europalaan en verkavelingen. In 1967 werden de laatste grasbeemden definitief gedraineerd, de plassen gedempt en de Dorpsbeek in een vaste bedding gelegd.

De kolonisatie van de Kempen

Toen Joseph Coosemans "Moeras te Genck" in 1891 schilderde had Genk 2400 inwoners, nu zijn het er meer dan 66000. Toen waren het families die er al van generatie op generatie woonden, nu zijn er meer dan 100 verschillende nationaliteiten. Het Genk dat zich vandaag uitspreidt rond Coosemans' moeras is een snel en ondoordacht gebouwde stad. Wijd verspreid liggen woonwijken in de rastervorm van de cités, riante autowegen, brede ringlanen en grote industrieterreinen.

"De kolonisatie van de Kempen"-zoals het in overheidsarchieven staat vermeld- was al ingezet voor Joseph Coosemans zijn moeraslandschap schilderde. De ontginningswet van 1847 verplichtte gemeenten woeste gronden productief te maken.  De arme zandgrond werd massief beplant met snelgroeiende naaldbomen. Het Kempisch plateau rond Genk met haar vennen, zandduinen en heide veranderde snel van aanzien.

Een groot deel van de houtproductie ging naar de mijnindustrie in Wallonië. Vanaf het begin van de twintigste eeuw kon het hout gewoon in de streek blijven. De eerste boortorens rezen op boven het landschap, de kolenrush op Limburg was begonnen. Mijnconcessies werden uitgegeven om in het midden van Limburg naar steenkool te graven. Nieuwe mijndorpen zoals Zwartberg, Winterslag en Waterschei werden opgetrokken, met tuinwijken, nieuwe kerken, scholen en casino's. Arbeiders stroomden toe, van binnen en buiten de grenzen.

De blunder van het Amerikaanse leger

Het oude Genk dat Coosemans op de horizonlijn rond de Sint-Martinuskerk schilderde ligt nu een beetje verloren in de weidse stad. Zelfs van een historische kern is in Genk nauwelijks sprake, grotendeels te danken aan een blunder van het Amerikaanse leger. Op 2 oktober 1944 werd het al bevrijde Genk per vergissing gebombardeerd. Er vielen 38 doden, een groot deel van het dorp werd geruïneerd, waaronder de Sint-Martinuskerk. 40 meter verder werd de kerk heropgebouwd, letterlijk op een berg puin.

Het Genk van nu waar vrijwel elke vierkante meter door de mens is getekend, is niet de ongerepte plek die landschapsschilders in de negentiende eeuw aantrok. Vanaf 1850 ontdekten ze Genk. Schilderen in openlucht was een rage, ver weg van de ateliers en de academies. Lokale schildersscholen ontstonden rond de natuur van Tervuren, Knokke-Heist, Dendermonde of Kalmthout. In Genk vonden ze alle soorten landschapstypes, nog ongeschonden aarde met brede luchten.

Artiesten vonden elkaar in Hotel de la Cloche en later Hotel des Artistes. Overdag trokken ze met schildersezel en parasol de natuur in. 's Avonds dronken ze er "genièvre de Hasselt" en hielden "des longues causeries". Frans was de voertaal want vele schilders kwamen uit de Brusselse bourgeoisie. Na de schilders zouden ook de toeristen volgen, mee geholpen door de eerste trein die vanaf 1874 Genk zou aandoen. Vooral de rijkere stedelingen vluchtten voor de verstikkende stadslucht. Genk kreeg zelfs een kuuroord, "Het Waterkundig Gesticht Kneipp".

De mistige, grijze Kempische natuur

Schilder Joseph Coosemans was een Tervurenaar, maar schilderde zijn meest geprezen werk in de Limburgse natuur. Als schildersleraar overtuigde hij een hele lichting om in de streek rond Genk te gaan werken. Tot het begin van de twintigste eeuw zou Genk schilders blijven aantrekken. De nieuwe golf van impressionisten had het echter veel minder voor het landschap van de Kempen. Zij wilden licht, helderheid en veel coloriet en dat vonden ze niet in de vale, soms mistige en grijze Kempische natuur. Maar het was niet de natuur die de laatste schilders verdreef. Dat waren de eerste metalen monsterconstructies die naar het zwarte goud kwamen delven.

"Moeras te Genck" van Joseph Coosemans hangt in het Emile Van Dorenmuseum in Genk