Hoeveel kost onze democratie? En is dat veel of net weinig?

Iets minder dan zevenhonderd miljoen euro. Zoveel kosten alle parlementen en regeringen die straks weer in dit land verkozen worden. Per jaar, en dus 3,35 miljard voor een legislatuur van vijf jaar, zo blijkt uit een berekening van VRT NWS. 670.000.000 euro, is dat veel, is dat weinig? Net iets minder dan de afkoopsom in het contract van Lionel Messi. Of bijna honderd keer zoveel als wat de Vlaamse regering aan armoedebestrijding spendeert. In vergelijking met het buitenland is de prijs van de Belgische democratie niet abnormaal. 

Beperk het aantal politici. Het is een roep die om de zoveel tijd de kop opsteekt. Een simpele optelsom verklaart de terugkerende slogan. Door de opeenvolgende staatshervormingen is België een lappendeken van beleidsniveaus en instellingen geworden. Zes regeringen en zes parlementen zijn er. Je kunt zelfs zeggen: negen regeringen en negen parlementen, als je de hele politieke fauna en flora van Brussel erbij telt. Niet enkel het parlement van het hoofdstedelijke gewest dus, maar ook pakweg de Vlaamse gemeenschapscommissie. 

Nicolas Maeterlinck

In totaal zijn er in dit land 61 zitjes in een of andere regering, en 795 in een parlement. Maar er zijn slechts 48 leden van een regering, en 475 van een parlement.

Vanwaar dat verschil? Door dubbele en zelfs drievoudige petjes. Vijftig van de zestig senatoren worden bijvoorbeeld geleverd door de parlementen uit de gemeenschappen.

In Brussel gaat het nog verder: daar zitten parlementsleden tegelijk in het parlement, de raad van de Vlaamse of Franse Gemeenschapscommissie én zitten ze nog eens allemaal samen in de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Voor de ministers geldt hetzelfde principe van verschillende petjes.

En vergis u niet, ook die kleinere parlementjes of vergaderingen worden  ernstig genomen, zeker door wie eraan mee doet. Fadila Laanan bijvoorbeeld, Brussels gewestminister, noemt zichzelf minister-presidente als ze haar petje van de Franse Gemeenschapscommissie op zet.

Maar eerlijk is eerlijk, die instellingen en de ondersteuning ervan kosten weliswaar geld – vele miljoenen – maar de parlementsleden of ministers zelf krijgen daar geen extra vergoeding voor. 

Met de Brusselse fauna en flora erbij geteld, zijn er in ons land negen parlementen en negen regeringen

Wat kost dat?

De vraag is nu: hoeveel kost dat allemaal? Wel, in 2018 was dat zo'n 670 miljoen euro voor alle parlementen en regeringen samen. 

De regeringen nemen 197,64 miljoen euro voor hun rekening, de parlementen 418,75 miljoen. Een groot stuk daarvan is bestemd voor lonen en gebouwen. Daarbij komen nog de kosten van het koningshuis en de dotatie aan de partijen. Alles samen vormen ze de kosten van het democratische apparaat.

Niet inbegrepen zijn andere democratische instellingen: het Rekenhof (ook goed voor zo'n 49 miljoen euro per jaar), het Planbureau en het Comité I of het Comité P. Het gaat hier enkel om de bovenlokale politiek pur sang

De lokale besturen, provincies en gemeenten, zijn evenmin meegeteld. Net als de kosten van de ambtenaren, waarvan er in ons land 814.000 zijn, of 16,8 procent van het totale aantal werkenden. Recent onderzoek wees trouwens uit dat de Belgische ambtenaren bruto tot de duurste van Europa behoren. Alles samen kosten ze ongeveer tien miljard per jaar of 2,6 procent van het bruto nationaal product. Maar in deze telling zijn ze dus niet opgenomen. 

Lees verder onder de grafieken.

En in vergelijking met het buitenland?

Is dat veel of is dat weinig? Over een legislatuur van vijf jaar gaat het over een bedrag van zo'n 3,5 miljard euro, daarmee kan het gat in de begroting voor een aardig stuk gedicht worden. Maar dat zegt niet heel erg veel, want een afschaffing van de parlementen is geen optie in een democratie. 

Daarom: een vergelijking met het buitenland. 

Laat ons de Kamer als uitgangspunt nemen, met zijn 150 leden. Elk Kamerlid kost de overheid zo'n 850.000 euro. Niet aan loon: een Kamerlid verdient ongeveer 81.000 euro per jaar of 6.509 euro bruto per maand (tegenover een gemiddelde in België van 3.489 euro). Daar blijft zo'n 5.400 euro netto van over. 

Dat is een basisloon. Wie pakweg een commissie voorzit, krijgt geld extra. Waar dan weer tegenover staat dat de parlementsleden ook een stuk van hun loon aan de partij moeten afstaan. Maar de grote kosten in de Kamer zijn meer de gebouwen en de lonen van medewerkers, dan de lonen van de Kamerleden zelf.

Tegenover het Europees Parlement lijken de kosten van 850.000 euro goed mee te vallen. Dat blijkt uit cijfers van Herman Matthijs, die openbare financiën doceert aan de UGent en de Brusselse VUB.

In Europa bedragen de kosten per parlementslid tussen de 2,6 en de 2,8 miljoen euro. Voor de Duitse Bondstag is dat 1,6 miljoen, de Franse Senaat 1 miljoen, de  Franse Assemblée Nationale 982.000 euro en de Nederlandse Tweede Kamer 890.000. Al die landen hebben, met uitzondering van Nederland en zijn 150 leden in de Tweede Kamer, bovendien een pak meer volksvertegenwoordigers in de Nationale Assemblée dan België. België heeft dan weer, met uitzondering van Duitsland, veel meer parlementen.