Op reis met Vlaamse meesters: Toen "den atoom" naar Vlaanderen kwam en alles veranderde

Elke week leiden Jos Vandervelden en fotograaf Alexander Dumarey je naar een plek in Vlaanderen of Brussel waar onze grootste schilders hun schildersezel opstelden.  Ooit vonden schilders het de volmaakte plekken om verzinnelijkt te worden op het canvas. Vaak zijn ze het nu nog. Soms zijn ze het niet meer. Het schilderij van toen en het beeld van nu.

Vandaag: “Het gehucht” van Jakob Smits of de rust van een kleine Kempense gemeenschap voor ze een deel van de wereld werd

"Den atoom heeft hier alles veranderd", zo vatten de oudste bewoners van het gehucht Achterbos in Mol hun geschiedenis samen. De schok voor Achterbos was de bouw van het Studiecentrum voor Kernenergie in 1954. Plots zag het gehucht de grootste bouwwerf uit de Belgische geschiedenis tot dan toe verschijnen. Het boerengehucht werd een aanzienlijke woonkern met lintbebouwing in alle richtingen. De lang gesloten levende gemeenschap was een deel van de grote wereld geworden. "Alles zal verdwijnen", zo had Jakob Smits, de schilder van Achterbos het op zijn sterfbed in 1928 voorspeld. 

De industrialisering van de negentiende eeuw was in eerste instantie voorbij gegaan aan de Kempen. Met de ontginning van witzand zou het rond Mol vanaf de jaren '20 snel veranderen. Zandgroeves werden uitgebaat en glas- en cementfabrieken gingen open. Tegelijk onderging het landschap een metamorfose door commerciële bebossing met dennen.  Echt veranderen deed het pas toen "den atoom" kwam.

België had op het einde van de oorlog door levering van koloniaal uraniumerts aan de geallieerden toegang gekregen tot nucleaire technologie. Als een van de eerste landen werden plannen gesmeed voor elektriciteitsproductie door kernenergie. Een afgelegen bebost gebied, oorspronkelijk bezit van de koninklijke familie, werd uitgekozen om in 1954 het Studiecentrum voor Kernenergie te bouwen. Het lag dicht bij een water- en spoorweg, en ver genoeg van de bewoonde wereld. Want daar werd het kleine gehucht Achterbos niet bij gerekend.

Ontzag voor het landleven

Jakob Smits was 34 toen hij vanuit Nederland neerstreek in Achterbos, een van de twaalf gehuchten van Mol. Hij zou er nooit meer weggaan. Achterbos zou voor de rest van zijn leven zijn inspirerende cocon blijven. Met zijn schilderijen toonde Smits vooral ontzag voor het landleven. "Eenvoudig, symbolisch, poëtisch en echt", zo omschreef hij het zelf. Hij had een diep respect voor het boerenleven en de natuur. Biograaf Ernest van den Bosch schreef na een ontmoeting met Smits de schilder als "dronken van wellust bij het zien van deze immense hemel, dit vredige land, die ruwe, zwijgzame en sterke werkmensen." Er is geen schilderij van Smits dat het beter samenvat als “Het gehucht”.

Het goede tegen het kwade in de Kempen

Jakob Smits schilderde "Het gehucht" niet exact zoals het was. Het kerkje van Achterbos was nog enigszins herkenbaar, net als de boerenhuizen met strooien daken, de stoffige landweg en de gigantische boom die de kleine woongemeenschap overschouwde. Meer elementen weerhield Smits meestal niet om tegen grenzeloze vlaktes en enorme hemels te plaatsen.

Het was Smits vooral te doen om het gevoel van het gehucht. Daarvoor had hij licht nodig, veel licht. De witgekalkte huizen en de lumineuze hemels moesten schitteren. Hij verduisterde zelfs zijn atelier om het licht nog helderder en beter te doen binnen vallen op zijn werken. De dikke en vette verflagen waarmee hij werkte, leken bijna licht af te geven. Kunstcriticus Paul Hasaerts meende zelfs dat Jakob Smits de Kempen gebruikte als symbool voor de eeuwige strijd tussen goed (licht) en kwaad (duister).

In Achterbos zijn hooguit nog sporen terug te vinden van het gehucht van Smits. De zandwegen zijn geasfalteerd. De lintbebouwing heeft de laatste resten van de boerenhuisjes opgeslokt. De duinmassieven met heidevlaktes zijn zo goed als verdwenen. Enkel hier en daar zijn nog ongeschonden plekken in het landschap. Alleen op een stille weekdag is de eenzaamheid uit de schilderijen van Smits misschien nog voelbaar. 

Het is de stille Jozef Calasanzstraat in Achterbos met de Sint-Apoloniakerk die nog het dichts in de buurt komt van wat Jakob Smits heeft geschilderd. Een wandeling door het gehucht laat zien hoe de oudste woningen de contouren verraden van de witlemen huisjes van weleer.

Tragiek en armoede

Ondanks de sereniteit in zijn schilderijen kende het leven van Smits de nodige tragiek. In Achterbos vond hij het geluk met zijn vrouw Malvina voor wie hij zijn boerenwoning herschiep tot het Malvinahof. Malvina Dedeyn, dochter van een advocatenfamilie werd onterfd omdat ze huwde met een schilder. Met hun vijf kinderen leefde het koppel in uiterste armoede. Het belette Jakob Smits niet om van vrouw en kinderen de hoofdpersonages van zijn tekeningen en schilderijen te maken.  Helaas werd de armoede Malvina fataal. Ze overleed na de geboorte van haar zesde kind. Twee jaar later ontmoet Smits Josine Van Cauteren: een nieuw gezin, dezelfde armoede maar ook de eerste erkenning van zijn artistiek werk. Intussen had hij zich laten naturaliseren tot Belg.

Stilistisch is Jakob Smits moeilijk thuis te brengen. Hij was een eenzaat die meer had met zijn gewone dorpsgenoten dan artistieke collega's. Maar hij was verre van een heimatschilder. Ergens balanceert hij tussen de grote stromingen als het naturalisme, symbolisme en de Latemse schilders. In Mol en omgeving is de schilder in ieder geval de grootste met een Jakob Smitsmuseum en een beschermde atelierwoning.

"Het gehucht" van Jakob Smits hangt in het Jakob Smitsmuseum in Mol