Video player inladen ...

Markante plekken: Eisden-Tuinwijk, wonen in de schaduw van de koolmijn

In de reeks "Markante plekken" gaat onze fotograaf Alexander Dumarey elke week op zoek naar een opvallende plaats met een verhaal. Soms bekend, soms vergeten. Soms druk, soms verlaten. Maar allemaal hebben ze een boeiende geschiedenis. Vandaag: Mijncité Eisden-Tuinwijk, bij Maasmechelen.

Tussen de ontdekking van steenkool in Limburg in 1901 en de teloorgang van de mijnindustrie liggen nog geen 100 jaar. Vandaag, 27 jaar nadat de laatste mijn de deuren heeft gesloten, wordt het landschap nog steeds getekend door die periode van intense industriële activiteit. Terrils, schachtbokken en mijngebouwen, maar ook de mijnkathedralen en de mijncités. Een van de grootste cités van de streek ligt in Eisden.

Na de ontdekking van het Kempens steenkoolbekken verschijnen al snel de eerste mijnen. In Eisden gaan de werkzaamheden onder Société Anonyme des Charbonnages Limbourg-Meuse in 1907 van start. De maatschappij begint met het opkopen van zoveel mogelijk grond in de omgeving. Niet alleen voor de installaties van de mijn zelf, maar ook om een woonwijk voor de arbeiders op te richten.

Bij de oprichting van de mijnen is Limburg een erg dunbevolkte streek. Rond de eeuwwisseling wonen in Midden-Limburg nog geen 10.000 mensen, in Eisden maar 300. Elke mijnzetel zou in de beginjaren naar schatting zo'n 4.000 arbeiders nodig hebben (er waren naast Eisden nog 6 andere mijnen actief in Limburg, er was dus een nood aan 28.000 arbeiders).

Om mijnwerkers te lokken, worden moderne tuinwijken naar Engels voorbeeld opgericht. De overheid stelt strikte regels op voor waar de wijken moeten komen. Zo moet de blootstelling aan luchtvervuiling zo minimaal mogelijk zijn, en moeten de cités op wandelafstand van de mijnen liggen.

In Eisden komt de wijk zo'n 1.500 meter ten zuidwesten van de mijn. De bouw van de eerste woningen gaat in 1911 van start. In deze woningen nemen de Waalse specialisten die de schachten graven hun intrek. Hierna volgen de woningen voor de ingenieurs en een riante directeurswoning. Tegen 1914 zijn 110 huizen klaar. 

Door de Eerste Wereldoorlog duurt het nog tot 1923 voor de schachten klaar zijn en er steenkool wordt gedolven in Eisden. Tussen 1923 en 1926 breidt Eisden-Tuinwijk fors uit, er komt ook een centraal plein. In 1936 volgt de laatste uitbreiding van de wijk. In het centrum wordt ook een mijnkathedraal, de Sint-Barbarakerk, gebouwd. 

Net na de Tweede Wereldoorlog worden kort Duitse krijgsgevangenen en collaborateurs ingezet als mijnwerkers. Hierna, vanaf 1947, komt een stroom aan gastarbeiders op gang: eerst Italianen, daarna onder meer Grieken en Spanjaarden en vanaf 1963 ten slotte Turken en Marokkanen. Deze inwijkelingen zorgen ervoor dat de cités ware smeltkroezen van culturen en nationaliteiten worden.

Op 18 december 1987 worden in Eisden de laatste kolen naar boven gehaald, het jaar daarop sluit de mijn de deuren. De woningen van de mijncité worden verkocht. Vandaag zijn talloze huizen verbouwd en veel van de typerende hagen rond de tuinen zijn verdwenen. Ondanks die veranderingen is de eenheid en het uitzicht van de cité uitzonderlijk goed bewaard gebleven. In een van de huizen is sinds 1995 het Museum van de Mijnwerkerswoning gevestigd.

In 2009 wordt een procedure in gang gezet om het Nationaal Park Hoge Kempen en de aangrenzende tuinwijken en voormalige mijnsites van Eisden, Winterslag, Waterschei en Zwartberg kandidaat te stellen om Unesco-werelderfgoed te worden. Deze zomer valt de beslissing of het landschap effectief erkend wordt als werelderfgoed.

Volg onze fotograaf op Instagram en Facebook