Er zijn dit jaar minder voorkeurstemmen uitgebracht dan vijf jaar geleden

Dit jaar hebben minder kiezers een voorkeurstem uitgebracht dan in 2014. Dat blijkt uit een studie van UGent. Iets meer dan de helft van de kiezers bracht eergisteren een voorkeurstem uit. In 2003 was dat nog twee op de drie kiezers. De daling heeft te maken met de winst van relatief nieuwe partijen waarop meer lijststemmen worden uitgebracht, maar ook met een sterke focus op een beperkt aantal kopstukken waarop je niet in elke kieskring kan stemmen.

Als kiezer heb je de keuze tussen een lijststem en één of meerdere voorkeurstemmen. Die voorkeurstemmen bepalen voor een deel welke kandidaat verkozen is, maar hebben ook invloed op de machtspositie van een kandidaat binnen zijn eigen partij.

Het onderzoek van UGent wijst uit dat er op 26 mei minder voorkeurstemmen zijn uitgebracht. De daling is het sterkst voor de Kamer: -3 procentpunt. Voor het Vlaams Parlement is dat - 0,4 procentpunt, voor het Europees Parlement -1,7 procentpunt. Sinds 2003 is het aantal voorkeurstemmen gestaag gedaald, terwijl er vóór dat jaar sprake was van een stijgende trend. 

Waar meer en waar minder?

Het gebruik van de voorkeurstem verschilt per kieskring. Zo is er een stijging in Antwerpen voor het Vlaams Parlement, in Namen voor de Kamer, in Vlaams-Brabant voor de Kamer en Limburg voor de Kamer. Dat is geen toeval, want net daar waren enkele absolute toppers kandidaat. Bart De Wever (N-VA) voor het Vlaams Parlement in Antwerpen, Maxime Prévot (CDH) voor de Kamer in namen, Theo Francken (N-VA) voor de Kamer in Vlaams-Brabant en Wouter Beke (CD&V) voor de Kamer in Limburg.

Ironisch genoeg duwen die toppers het aantal voorkeurstemmen naar beneden in de kieskringen waar ze géén kandidaat zijn. Daar kunnen kiezers niet op hen stemmen en brengen ze dus vaker een lijststem uit.

Winnaars met minder voorkeurstemmen

De daling van het aantal voorkeurstemmen heeft ook te maken met de partijen die de verkiezingen hebben gewonnen: groenen, extreemlinks en extreemrechts. Zij halen relatief minder voorkeurstemmen binnen dan de traditionele partijen (christendemocraten, socialisten en liberalen).

Bij de N-VA is er wel een toename van het aantal voorkeurstemmen in vergelijking met 2014, maar toen was de partij van Bart De Wever ook nog relatief nieuw. In zekere zin wordt de N-VA stilaan een traditionele partij, met meer voorkeurstemmen. 

Partij of kieskring: soms groot verschil

In hoeverre zijn lijsttrekkers nu populair in de eigen partij? Daarvoor wordt de zogenoemde personificatiegraad berekend, door hun percentage naamstemmen te berekenen ten opzichte van het totaal aantal voorkeurstemmen van die partij. Ook interessant is bekijken hoe populair een politicus in de hele provincie is, door het aantal naamstemmen af te zetten tegenover het totaal uitgebrachte stemmen in die kieskring. Dat is de penetratiegraad.

Zo hebben Bart De Wever (N-VA) en Theo Francken (N-VA) respectievelijk 89,50 en 88,68 procent van de N-VA-voorkeurstemmers in hun kieskring kunnen overtuigen. Voor Hilde Crevits (CD&V) bedraagt de personificatiegraad 87,45 procent.

Vaak betekent een hoge personificatiegraad ook een hoge penetratiegraad, maar dat is niet altijd zo. Peter Mertens (PVDA) heeft bijvoorbeeld een hoge personificatiegraad (74,47 procent), maar een lage penetratiegraad (4,05 procent): hij is populair onder de PVDA-kiezers, maar relatief veel minder populair in de kieskring Antwerpen.