Drukte op de vliegplank: bijen komen terug met stuifmeel, de gele, oranje, witte bolletjes aan hun poten.  ©Eric Tourneret/Wikimedia Commons/ccBY-SA 4.0

Bijen zijn fascinerende wezens, of, mijn korte carrière als imker

Het is de 'Week van de Bij', en jammer genoeg is die ook nodig. Het gaat namelijk niet goed met de bijen, noch met de honingbijen, noch met de pakweg 350 wilde soorten die in ons land voorkomen. En dat vind ik jammer, want bijen zijn fascinerende wezens.  En zeker de honingbijen, die door de mens gekoesterd worden en met zorg omringd, zijn een soort kanaries in de koolmijn. Als het met hen al slecht gaat, dan moeten andere soorten het nog veel moeilijker hebben. Een - erg omslachtige en niet eenvoudige - manier om iets aan het probleem te doen, is bijen houden, imker worden dus. En dat heb ik, een VRT-journalist, meer dan 20 jaar geleden even geprobeerd. 

In mijn buurt woont een vriend van mij die al jaren amateur-imker is. In zijn (grote) tuin heeft hij een zestal bijenkasten staan, die hij met veel liefde verzorgt. 

En soms is dat best handig, zo'n imker in de buurt hebben. Zoals op een mooie zomerdag in de jaren 90, toen ik in de badkamer de wasmachine aan het uitladen was, en het ineens eventjes behoorlijk donker werd. Bleek dat er een bijenzwerm was langsgekomen, die vervolgens neergestreken was in een van de seringenstruiken in mijn tuin. 

Een eenvoudig telefoontje naar mijn vriend de imker volstond om het probleem op te lossen. Tegen de avond kwam hij met zijn imkerpak en een ouderwets, gevlochten bijenkorf om de zwerm op te halen. 

Dat was best wel een surrealistisch gezicht overigens: een mannetje in een wit pak op een trapladder - de bijen zaten tamelijk hoog - die met één hand de korf onder de tros bijen hield, en vervolgens met zijn andere hand een flinke snok aan de tak gaf waar ze rond zaten. En het werd nog surrealistischer, want hoewel het grootste deel van de bijen in de korf viel en daar bleef, waren er toch tientallen exemplaren het blijkbaar niet eens met de gang van zaken, en die zoemden driftig rond mijn vriend. 

Die daalde echter onverstoorbaar het laddertje af, keerde de korf voorzichtig om en zette ze op het tuinpad, met een houten stokje onder een kant. Op die manier konden ook de rondvliegende bijen nog terugkeren naar de korf, iets wat ze ook zo goed als allemaal deden toen het donkerder begon te worden. Als het donker wordt, keren bijen immers terug naar hun nest.  Vervolgens bond de imker zorgvuldig een doek onder de korf, laadde die voorzichtig in zijn auto, en vertrok naar huis, waar de bijen onderdak kregen in een mooie lege kast.

Een bijenzwerm in een boom. Ergens in de tros zit de koningin, en die zorgt er met haar feromonen - geurstoffen - voor dat de bijen bij haar blijven. En als je de koningin in je korf krijgt, zullen de meeste bijen braaf volgen. Orzolo/Wikimedia Commons/CC BY-SA 3.0

Fascinerende wezens

Ik vond heel die episode bijzonder boeiend, en stond er dan ook heel de tijd met mijn neus vlakbij, behalve toen mijn vriend de bijen van de tak in de korf wilde krijgen, dat leek me iets te riskant dus dat heb ik gevolgd van achter glas. 

Want ik vind bijen namelijk fascinerende wezens, of had ik dat al gezegd? Wat me vooral zo boeit, is dat ze vaak erg goed lijken te weten wat ze doen, dat het lijkt alsof ze er over nagedacht hebben, dat het, met andere woorden, lijkt alsof ze intelligent zijn. 

En dat voor wezens met een brein zo groot als een rijstkorrel, waarin slechts een miljoen hersencellen zitten. Ter vergelijking, ons brein telt 85 miljard hersencellen, dat van sommige vogels 1 miljard. 

En toch kennen bijen allerhande trucjes om problemen op te lossen. Zo brengen de werksters een aanzienlijk deel van hun leven door, vooral in de zomer, als levende ventilatoren. Als de nectar waaruit ze honing maken, te nat is, dan gaan de bijen met hun vleugels wapperen in het nest om een luchtstroom te creëren die ervoor zorgt dat het water verdampt en weggevoerd wordt. Doen ze dat niet, dan gaat de nectar gisten en is hij onbruikbaar voor de bijen. 

Hetzelfde doen ze als het te warm dreigt te worden in de korf of de kast omdat het buiten warm is. Dan maken ze gangen om lucht aan te voeren en gaan opnieuw met hun vleugels zitten wapperen. Ze brengen dan ook water aan van buitenaf, en laten dat verdampen, wat warmte vraagt en dus verkoeling brengt. 

Japanse honingbijen hebben zelfs een nog gecompliceerder trucje. Hun nesten worden soms aangevallen door de Aziatische hoornaar, een grote vraatzuchtige wesp die de larven van de bijen opeet, en die zo goed gepantserd is, dat de bijen met hun angels er niets tegen kunnen beginnen. De bijen weten dat blijkbaar, en in plaats van te proberen te steken vormt een groot aantal bijen dan ook een soort levende bal rond de hoornaar. Ze trillen vervolgens met de vleugelspieren, zonder dat de vleugels bewegen, en verhogen zo de temperatuur. En dat is ook de bedoeling, want de bijen kunnen een iets hogere temperatuur verdragen dan de hoornaar. Die begint het loodje te leggen zodra de temperatuur 46 graden bereikt, bij de bijen is dat 48 graden. En dus zorgen ze ervoor dat de temperatuur in de bal 47 graden is, en dat houden ze 20 minuten vol. Wordt het te warm, stoppen ze met hun spieren te laten trillen, wordt het te koud, dan beginnen ze opnieuw. Tot de hoornaar dood is.

De Aziatische hoornaar is nu ook in onze streken gesignaleerd, mensen hebben hem onbedoeld naar hier gebracht, zoals we dat eerder ook al met andere bijenparasieten en ziekten gedaan hebben. En onze bijen hebben nog nooit in hun evolutionaire geschiedenis te maken gehad met dergelijke monsters, dus die kennen dat trucje niet. 

Ouderwetse, gevlochte bijenkorven. Frank Vincentz/Wikimedia Commons/CC BY-SA 3.0

Geprogrammeerde dommeriken

Maar niet-Japanse bijen, fascinerende wezens die ze zijn, kennen wel een ander trucje. Eentje waaruit evenwel blijkt dat ze helemaal niet weten waar ze mee bezig zijn, dat ze helemaal niet intelligent zijn. 

Bijen hebben last van parasieten die hun eieren leggen op het broed, en zowat de enige manier voor het bijenvolk om daar vanaf te komen, is de cel waarin het broed, het eitje of larfje, zit te openen, het dekseltje eraf halen dus, te kijken of de larve aangetast is door een parasiet, en zo ja, de bijenlarve en de parasiet uit de cel te halen en uit de kolonie te gooien. 

Hygiënisch gedrag noemt men dat, en sommige bijenvolken vertonen het, andere niet. Onderzoekers hebben nu bijen die wel de cellen openmaakten, inspecteerden, en eventueel de larven en parasieten buitengooiden, gekruist met bijen die dat niet doen. Het resultaat was dat ze bijenvolken kregen die dat wel deden, en bijenvolken die het niet deden, wat ook te verwachten was. Ze kregen echter ook bijen die de dekseltjes van de cellen met broed afhaalden, en verder niets. Toen de onderzoekers zelf de dekseltjes gingen verwijderen bij de bijen die niets deden, bleek dat een deel daarvan, eens de dekseltjes verwijderd waren, de besmette larven wel uit de cellen haalden en uit de kast gooiden. maar de dekseltjes openen, dat deden ze niet zelf.

Het op het eerste gezicht logische gedrag van de bijen blijkt dus volkomen genetisch bepaald en geprogrammeerd te zijn, en zelfs van verschillende genen af te hangen. Genen die niet altijd samen overgeërfd worden, vandaar dat er bijenvolken zijn die maar een deel van het hygiënisch gedrag vertonen, ofwel halen ze de dekseltjes van de cellen, ofwel gooien ze de besmette larven buiten, maar niet de twee tezamen. 

Geprogrammeerde dommeriken zijn het, robotjes. En koppig bovendien, al is dat het juiste woord niet. Hun koppigheid blijkt als iemand, bijvoorbeeld mijn vriend, een bijenkast van de ene naar de andere kant van zijn tuin wil verhuizen. En daar begint meteen ook mijn korte carrière als imker. 

Een imker inspecteert zijn kast aan de rand van een koolzaadveld. Pieter Delicaat/Wikimedia Commons/CC BY-SA 4.0

Verhuizen

Bijen prenten de positie van hun kast tegenover andere landschapselementen als gebouwen, bomen, bepaalde gekleurde vlakken, in hun geheugen. Ze doen dat al als ze pas zijn uitgekomen en nog nooit echt uitgevlogen zijn, door op en neer te vliegen voor de kast met hun hoofd er naar gericht, en dan steeds grotere cirkels te beschrijven, verder van de kast af. 

Als ze dan later na een verre vlucht in de buurt van de kast komen, en de landschapselementen herkennen, vliegen ze als het ware op automatische piloot naar hun doel, de kast, ook als die verhuisd is naar de andere kant van de tuin en dus niet meer op de oorspronkelijke plaats staat...

Ze kunnen dan uren, zelfs dagen op en neer vliegen voor die lege plaats, en als er kasten in de buurt staan, eventueel proberen daar binnen te geraken. Maar aangezien dat dan hun volk niet is, kan dat leiden tot vechtpartijen en allerlei narigheid, wat een imker liefst wil vermijden. 

En een manier om dat te doen, is de kast die je wil verhuizen naar het andere eind van de tuin, eerst een aantal kilometer weg te brengen, ze daar een aantal weken te laten staan, en vervolgens ze opnieuw te verhuizen naar de plaats in je tuin waar je de kast wilde hebben.

En laat nu mijn huis net ver genoeg van dat van mijn vriend gelegen zijn, om te kunnen dienen als tijdelijke standplaats voor een te verhuizen kast. Zodat ik op een mooie dag de vraag kreeg of mijn vriend tijdelijk een bijenkast mocht zetten in mijn 'achtertuin', een belachelijk smal stukje land achter mijn garage, waar al jarenlang niets mee gebeurd was en dat dan ook in een bos veranderd was. Met verschillende acaciabomen, een soort waar bijen verzot op zijn vanwege de vele bloemetjes. En een soort die honing geeft die niet versuikert, die niet hard wordt na verloop van tijd, maar dit terzijde.

En dus kwamen er vanaf toen geregeld al eens kasten 'logeren', iets wat steeds op mijn onverdeelde belangstelling mocht rekenen, want ik vind bijen fascinerende wezens, ook al zijn het geprogrammeerde robots.   

Een bij met pollen of stuifmeel (bovenaan), en een zonder. Waugsberg/Wikimedia Commons/CC BY-SA 2.5

Steken

Als mijn vriend zijn bijen in de kast die bij mij stond, kwam verzorgen of inspecteren, ging ik steeds helpen - om een groot woord te gebruiken, laat ons zeggen dat ik ging kijken. En als je met bijen bezig bent, en ze verstoort door hun kast te openen en andere activiteiten uit te voeren, ja, dan word je gestoken, daar is niets aan te doen. 

Je mag dan nog een volledig pak aantrekken, laarzen en handschoenen, de kans is nooit uit te sluiten dat er nog ergens een verstoorde bij op zit, en dat die je alsnog steekt als je het pak uittrekt of uitgetrokken hebt. En dus werd ik inderdaad een aantal keer gestoken, maar veel last had ik daar nooit van. Uiteraard veroorzaakte de steek zelf een brandende pijn, maar na een kwartiertje of zo was er niet veel meer van te zien bij mij, geen rode bult, geen jeuk of pijn.

Wat mijn vriend ertoe bracht te zeggen dat ik 'uitstekend imkermateriaal' was, en of hij geen kast zou laten staan die ik dan - onder zijn supervisie uiteraard - zou verzorgen. 

Zo gezegd, zo gedaan, en zo kwam het dat ik op een zondag de bijen wat suikerwater ging brengen - ter compensatie van de gestolen honing. Het was wel een zondag, maar het was een verkiezingszondag, en ik moest dan ook nog werken, van 16 uur tot zeker middernacht. 

Het suikerwater afleveren ging vlot, en in de garage trok ik mijn pak uit, wat ook vlot ging, deed een soort klompen aan, en werd prompt gestoken in allebei mijn voeten, net boven de klompen. Er zat niet één boze bij op het pak dit keer, het waren er twee. En dit keer was het leed niet geleden na een kwartiertje, integendeel, mijn beide voeten begonnen flink op te zwellen. 

Autorijden lukte gelukkig nog wel, maar eenmaal uitgestapt ben ik als een pinguïn op het droge naar de redactie gestrompeld, en ook later die avond, toen de uitslagen allemaal binnen waren en de redactieleden nog even naar de bar gingen voor een afsluitend drankje, hobbelde ik er maar moeizaam achteraan. 

Een bij heeft een mens gestoken, en de angel met weerhaken is blijven vastzitten in de huid en afgescheurd. De spieren aan de angel blijven ook na het losscheuren het gif nog in het slachtoffer pompen. Waugsberg/Wikimedia Commons/CC BY-SA 2.5

En nu?

Uiteraard betekende dat het einde van mijn beginnende 'carrière' als imker, want, zoals gezegd, als imker ga je hoe dan ook gestoken worden. Sindsdien ben ik nog tweemaal gestoken door een bij, gewoon in de tuin, de eerste keer in mijn hand die ook flink opzwol, gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest om onmiddellijk mijn ringen uit te doen, anders hadden die doorgezaagd of geknipt moeten worden. 

De tweede keer was opnieuw in mijn voet, en toen ben ik zelfs één of twee dagen niet kunnen gaan werken, zo erg was de voet gezwollen. 

Mijn vriend heeft sindsdien nog wel een paar kasten tijdelijk in de achtertuin gezet, maar ik hou me er nu ver van af. En in mijn gewone tuin merk ik daar niets van, er zijn niet meer bijen te bespeuren dan wanneer die kast er niet staat. 

Wel heb ik nog een hommelnest in de tuin zitten, in een hoop snoeihout. Een ex van me wilde dat hout verhuizen naar de andere kant, iets waar ik geen voorstander van was, en de eerste greep hout die ze er uit losrukte, deed een heel eskadron hommels opstijgen die rond haar begonnen te zoemen. Zodat het hout mocht blijven liggen waar het was. 

Nu moet je hommels al extreem provoceren voor ze gaan steken. Dreigend als een bommenwerper rondzoemen vinden ze meestal meer dan voldoende, zodat ze van mij rustig mogen blijven zitten waar ze zitten. 

En ook heb ik nog een 'bijenpaleisje', stengels bamboe, houten blokken met gaten in, een gedroogde kleiwand in een grote pot - waar nog nooit een beest een nest heeft in gemaakt overigens, in die klei.

In de lente komen daar vooral rode metselbijen hun eitjes leggen, met stuifmeel erbij voor de larve, waarna ze de bamboe of het hout afsluiten met een metselwerkje. Ook die steken echter zo goed als nooit, wat mijn toenmalige kat, Saartje de bijenmoordenaar, afdoende bewezen heeft. 

Saartje zat namelijk op een zonnige dag in de lente een beetje te prutsen in de buurt van het paleisje, en een kwartiertje later zat ze met haar meest onschuldige snuitje te kijken naast drie dode metselbijen. Die dus zelfs niet gestoken hadden toen ze vermoord werden.

Ook de parasitaire wespen die de hele dag rondhangen in de buurt van het bijenpaleisje, ze moeten immers wachten tot de bij een eitje heeft gelegd om dan bliksemsnel, voor het achter een gemetseld muurtje verdwijnt, hun eigen ei erbij te leggen, steken niet. Het zijn onder meer bronswespen, met een mooie metallieke glans, en grappig is wel dat ze er echt de hele dag nonchalant rondhangen, je kan je bijna voorstellen dat ze af en toe een liedje fluiten om de tijd wat te verdrijven.   

Wat ook wel boeiend is, ook wespen zijn duidelijk fascinerende wezens, en daar ben ik niet allergisch voor heb ik proefondervindelijk vastgesteld. En ondanks het feit dat ze steken, en dat ik daar wel allergisch voor ben, blijf ik bijen toch fascinerend vinden. En honing lekker. 

Saartje de bijenmoordenaar zit te prutsen met een pluimpje, 'toevallig' voor het bijenpalesije. VRT/Luc De Roy
Hier moeten de moorden nog gebeuren, maar hetzelfde onschuldige snuitje zette ze op na de feiten. "Ik? Bijen doden ? Nee hoor." VRT/Luc De Roy