Marktkramers Marie (90) en Fernand (87), het oudste marktkoppel van het land

Officieel zijn ze al dertig jaar met pensioen. Maar Marie (90) en Fernand (87) staan nog haast dagelijks met hun textielkraam op een of andere markt, ergens in Vlaanderen. Na zeventig jaar denken ze zachtjesaan aan stoppen. Of toch niet. "Wat moeten we de godganse dag doen? In de zetel zitten? Neen, laat maar."

"Ik zal nooit een burn-out krijgen. Niet dat ik lacherig wil doen over werknemers die daarmee kampen. Maar ik haal nog elke dag plezier uit mijn werk." Fernand Hostyn, voorbij halverwege de 80, sukkelt alleen met zijn gewrichten. Hij zit naar eigen zeggen "vol met artrose". En zijn echtgenote Marie Ellegiers, de kaap van 90 gerond, hoort slecht. De fysieke tol van hun vergevorderde leeftijd. Voor de rest zijn ze nog in uitstekende gezondheid. Hun geheim? Elke dag een glaasje wijn, ná een lange werkdag. Vier dagen per week staan ze op een markt, in Roeselare, Oostende, Gent of Brugge. Dagelijks buiten komen en "onder de mensen" zijn: wellicht is dat een nog belangrijker ingrediënt voor een lang en gelukkig leven.

Sociaal contact is het belangrijkst

"Het leukste aan de markt is het sociaal contact", zegt Fernand. "Ik sla graag een praatje met de mensen. Zelfs als ik hen niks kan verkopen." Marie - Marietje voor de klanten - beaamt. "Hij is de babbelaar van ons tweeën." Hij: "Bestellen doen de mensen bij mij, afrekenen bij mijn vrouwtje. Marietje is meer zakelijk." Een goeie marktkramer moet het goed kunnen uitleggen maar bovenal eerlijk zijn, beweert hij. "Ik ken collega's die klanten voorliegen. Mevrouw, u staat beeldig in dat jurkje. Terwijl ze bijna uit het strak zittende textiel scheuren. Ik vertel de waarheid. Het is te klein, mevrouw. Ik zou het niet nemen."

Marie begon in de jaren 40 als prille tiener bij haar vader, die leurder was. "We gingen van deur tot deur om stoffen per lopende meter te verkopen. Maar als straatventers liepen we wat verloren. Uiteindelijk zochten we een vaste plaats en die vonden we op de wekelijkse marktdagen met ons textielkraam." Haar latere echtgenoot Fernand, die een kunstopleiding had gevolgd, werkte aanvankelijk in een fabriek in Destelbergen als ontwerper van Congolese stoffen. "Op een dag, in de jaren 50, maakten we de rekening en vergeleken we ons loon. Marietje verdiende het dubbele van mij. Mijn besluit was snel genomen."

Eén marktdag gemist

Marie en Fernand hebben "de goeie tijd meegemaakt", zeggen ze. Toen de marktdag het hoogtepunt van de week was in dorpen en gemeenten. Vrouwen waren nog veelal huisvrouwen wier mannen de enige kostwinners waren. Er bestonden nog geen H&M's en Zara's, en zelfs supermarkten waren een zeldzaamheid. Ze hebben stevig verdiend aan hun stoffen en textiel. "Maar wij hebben daar ook hard voor gewerkt."

Elke ochtend opstaan om half vijf en 's avonds gaan slapen om negen uur, zeven dagen aan een stuk. Ook nu - ze helpen hun zoon die het kraam dertig jaar geleden overnam - houden ze dat ritme vol. Marie kan zich niet herinneren dat ze ooit een marktdag heeft overgeslagen, Fernand was begin dit jaar voor het eerst buiten strijd. Hij belandde vier dagen in het ziekenhuis na een valpartij. "Gelukkig was het in het weekend gebeurd, zodat ik maar één marktdag miste."

Maar de hoogtijdagen zijn voorbij, meent Fernand. "De mensen nemen geen tijd meer om naar de markt te komen." Grote modeketens bedreigden hun zakencijfer al langer, maar de toenemende druk van de Bol.coms en Zalando's van deze wereld brengt de marktkramers pas echt in ademnood. De markt brengt eigenlijk niks meer op. "Vroeger verkochten we jurkjes voor 500 Belgische frank (12,50 euro, nvdr.), wat toen veel geld was. Nu voor slechts 5 euro. Op het einde van de dag concluderen we dat we ons spaargeld in feite opeten." Waarom ze het dan nog doen? "Die vraag krijg ik nu altijd", zegt Fernand. "Ik ben wellicht bang voor het zwarte gat." Marie: "Zo lang gaan we er ook niet meer mee door, hoor. Ik zie me geen honderd jaar worden" (lacht).