Dries Van Langenhove en zijn parlementaire onschendbaarheid: meer vragen dan antwoorden

Gisteren meldde het parket dat Dries Van Langenhove formeel in verdenking gesteld is in het onderzoek naar de uiterst-rechtse organisatie Schild & Vrienden. Volgens het parket is de parlementaire onschendbaarheid niet van tel, omdat het onderzoek is gestart vóór Van Langenhove verkozen raakte. Ook een doorverwijzing naar de rechtbank zou dus volgens het parket mogelijk zijn. Maar grondwetsexperts twijfelen daaraan. Wij proberen voor u de juridische knopen te ontwarren.

We gaan even terug naar 1997. In dat jaar werd de regelgeving rond de parlementaire onschendbaarheid grondig hervormd. Tot dan was het maar heel uitzonderlijk mogelijk om ook maar een kleine onderzoeksdaad, zoals een ondervraging, te stellen bij een parlementslid. Dat was, zo is ook te lezen in de voorbereidende werkzaamheden van de hervorming, paradoxaal genoeg een nadeel voor de parlementsleden. Want zelfs een eenvoudig onderzoek, om feiten te kunnen nagaan waarvan een parlementslid (onterecht?) werd beschuldigd, was niet mogelijk. Daarom werd beslist om de parlementaire onschendbaarheid te versoepelen.

En zo ontstond het nieuwe artikel 59 van de Grondwet.  Daarin staat te lezen dat de opheffing van de onschendbaarheid enkel gevraagd moet worden bij een aanhouding, of als het parlementslid zou worden doorverwezen naar de strafrechtbank. Dat laatste is een beslissing door de raadkamer. Alleen als een parlementslid op heterdaad wordt betrapt, hoeft er niet te worden gevraagd om zijn onschendbaarheid op te heffen. Van andere uitzonderingen wordt geen melding gemaakt.

En toch kwam het parket gisteren dus met de mededeling dat er "geen sprake is" van parlementaire onschendbaarheid in de zaak van Dries Van Langenhove. Wat betreft het verhoor en de formele inverdenkingstelling, is iedereen het daar inderdaad over eens. Ook een parlementslid mag zonder meer verhoord worden, of formeel in verdenking gesteld worden in een onderzoek. Maar de vraag is wel of Van Langenhove zonder meer zal kunnen worden doorverwezen naar de rechtbank.

Volgens het parket kan dat inderdaad, omdat het onderzoek is ingesteld vóór Van Langenhove verkozen werd. Het verwijst daarvoor naar een omzendbrief die werd gestuurd door het college van procureurs-generaal in 1997, naar aanleiding van de grondwetsherziening. Daarin is inderdaad te lezen dat een verwijzing naar de strafrechter mogelijk is in dat geval (zie de passage hieronder).

Maar de passage in de omzendbrief zorgt nu voor discussie. Het college van procureurs-generaal, dat zeg maar het strafrechtelijk beleid moet uitstippelen voor de parketten, geeft hier een interpretatie aan het artikel van de Grondwet. En sommige grondwetsexperts noemen die interpretatie "erg vreemd". Uiteraard is het niet aan het college van procureurs-generaal om nieuwe wetgeving te maken, en al zeker niet om zich boven de grondwet te stellen. Het college zal enkel nieuwe wetgeving interpreteren, om op die manier duidelijk te maken aan de parketten hoe zij een bepaald artikel in de praktijk moeten uitvoeren. Die interpretatie is uiteraard nooit uit de lucht gegrepen, maar gebeurt op basis van de geest van de wet, op basis dus van wat de wetgever heeft willen bereiken. In principe zou dus ergens in de voorbereidende werken van de grondwetsherziening te vinden moeten zijn dat de wetgever inderdaad beoogde dat een verwijzing wél mogelijk was als het onderzoek reeds was ingesteld voor de verkiezing. Maar die passage heeft niemand op dit moment gevonden. Ook grondwetsexperts vallen uit de lucht.

Wel zijn er enkele zaken terug te vinden in een document van de juridische dienst van de Kamer uit 2007. Daarin staat dat "de vervolging kan worden verdergezet" tijdens de legislatuur, als die vervolging gestart is vóór iemand verkozen raakte. De bron die daarvoor wordt aangegeven, is een cassatiearrest uit 1991 dat er kwam rond de zaak Van Rossem. Maar sommige grondwetsexperts denken dat dat arrest niet meer van tel is, omdat het dateert van vóór de grondwetsherziening van 1997. Daarnaast is de vraag ook wat men precies bedoelt met vervolging. Een antwoord lijkt te vinden in een verduidelijkende brief van de voorzitters van de parlementen in 1998. Daarin staat te lezen dat het parket nog mag vragen om een parlementslid door te verwijzen naar de rechtbank. Maar de uiteindelijke beslissing van de raadkamer kan enkel als de parlementaire onschendbaarheid wordt opgeheven. Wie heeft nu gelijk, en vooral: wat wou de wetgever nu eigenlijk? Wat de juridische dienst van de Kamer zegt, of wat de voorzitters van de parlementen schreven?

Conclusie is in ieder geval dat er op dit moment onduidelijkheid bestaat over de kwestie of een doorverwijzing naar de strafrechter dan nu wel of niet mogelijk zou zijn in de zaak Van Langenhove. Hoe moet het dan verder? Om de woorden van Johan Platteau, de advocaat van Van Langenhove te gebruiken: "We zullen zien". De eerste vraag is uiteraard of het onderzoek wel zal leiden tot een vraag om doorverwijzing naar de rechtbank. Het gerecht zou ook kunnen beslissen om de zaak tegen Van Langenhove te laten vallen, en dan is de vraag niet meer relevant. Stel dat het parket tóch een doorverwijzing vraagt, dan zal de raadkamer de beslissing moeten nemen. Sowieso is de doorverwijzing uiteraard altijd mogelijk als er een opheffing van de onschendbaarheid wordt goedgekeurd in het parlement. En dat kan met een gewone meerderheid.