Hoe de eerste maanlanding een klein jeugdtrauma werd

Bij al wie ouder is dan 55 jaar staat de eerste maanlanding voor altijd in het geheugen gegrift. Het ging niet om de zoveelste Amerikaanse sciencefictionserie, het gebeurde allemaal écht. In de tijd toen computers alleen maar voorkwamen in het labo van professor Barabas uit Suske en Wiske, lieten de avonturen van de astronauten in 1969 een onuitwisbare indruk na bij kinderen. En soms ook een klein jeugdtrauma. Dit is mijn verhaal. 

Op zondag 20 juli 1969 was ik er klaar voor. Ik was in bad geweest, ik had mijn pyjama aan, en ik zat op mijn kleine zeteltje strak voor me uit te kijken naar het wazige zwart-witbeeld op ons SBR-televisietoestel. In opperste concentratie, want ik wilde niets missen: geen enkele beweging op het scherm, geen enkel stukje commentaar van BRT-wetenschapsjournalist Jan Bauwens. Ik was elf jaar. 

Op eenvoudig verzoek kon ik je àlles vertellen over wat er zo dadelijk zou gaan gebeuren, en wat hier de voorbije dagen en jaren aan vooraf was gegaan. Hoe de reusachtige drietraps Saturnus-raket in elkaar zat, welke trappen wanneer afgeworpen werden, welke manoeuvres de commandomodule Columbia en de maanlander Eagle op welk moment moesten uitvoeren, wie wat bestuurde.

Ik had het allemaal nauwgezet bestudeerd  in boeken die ik voor verjaardagen gevraagd had, en die ik woord voor woord had gespeld, ook al begreep ik nog niet alle technische termen en kende ik nog maar nauwelijks Engels. Dat kreeg je in die tijd nog niet in het zesde studiejaar.  

(Tussen haakjes: veel later ben ik als 36-jarige naar de lanceerbasis op Cape Canaveral in Florida gegaan, en daar kon je een Saturnus-raket bekijken die op haar kant lag. Die dingen waren 110 meter lang: rechtopstaand dus bijna zo hoog als de kerktoren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen. Pas toen drong het helemaal tot me door: je moet volgens mij volslagen krankjorum zijn om als astronaut met je achterwerk bovenop een honderd meter hoge bom te gaan zitten. Die dingen zaten dus tjokvol uiterst explosieve brandstof.)

Ik had het Amerikaanse ruimtevaartprogramma trouwens van bij het begin op de voet gevolgd. Vanaf het Mercury-programma met raketten waarin maar één astronaut zat, over het Gemini-programma (waardoor ik het Engelse woord voor tweelingen leerde kennen), tot de vele voorbereidende vluchten van het Apollo-programma. 

Ik was geschokt toen de capsule van Apollo 1 nog tijdens een oefening op de grond in brand vloog en de drie astronauten die erin opgesloten zaten levend verbrandden. Ik volgde nagelbijtend de missie van Apollo 8, waarbij voor het eerst aardbewoners met eigen ogen de achterkant van de maan konden aanschouwen, maar waarbij ze tijdens elke doortocht aan de schaduwkant van de maan 45 lange minuten geen radiocontact hadden met het ruimtevaartcentrum in Houston. En maar wachten op dat eerste piepje, gevolgd door een metalig stemmetje.

Al die voorbereidende vluchten hadden haarscherpe en fascinerende kleurenfoto’s opgeleverd, van de maan, van de aarde, en van astronauten die zich in hun witte ruimtepakken uit hun capsule waagden voor een ruimtewandeling (ze hingen wel vast aan een draadje, maar toch.) In hun helmen met goudkleurig vizier zag je de weerspiegeling van het sas waardoor ze net hun capsule hadden verlaten. 

Een volledige wand van mijn slaapkamertje had ik behangen met die foto’s, die ik ijverig uit tijdschriften had geknipt en trapsgewijs tegen de muur had aangebracht. Daaronder stond op het schap van mijn opklapbed al mijn ruimtespeelgoed uitgestald, plus een maanglobe. Daar had ik met een spijker een gaatje ingeklopt op de precieze plek waar de maanlanding zou plaatsvinden: de Zee der Stilte. 

Met een tandenstoker en gekleurd papier had ik een Amerikaans vlaggetje in elkaar geknutseld, dat precies in dat gaatje paste. (Daarmee had ik wel een deukje in mijn mooie maanglobe geklopt, maar goed.) Elke nacht kon ik vanuit mijn bedje naar dat speelgoed en die wand kijken en me verbeelden dat ik als een kleine astronaut in de ruimte zweefde. 

Ik was er dus helemaal klaar voor, daar in mijn zeteltje op die zondagavond, want hét zou nu écht gaan gebeuren: de eerste mens die een voet op de maan zou zetten. En ik zou het met eigen ogen zien, op het moment dat het gebeurde. 

Maar het ging allemaal wel tergend traag, mijn kindergeduld werd danig op de proef gesteld. Na heel lang wachten, om 17 minuten over negen ’s avonds – ver voorbij mijn normale bedtijd, zelfs in de zomervakantie - was er eindelijk een eerste moment suprême. De maanlander – het landingstoestel dat eruit zag als een reusachtige metalen spin - was wel degelijk op het maanoppervlak geland. 

“The Eagle has landed”, zei een nasaal stemmetje, en dat hoefde Jan Bauwens niet eens te vertalen, dat begreep ik zo, want ik wist dat Eagle (arend) de naam van de maanlander was. Het was maar goed ook dat dat stemmetje de landing bevestigde, want veel was er niet te zien geweest.

Het wapenfeit werd natuurlijk van binnenuit in de maanlander gefilmd, en de camera stond schuin op een klein raampje gericht. Je zag er alleen maar een driehoekje van, en daarbinnen schoven zwarte en witte vlekken voorbij zolang het toestel naar het maanoppervlak afdaalde. Dat bewegende beeld werd zwart en kwam met een schokje tot stilstand, en dat was het.

(Pas later kwamen we te weten hoe bloedstollend spannend die landing was geweest. De computers stuurden de maanlander recht op de scheve wand van een krater vol rotsblokken af. Als hij daar was geland, was hij misschien omgevallen, of neergekomen in een positie van waaruit vertrekken later onmogelijk zou blijken. Twee minuten en 21 seconden voor de landing nam koele kikker Neil Armstrong de automatische besturing van de maanlander handmatig over en zette hem op een veilige plek neer. Dat was trouwens nipt op tijd, want om gewicht te besparen was er maar een beperkte hoeveelheid brandstof aan boord. Twintig tot veertig seconden later was alles op geweest. In het commandocentrum in Houston sloegen een paar raketgeleerden blauw uit.) 

Nu was elke vezel in mijn lijfje tot het uiterste gespannen. Zo dadelijk zou een deurtje opengaan, en zou de eerste mens uit de maanlander klauteren en een voet op het maanoppervlak zetten. Tenminste, dat dacht ik. Ik wist niet dat er nu voor de astronauten een rustperiode van vijf uur slaap op het programma stond. 

Maar Neil Armstrong en Buzz Aldrin overtuigden Houston dat ze door de adrenaline in hun lijf toch niet zouden kunnen slapen. Dus werden de werkzaamheden voortgezet. Maar ook die voorbereidingen vergden nog uren, onder meer om de druk in de Eagle gelijk te maken aan die van de maan, zodat het luik probleemloos opengemaakt kon worden.

Dus gebeurde er in beeld zo goed als niets. En dat bleef maar duren. En de minuten werden uren. Toen het halféén ’s nachts geworden was en er nog altijd niets was gebeurd, zei mijn moeder: “Zou je niet gaan slapen? Als het zover is, kom ik je wakker maken”. Daar wilde ik eerst niets van weten. Maar mijn moeder kon erg overtuigend zijn. “Beloof je dat je me komt wakker maken?”, vroeg ik. “Je kan op je twee oren slapen, ik kom je wakker maken”, zei ze. 

MAAR ZE HEEFT HET NIET GEDAAN. Om vier minuten voor vier uur ’s ochtends zette Neil Armstrong een aarzelend voetje op het maangruis, en ik was er niet bij. Ik lag te slapen. IK HAD HET GEMIST. 

“Je sliep zo vast, ik heb je maar laten liggen”, zei mijn moeder trouwhartig toen ze me ’s ochtends wakker maakte. Ik was helemaal verdoofd, toen ze dat zei. Ik denk dat ze nooit beseft heeft hoe onpeilbaar diep mijn ontgoocheling was, en hoe groot de kras op mijn ziel. Het litteken zit er vijftig jaar later nog altijd.

Het beroemde zinnetje: "That's one small step for (a) man, one giant leap for mankind". De vrolijke sprongetjes van Buzz Aldrin op het maanoppervlak. Het uitplooien van de Amerikaanse vlag. Het was allemaal al voorbij. De astronauten hebben maar twee uur en 31 minuten op het maanoppervlak rondgelopen. Naar schatting 600 miljoen mensen - een zesde van de wereldbevolking - heeft het live gehoord of gezien. Maar ik niet. 

Ja, later. Ontelbare keren. En ook alle latere maanlandingen. Maar niet die eerste. En dat was de enige die écht telde, hét moment waarnaar ik al die jaren van mijn jonge leven had toegeleefd.

Een tante van mij die journaliste was is een paar maanden later naar de States getrokken voor een reportage. Ze kwam terug met een speciaal cadeautje voor mij: een stoffen badge met het officiële embleem van de Apollo 11-vlucht, die ik op mijn jasje kon naaien. “Neil Armstrong heeft het hoogstpersoonlijk in zijn handen gehad”, verzekerde ze mij.

Dat was natuurlijk heel lief. Ik weet zeker dat zij, als journaliste, het wél begrepen had: hoe diep het in je ziel kerft als je het moment suprême gemist hebt. Maar Neil Armstrong die mijn badge in zijn handen had gehad? Kan je volwassenen eigenlijk wel helemaal vertrouwen?