Een reproductie van Maya-muurschilderingen uit Bonampak die oorlogstaferelen uitbeelden. El Comandante/Wikimedia Commons/CC BY-SA 3.0

Maya's voerden eerder 'verschroeide aarde'-oorlogen dan gedacht

Tot nu werd gedacht dat de stadstaten van de Maya's pas aan het einde van de klassieke periode, onder druk van droogte en klimaatverandering, overgingen tot brutale, erg gewelddadige oorlogen tegen elkaar. Uit nieuwe aanwijzingen in sedimenten rond de verlaten stad Witzna blijkt nu echter dat oorlogen waarbij de techniek van de verschroeide aarde werd toegepast, al honderden jaren eerder werden uitgevochten. Dat stelt de theorie in vraag dat dergelijke oorlogen mee bijgedragen hebben tot de teloorgang van de Maya-beschaving in het laagland rond 1000 n.C.

De Maya's van Centraal-Amerika worden gezien als een vriendelijkere, zachtaardigere beschaving, vooral in vergelijking met de Azteken in Mexico. Op het hoogtepunt van de Maya-beschaving, tijdens de klassieke periode van 250 tot 950 n.C., was oorlogsvoering bij de Maya's meer een ritueel en beperkt in omvang, zo luidt de overheersende visie. 

Oorlog was bedoeld om aanzien te verwerven, en strikte regels zorgden ervoor dat oorlogsvoering beperkt bleef tot het gevangennemen van vooraanstaande edellieden om hen politiek te vernederen, of voor losgeld, in de vorm van goederen, terwijl de lagere adel en de bevolking ongemoeid werd gelaten, zo werd gedacht.

En pas tegen het einde van de klassieke periode ziet men een toename van zeer gewelddadige oorlogsvoering. Dat wordt gezien als een escalatie die aangedreven wordt door een hevige wedijver om hulpbronnen zoals geïrrigeerde velden en landbouwterassen, tuinen en bossen. En die wedijver werd dan weer veroorzaakt door overbevolking en droogte door een klimaatsverandering, zo luidt de klassieke verklaring. 

"Onze bevindingen zetten die idee op losse schroeven, aangezien ze tonen dat een site van de kaart kon worden geveegd, en haar bewoners verdreven voor politieke redenen, en zonder enig verband met overbevolking of de beschikbaarheid van hulpbronnen", zei antropoloog Alexandre Tokovinine. "In tegendeel, uit onze bevindingen blijkt dat men bereid was waardevolle hulpbronnen te vernietigen voor politieke redenen", zo zei hij in een persbericht van de University of Alabama (UA). Tokovinine is assistent-professor antropologie aan de UA en een van de auteurs van de nieuwe studie. 

Volgens Tokovinine heeft men bewijzen voor een campagne van massale vernietiging met een louter politiek doel, namelijk het voor eens en voor altijd veiligstellen van de dominantie van een stadsstaat in een bepaald gebied.

Doctor Tokovinine neemt foto's van een gebroken en verbrande stèle in Witzna. Francisco Estrada-Belli/Tulane University

30 cm dikke laag houtskool

Het bewijs dat een team onderzoekers van de University of California, Berkeley (UC Berkeley), de Tulane University, de University of Alabama en de US Geological Survey (USGS) gevonden hebben, is een 30 centimeter dikke laag houtskool in de sedimenten van een meer, Laguna Ek'Naab, in het noorden van Guatemala, vlakbij de verlaten Maya-stad Witzna.

Het is een aanwijzing voor enorme branden in Witzna en in de omgeving, en de sporen van de brand waren veel uitgebreider dan de overblijfselen van andere, natuurlijke branden die vastgelegd waren in de sedimenten. 

De laag houtskool dateert van tussen 690 en 700 n.C., in het midden van de klassieke periode van de Maya-cultuur, en ze wijst erop dat de Maya's zelfs op het hoogtepunt van hun beschaving, een tijd van voorspoed en artistieke verfijning, militaire campagnes voerden waarbij ze de tactiek van de verschroeide aarde toepasten, een strategie waarbij alles wat bruikbaar is vernietigd wordt, ook velden en landbouwgrond met gewassen. 

De datering van de laag valt precies samen met de datum - 21 mei 697 n.C. - van een 'brandcampagne' die vermeld staat op een stenen stèle in een rivaliserende nabijgelegen stad, Naranjo. 

"Dit is echt de eerste keer dat de geschreven geschiedenis verbonden is aan een gebeurtenis in de paleo-data in de Nieuwe Wereld", zei David Wahl, een geograaf aan de UC Berkeley en bij de USGS en een van de auteurs van de studie. 

"In de Nieuwe Wereld zijn er zo weinig geschriften, en wat bewaard is, staat meestal op stenen monumenten. Dit is een uniek geval omdat we in staat waren deze gebeurtenis te identificeren in het sedimentenbestand, en dat we kunnen verwijzen naar een geschreven stuk, meer in het bijzonder deze Maya-hiërogliefen, en dat we kunnen concluderen dat het gaat om dezelfde gebeurtenis", zo zei hij in een persbericht van UC Berkeley. 

David Wahl en Lysanna Anderson van de USGS verzamelen met de hulp van een plaatselijke assistent sedimentkernen uit de bodem van Laguna Ek'Naab vanop een opblaasbaar platform. Al het onderzoeksmateriaal moest 2 kilometer over een steil pad door de jungle naar het meer gedragen worden. Francisco Estrada-Belli/Tulane University

Zoals Carthago en Troje

Wahl werkte samen met USGS-collega Lysanna Anderson en archeoloog Francisco Estrada-Belli van de Tulane University om 7 meter lange sedimentkernen uit de bodem van het meer te halen. 

Laguna Ek'Naab is zo'n 100 meter lang, en het ligt aan de basis van het plateau waar de Maya-stad Witzna ooit bloeide. Het meer heeft gedurende duizenden jaren sedimenten van de stad en de omliggende velden opgevangen. Nadat ze de houtskoollaag gevonden hadden, onderzochten de archeologen een groot deel van de tot ruïnes vervallen monumenten van Witzna die nog in de jungle te vinden zijn, en ze vonden bij al de monumenten bewijzen voor brand. 

"Wat we hier zien, is dat het erop lijkt dat ze de hele stad in brand hebben gestoken, en zelfs de hele waterscheiding", zei Wahl. "Vervolgens zien we een grote daling van de menselijke activiteit, wat minstens doet vermoeden dat de bevolking zwaar getroffen werd. We kunnen niet te weten komen of iedereen gedood werd, of dat ze verdreven werden of eenvoudigweg weggetrokken zijn, maar wat we wel kunnen zeggen is dat de menselijke activiteit onmiddellijk na de gebeurtenis erg spectaculair is afgenomen." 

Dit ene voorbeeld bewijst niet dat de Maya's zich gedurende de hele duur van 650 jaar lange klassieke periode te buiten zijn gegaan aan extreem gewelddadige oorlogsvoering, zei Estrada-Belli, maar het past wel bij een groeiend aantal aanwijzingen voor oorlogszuchtig gedrag gedurende die periode: massagraven, versterkte steden en grote staande legers. 

"We zien verwoeste steden en gehervestigde mensen die lijken op wat Rome met Carthago gedaan heeft, of Mycene met Troje", zei Estrada-Belli. 

En als 'totale oorlogsvoering' al algemeen voorkwam op het hoogtepunt van de beschaving van de laagland-Maya's, dan is het onwaarschijnlijk dat ze de oorzaak geweest is van de ineenstorting van de beschaving, zo zeggen de onderzoekers.

"Deze gegevens plaatsen vraagtekens bij een van de dominante theorieën over de ineenstorting van de Maya's", zei Wahl in de persmededeling van UC Berkeley. "De bevindingen doen de theorie teniet dat de oorlogsvoering slechts erg laat zeer intens werd."

"Gebaseerd op deze bewijzen denk ik dat de theorie niet langer leefbaar is dat een veronderstelde verschuiving naar totale oorlogsvoering een van de belangrijkste factoren was in de teloorgang van de klassieke Maya-beschaving", voegde Estrada-Belli daar aan toe. "We moeten de oorzaak van de ineenstorting opnieuw bekijken, omdat we niet op de juiste weg zitten met oorlogsvoering en klimaatverandering."  

Een gebroken stèle uit Witzna die sporen van brand vertoont. Francisco Estrada-Belli/Tulane University

Bahlam Jol

De Maya-beschaving is meer dan 4.000 jaar geleden ontstaan, en de Klassieke Periode van 250 tot 950 n.C. wordt gekenmerkt door wijdverspreide monumentale architectuur en urbanisatie, zoals bijvoorbeeld de steden Tikal in Guatemala en Dzibanché in Yucatan in Mexico. 

Stadstaten - onafhankelijke staten bestaande uit steden en de omliggende gebieden - werden geregeerd door dynastieën die, zo dachten de archeologen, allianties met elkaar aangingen en oorlogen voerden zoals de stadstaten uit de Renaissance in Italië, oorlogen die de edellieden troffen zonder dat ze een grote impact hadden op de bevolking. 

De meeste archeologen namen aan dat de onafgebroken oorlogsvoering die losbarstte op het einde van de klassieke periode, tussen 800 en 950 n.C., waarschijnlijk wegens een klimaatverandering, de belangrijkste oorzaak was van de ondergang of achteruitgang van Maya-steden in het huidige El Salvador, Honduras, Guatemala, Belize en Zuid-Mexico. 

Toen Wahl, Anderson en Estrada-Belli in 2013 de dikke houtskoollaag in Laguna Ek'Naab ontdekten, stonden ze dan ook voor een raadsel. De onderzoekers hadden de sedimentkernen uit de bodem gehaald om gegevens te verkrijgen over het veranderende klimaat in Centraal-Amerika. Ze hoopten die verandering in verband te brengen met veranderingen in de menselijke bewoning en het verbouwen van voedsel. 

De puzzel bleef onopgelost tot 2016, toen Estrada-Belli en Mayaschrift-specialist Alexandre Tokovinine een cruciaal bewijsstuk vonden in de ruïnes van Witzna: een embleemglief of stadszegel die Witzna identificeerde als de oude Mayastad Bahlam Jol.

Tokovinine doorzocht een gegevensbank met namen die vermeld staan in Maya-hiërolgliefen, en hij vond de naam in een "oorlogsverklaring" op een stèle in de naburige stadstaat Naranjo, zo'n 32 kilometer ten zuiden van Bahlam Jol/Witzna. 

Dit lidar-beeld toont een piramide aan de oostelijke kant van Witzna. De versterkte heuvel in de stadstaat werd in de as gelegd in de klassieke periode van de Maya-beschaving. Francisco Estrada-Belli/Tulane University/PACUNAM

"Bahlam Jol brandde voor de tweede keer"

De verklaring op de stèle luidt dat op de dag "... 3 Ben, 16 Kasew ('Sek'), Bahlam Jol 'brandde' voor de tweede keer". 

Volgens Tokovinine is de connotatie van het woord 'brandde" of puluuy in de Maya-taal, altijd al onduidelijk geweest, maar de datum 3 Ben, 16 Kasew in de Mayakalender of 21 mei 697, verbindt het woord duidelijk met totale oorlogsvoering en de verwoesting door de verschroeide aarde-tactiek van Bahlam Jol/Witzna.

In dezelfde oorlogsverklaring zijn er drie andere vermeldingen van puluuy of 'branden', en die slaan op de steden Komkom, vandaag bekend als Buenavista del Cayo, K'an Witznal, nu Ucanal, en K'inchil, waarvan de huidige locatie onbekend is. Ook deze steden werden misschien gedecimeerd als het woord puluuy in al de vermeldingen dezelfde extreme oorlogsvoering beschrijft.

Het de eerste keer in brand steken van Bahlam Jol/Witzna dat vermeld wordt op de stèle, kan ook aanwijzingen hebben nagelaten in de sedimentkernen uit het meer - er zijn drie andere duidelijke houtskoollagen bovenop die uit 697 n.C. - maar de datum van die eerdere brand is niet bekend. 

Maya-archeologen hebben de plaatselijke geschiedenis voor een deel gereconstrueerd, en het is geweten dat de verovering van Bahlam Jol/Witzna in gang is gezet door een koningin van Naranjo, Lady 6 Sky. Die trachtte haar dynastie opnieuw op de kaart te zetten nadat de stadstaat weggedeemsterd was en al zijn bezittingen had verloren. 

Ze plaatste haar zevenjarige zoontje op de troon en begon vervolgens militaire campagnes tegen al de rivaliserende steden die in opstand waren gekomen tegen de lokale hegemonie van Naranjo, zei Estrada Belli.

"Er werd opgetekend dat haar zoon, de koning, de strafexpeditie had ondernomen, maar we weten dat zij het in werkelijkheid was", zo zei hij. 

De enorme brand betekende echter niet het einde van Bahlam Jol/Witzna. De stad herleefde tot op zekere hoogte, met een verminderde bevolking, zoals blijkt uit de sedimentkernen. En de embleemglief werd gevonden op een stèle die rond 800 n.C. opgericht werd, honderd jaar na de verwoesting van de stad. De stad werd uiteindelijk verlaten rond 1000 n.C, zoals wel meer steden in het gebied. 

De studie van Wahl en het team is gepubliceerd in Nature Human Behaviour. Dit artikel is gebaseerd op persberichten van de University of Alabama en de University of California, Berkeley.  

Een kaart van oude Mayasteden in Guatemala, met Witzna bovenaan rechts nabij de grens met Belize.