Een voorstelling van een sabeltandkat en twee reuzenwolven die vechten om een mammoet die in een teerput is gestorven. Robert Bruce Horsfall/Public domain

Tanden van roofdieren in de La Brea-teerputten verklaren waarom er nu nog poema's leven en geen sabeltandkatten

Het meest gedetailleerde onderzoek tot nu toe van oude roofdieren die vast zijn komen te zitten in de La Brea-teerputten, biedt een verklaring waarom er momenteel nog poema's en coyotes leven in de VS en geen sabeltandkatten of reuzenwolven. De soorten waarvan er nu nog nakomelingen leven, waren beter in staat om hun dieet aan te passen aan de veranderende klimaatsomstandigheden en de komst van de mens dan de soorten die uitgestorven zijn, zo blijkt uit nauwgezet onderzoek van hun tanden.   

De La Brea-teerputten zijn een bijzondere fossielenvindplaats in Los Angeles, waar natuurlijk asfalt aan de oppervlakte komt en poelen vormt. In de putten zijn de afgelopen 50.000 jaar paarden, bizons en kamelen vast komen te zitten, en roofdieren hebben geprobeerd om die op te eten, waardoor ze op hun beurt ook vast kwamen te zitten. In de putten zitten dan ook talloze fossielen - meer dan 3,5 miljoen specimens van meer dan 600 verschillende soorten zijn al opgegraven - van al de dieren die er in de loop van de tijd in verzonken zijn. Er zijn minder roofdieren dan prooidieren en fossielen van roofdieren zijn dan ook veel zeldzamer dan van prooidieren. In de La Brea-teerputten behoort evenwel 90 procent van de beenderen van zoogdieren tot de vleeseters. 

Die fossielen bieden een zeer goede gelegenheid om meer te weten te komen over roofdieren uit de IJstijd, die te maken kregen met klimaatverandering. Het Pleistoceen is een tijdvak dat loopt van 2,6 miljoen jaar geleden tot zo'n 10.000 jaar geleden, en het omvat verschillende glacialen of ijstijden en interglacialen met een gematigd warm klimaat, en tegen het einde van de periode verschijnt de mens in het natuurlijk milieu van de dieren in Noord-Amerika. Door een van die factoren, de klimaatverandering of de komst van de mens, of door beide samen, waren de roofdieren verplicht om hun dieet aan te passen of uit te sterven.

Paleontoloog en hoogleraar biologische wetenschappen Larisa DeSantis van de Vanderbilt University bezocht tijdens haar jeugd de La Brea-teerputten, en de laatste tien jaar heeft ze er de tanden bestudeerd van uitgestorven soorten als de enorme Amerikaanse holenleeuw, de sabeltandkatten en de reuzenwolf, en tanden van soorten waarvan de nakomelingen nu nog in de VS voorkomen, zoals grijze wolven, poema's en coyotes.

Een van de teerputten van La Brea, met een model van een mammoet die erin is vastgeraakt. Jon Sullivan/Public domain

Katten en honden

Om de oude roofdieren te bestuderen, maakt DeSantis afdrukken van de tanden en schaaft ze er kleine stukjes glazuur af voor chemische analyse. In de isotopen - atomen van een bepaald element met een verschillend aantal neutronen - in het glazuur zit informatie over alles wat het dier gegeten heeft, zo zei DeSantis, en microscopische slijtagepatronen op de tanden kunnen duidelijk maken welk dier er vlees at en welk dier er als aaseter zich tegoed deed aan botten. 

Uit haar werk bleek dat competitie voor prooien tussen de vleeseters geen waarschijnlijke oorzaak is van het uitsterven van de megafauna - de grote dieren als holenleeuwen, die een kwart groter waren dan de huidige leeuwen, reuzenwolven en sabeltandkatten -, zoals vroeger gedacht werd. Dat komt omdat, zoals honden en katten nu, de ene soort verkoos planteneters achterna te zitten in de open velden, terwijl de andere hen liever besloop in beboste gebieden.

"Uit isotopen uit de beenderen was eerder afgeleid dat de diëten van sabeltandkatten en reuzenwolven elkaar volledig overlapten, maar de isotopen uit de tanden vertellen een heel ander verhaal", zei DeSantis in een persmededeling van de Vanderbilt University.

"De katten, waaronder de sabeltandkatten, de holenleeuwen en de poema's, joegen op prooien die de bossen verkozen, terwijl het de reuzenwolven waren die zich blijkbaar specialiseerden in dieren die zich in de open vlakten voedden, zoals bizons en paarden. Hoewel er misschien wel een beetje overlapping kan geweest in de dieren waarmee de dominante roofdieren zich voeden, joegen katten en honden grotendeels op een verschillende manier."

Een illustratie van het jachtgedrag van de vleeseters uit La Brea, met sabeltandkatten die in het bos een tapir hebben gedood, reuzenwolven die bisons achternazitten in het open grasland, en een coyote die alles een beetje zit aan te zien op de grens tussen bos en open land. Mauricio Antón

Oorzaak van het uitsterven

Het is waarschijnlijk dat de reuzenroofdieren uitgestorven zijn door de klimaatverandering, de aankomst van de mens in hun leefmilieu, of een combinatie van de twee, zo zei DeSantis. Ze verricht onderzoek met verschillende collega's uit zes verschillende instituten om de oorzaak van het uitsterven op te helderen, als onderdeel van een aparte, nog lopende studie.

Wat ze wel weten is dat de roofdieren die vandaag nog in leven zijn in de Amerika's, beter in staat waren om hun dieet aan te passen. In plaats van zich uitsluitend te voeden met grote prooien, konden zij met succes jagen op kleine zoogdieren, van karkassen die achtergelaten waren door andere roofdieren, afhalen wat ze konden of beide zaken combineren.

Poema's bleken zowel vlees te eten van prooien die ze waarschijnlijk zelf gevangen hadden, als beenderen van prooien van andere roofdieren, terwijl de holenleeuwen voornamelijk (taai) vlees aten. Coyotes zijn nu zeer opportunistisch: ze vangen zelf kleine prooien en gaan met stukken van grotere prooien van andere roofdieren aan de haal, en mogelijk hebben ze hun dieet gewijzigd na het uitsterven van de grote roof- en prooidieren.   

"Wat ook opwindend is aan dit onderzoek, is dat we daadwerkelijk naar de consequenties van het uitsterven kunnen kijken", zei DeSantis. "De dieren die we nu beschouwen als de toppredatoren in Noord-Amerika - poema's en wolven - waren maar miezerig tijdens het Pleistoceen. En toen de grote roofdieren uitstierven, net zoals de grote prooien, waren deze kleinere dieren in staat om voordeel te halen uit de uitsterving en de dominante toppredatoren te worden."

De studie van DeSantis en collega's van het museum in La Brea en van andere universiteiten is gepubliceerd in Current Biology. Dit artikel is gebaseerd op een persbericht van Vanderbilt University. 

Larisa DeSantis geeft uitleg over haar onderzoek.

Een bel methaangas stijgt op uit het asfalt in een van de putten. Daniel Schwen/Wikimedia Commons/CC BY-SA 2,5