50 jaar Woodstock: dag 4, einde in mineur én begin van de legende

Woodstock bleef tot op het eind een vrolijke chaos. Pas op maandag 18 augustus 1969, een halve dag later dan gepland, liep het festival tegen 11 uur ’s morgens af met een memorabel optreden van Jimi Hendrix. Toen hij aantrad had meer dan de helft van de bezoekers de festivalweide al verlaten. Een einde in mineur, zo herinnert muzikant Jan Leyers zich, die pas 4 jaar later als zestienjarige de film over Woodstock zag. Maar Woodstock hield voor hem wel "de belofte van vrijheid en avontuur" in. “Het paradijs bestaat”, besloot hij destijds. Of hoe Woodstock een legende werd.

Door de hevige regenbui op zondag had het programma drie uur stilgelegen, en maandagochtend om halftwee ’s ochtends stonden er nog vijf bands te wachten om het podium te betreden. Dus liep het festival nog een halve dag uit, ook al was de uittocht van het publiek al op gang gekomen. Na Blood, Sweat & Tears volgden om 3 uur ’s ochtends Crosby, Stills, Nash & Young, die een akoestische én een elektronische set speelden. Bij het ochtendgloren om zes uur was het de beurt aan de Paul Butterfield Blues Band, en nog eens anderhalf uur later mochten de vrolijke cowboys van Sha Na Na aantreden. 

En om 9 uur trad dan eindelijk de laatste act aan, maar wat voor één: Jimi Hendrix met zijn gelegenheidsband Gypsy Sun & Rainbows. Hendrix was ook de duurste vogel. Zijn langgerekte versie van het Amerikaanse volkslied werd legendarisch. Bij momenten was de klank zo vervormd dat je er het geluid van bommen en raketten in kon horen. Dat werd gezien als een striemende aanklacht tegen de oorlog in Vietnam.

Na twee uur optreden met als bisnummer "Hey Joe" klapte Hendrix totaal uitgeput in elkaar. Op dat ogenblik stonden er misschien nog maar 30.000 toeschouwers te luisteren tussen de troosteloze hopen achtergelaten vuilnis…

Op het moment dat Woodstock in volle gang was, was Jan Leyers – de latere helft van Soulsister – een vlijtige scholier op het Onze-Lieve-Vrouwecollege van Antwerpen, en mijn schoolgenoot. (Wist hij veel dat een van de organisatoren van Woodstock later zijn producer zou worden.)  We waren toen allebei 11 jaar. En we hadden geen flauw idee van wat er zich op die verre festivalweide ergens aan de andere kant van de oceaan afspeelde. Maar daar zou verandering in komen. Woodstock werd een begrip, en de legende bereikte onstuitbaar ook de scholieren van een jezuïetencollege in Vlaanderen. 

Dat kwam vooral door de film over Woodstock. Die ging op 4 september 1970, een goed jaar na het festival dus, in Belgische première in Oostende. In Nederland was hij al op 25 juni in première gegaan -  de Nederlanders waren altijd wat alerter als het over hippies ging. Een documentaire over het voor die tijd bizarre fenomeen van een hippiefestival, dat ging ook op tv niet onopgemerkt voorbij. Toen de film op het festival van Cannes getoond werd, besteedde Roland Lommé er in zijn filmprogramma “Première Magazine” een kwartier aan. Een bezadigde bijdrage, waarin mogelijk choquerende beelden zorgvuldig weggeknipt waren. 

BELGA/VANLATHEM

Maar in december was Woodstock ook een item waard in het Jaaroverzicht 1970. Dat werd gemaakt door de nieuwsredactie, en die waren niet zo kleinzerig. Jan Leyers ziet de journaalbeelden van toen met fragmenten uit de film nog voor zich:

“De film zelf heb ik pas een paar jaren later gezien in een jeugdclub, toen was ik al zestien of zo. Maar ik herinner me nog goed de eerste nieuwsbeelden van Woodstock op de televisie. Plots waren er hippies op dat scherm te zien, en halfnaakte mensen, en blote vrouwen in een vijvertje. En wat ik me daarbij vooral herinner is de ontzetting daarover op het gezicht van mijn ouders. Naakt op tv!”

Zie hieronder het fragment over Woodstock uit het Jaaroverzicht van 1970.

Video player inladen...

Eigenlijk wist de oudere generatie zich geen raad met Woodstock, mei ’68 en al die contesterende jongeren. Ze hadden op de puinhopen van de oorlog een nieuwe welvaartsmaatschappij opgebouwd met haast onbegrensde consumptiemogelijkheden, maar de jongeren wezen die af. Ze hadden lak aan discipline en werkijver, verzetten zich tegen elke vorm van gezag en eisten vrije liefde, seks, drugs & rock ’n roll. Het was onbegrijpelijk en wraakroepend. 

Zelf wist ik me als twaalfjarige ook niet goed raad met Woodstock. Die boodschap van Peace & Love, dat klonk wel aanlokkelijk voor een brave schooljongen op een katholiek college. Maar de muziek vond ik erg verwarrend. De folk van Joan Baez, ja, dat sloot nog goed aan bij het idealisme en het milde protest dat ik kende van onze eigen kleinkunstzangers of van Boudewijn De Groot. En The Who, dat speelden ze ook op de top-30 van Radio 2, dus dat was ook vertrouwd. 

Maar wat moest je denken van die rare Joe Cocker, die stond te krijsen en daarbij spastische bewegingen maakte alsof hij net een epilepsieaanval had gekregen? Dat was een beetje angstaanjagend. En die al even rauwe psychedelische Jimi Hendrix, die even later, op zijn 27e, dan nog eens doodging aan een overdosis slaappillen? 

Joe Cocker op Woodstock, 1969 GAMMA-RAPHO

Bij mijn klasgenoot Jan Leyers staan de herinneringen aan de muziek van Woodstock niet vooraan, zijn grote held was toen Eric Clapton. Maar wat hem vooral bijbleef was de onvergelijkbare sfeer van Woodstock.

Jan Leyers: “Voor mij ging van Woodstock een soort lokroep uit. De belofte van vrijheid en avontuur: onweerstaanbaar! Toen was een popfestival nog een vrijplaats, zonder regels. En voor mij was de boodschap: de ontsnapping uit school, kerk en kazerne is mogelijk. Eten, drinken, smoren wat je wil, het kan. Het paradijs bestaat."

"Het contrast met nu kan trouwens niet groter zijn. Vandaag is er geen plek zo gereglementeerd als een popweide. Het is net zoals de security op Zaventem, maar dan veel duurder.”

“Van de film herinner ik me nog dat die eigenlijk het hoogtepunt van een tijdperk toonde, maar tegelijkertijd ook het begin van de zwanenzang. Ik herinner me nog de beelden van medeorganisator Michael Lang die door het beeld rijdt op zijn brommer, met zijn schapenwollen vest aan, één en al “eagerness”. Maar ook de beelden aan het eind, toen Jimi Hendrix misschien nog voor tachtig man stond te spelen, en die lege wei vol vuilnis… Je zag dat een tijdperk zich aan het afsluiten was. Je ging na die film niet “elated” naar huis. Het was geen grote finale zoals bij “Hair” of “Jesus Christ Superstar”. 

Michael Lang, medeorganisator Woodstock, 1969. En later twee jaar manager van Soulsister. Copyright 2009 Patricia Freed Ackerman

Jan Leyers: “Tussen haakjes: die Michael Lang was de producer van Joe Cocker, en via via is hij ook onze producer geworden, van Soulsister, twee jaar lang. Hij is het die ons in het voorprogramma van Sting gekregen heeft, hij heeft veel deuren geopend voor ons.”

Dat Jan Leyers Woodstock destijds als een toonbeeld van bevrijding ervaarde, mag geen wonder heten. De wereld van scholieren – uitsluitend jongens – op een jezuïetencollege in de jaren 60-70 was streng gereglementeerd. Wij droegen nog een uniform. Op allerlei vergrijpen stonden strafstudies, waarbij je na schooltijd moest nablijven om ellenlange bladzijden straf te schrijven. 

Zie hieronder: Klasfoto van de vijfde Latijn-Griekse 1970 van het Onze-Lieve-Vrouwecollege in Antwerpen.

Maar vreemd genoeg was de reactie van de paters en de leraren op Woodstock erg gematigd. Over drugs en vrije seks bestond natuurlijk geen discussie, dat was vanzelfsprekend verderfelijk. Ik herinner me nog een schoolreis naar Tongeren. ’s Middags gingen we in een café onze meegebrachte boterhammetjes opeten, en bij wijze van baldadige grap had een van ons een muntje in de jukebox gestoken, waarna de schandaalhit “Je t’aime… moi non plus” van Serge Gainsbourg en Jane Birkin door het café schalde (waarin de suggestie wordt gewekt dat het tijdens de liefdesdaad is opgenomen). Het kwam de arme jongen op drie strafstudies te staan. 

Maar de boodschap van vredevol samenleven en onderlinge solidariteit had blijkbaar genoeg overeenkomsten met de christelijke evangelische waarden. En verzet tegen zinloos gezag, bij de jezuïetenpaters kon dat stilzwijgend op enige sympathie rekenen. Over een streepje bloot waren de paters ook merkwaardig breeddenkend, dat passeerde vaak genoeg kritiekloos in films die ze zelf voor de leerlingen vertoonden in hun Filmforum. 

Maar voor één ding waren de paters onverbiddelijk, dat kon onder geen beding door de beugel: lang haar. Elke leerling die met lang haar aan de schoolpoort verscheen werd onmiddellijk teruggewezen en mocht pas weer binnen als hij naar de kapper was geweest. 

Lang haar. Absoluut verboden op een Jezuïetencollege anno 1970. Copyright 2009 Pat Ackerman

Jan Leyers: “Ik herinner me nog goed dat de pif (het koosnaampje voor Pater Prefect, nvdr) me op de speelplaats tegenhield, toen hij gemerkt had dat mijn haar tot in mijn nek gegroeid was. Hij haalde 35 frank uit zijn zak en gebood me stante pede naar de kapper te gaan.” 

(Groot was dan ook de hilariteit toen de nietsvermoedende jonge pater Jan Hansen voor het eerst op onze speelplaats verscheen, waarschijnlijk recht van het noviciaat. Zijn blonde lokken hingen tot óver zijn nek. Dat duurde maar één dag. De volgende ochtend had hij een gemillimeterde coupe. Het gegniffel onder de leerlingen was niet van de lucht, dat was dé mop van het jaar.)

Wat me ook zal bijblijven is de reactie van mijn moeder op Woodstock. Ze had een recensie van de film gelezen in haar lijfblad De Standaard. Tot mijn stomme verbazing kondigde ze aan dat ze samen met een tante van me naar de film ging kijken. Ze vond dat ze als vrouw van haar tijd op de hoogte moest zijn van wat er leefde onder de jonge generatie, zei ze.  

Lees verder onder de filmaffiche.

Ik zie ze nog vertrekken, mijn moeder en mijn tante, allebei met een groene loden jas aan. Het moet een mooi gezicht geweest zijn, die twee burgerlijke dames van middelbare leeftijd tussen al dat jonge geweld in cinema Rubens in Antwerpen. 

“En?” vroeg ik nieuwsgierig, toen ze weer thuiskwam. “Ja, ...” zei ze bedachtzaam, “Ja... Ik kan daar wel inkomen.” Ik wist niet wat ik hoorde. De muziek had ze natuurlijk voor het merendeel afgrijselijk gevonden. Maar de eenvoud, de soberheid en het idealisme van de hippies hadden blijkbaar wel een snaar geraakt. 

Lees verder onder de foto.

Toen vertelde ze over een scène in de film die haar het meest was opgevallen. Toen de wolkbreuk over de wei van Woodstock losbarstte, hadden een paar jongeren al hun kleren uitgetrokken en ergens opgeborgen. “Zo konden ze hun kleren droog houden” legde mijn moeder uit. “Maar dan waren ze helemaal bloot?” vroeg ik verbaasd. “Jaja, ze stonden bloot voor de camera te antwoorden op de vragen, op hun dooie gemak”, zei mijn moeder. “En wat vond je daarvan?” vroeg ik. “Ja…” zei mijn moeder nog even bedachtzaam, “ja... ik kon daar wel inkomen.”

Toen wist ik helemaal niet meer hoe ik het had. Hoe verwarrend ook, één ding was duidelijk: Woodstock was de definitieve aankondiging van andere tijden. De legende was geboren, ook voor mij.