5 recepten om de Vlaamse werkzaamheidsgraad naar 80 procent te brengen

Een werkzaamheidsgraad van 80 procent is een concrete doelstelling uit de startnota waar formateur Jan Jambon (N-VA) een Vlaamse regering rond vormt. Volgens professor arbeidseconomie Stijn Baert is het bijzonder ambitieus maar tegelijk noodzakelijk. Hij doet de regeringsonderhandelaars vijf recepten aan de hand om dit doel te realiseren.

opinie
BAHNMULLER FRANK
Stijn Baert
Stijn Baert is professor arbeidseconomie aan de Universiteit Gent en Universiteit Antwerpen

Haast alles kan een arbeidseconoom gelukkig maken, een zingende merel werkt niet, maar de geur van de zee kan volstaan. Wat ook zeker volstond voor een vreugdedansje bij mij en enkele collega’s, was de heldere doelstelling van een Vlaamse werkzaamheidsgraad van 80 procent op de eerste pagina van de startnota van informateur Bart De Wever.

Juiste doelstelling

Het is immers een heel juiste doelstelling. De werkzaamheidsgraad geeft aan welk percentage van de bevolking tussen de 20 (of 25) en 64 jaar aan het werk is. Met andere woorden: hoeveel sterke schouders er zijn om het resterende percentage aan niet-werkenden te ondersteunen. Het is een eenvoudige indicator, maar dé graadmeter voor de performantie van onze arbeidsmarkt.

De doelstelling om deze werkzaamheidsgraad naar 80 procent op te drijven is niet nieuw. Geert Bourgeois sprak deze ambitie reeds uit tijdens zijn 11 juli-toespraak in 2017. Het cijfer is dan ook niet onlogisch: in de Scandinavische landen, maar ook in Nederland en Duitsland, werkt effectief 8 op de 10 personen op arbeidsleeftijd. Willen we Vlaanderen een Noord-Europese regio kunnen noemen, dan moeten we ook die richting uit.

Ten slotte is deze ambitie juist omdat, bij wijze van spreken, alle andere regels in de startnota door deze ambitie zullen moeten betaald worden. Meer werkenden zorgt voor minder uitgaven én meer inkomsten. Meer sterke schouders betekent beter voor wie onze hulp nodig heeft kunnen zorgen.

Het cijfer is niet onlogisch: in de Scandinavische landen, maar ook in Nederland en Duitsland, werkt effectief 8 op de 10 personen op arbeidsleeftijd

Ambitieuze doelstelling

Een werkzaamheidsgraad van 80 procent realiseren tegen het einde van de regering-Jambon is tegelijk bijzonder ambitieus. Aangezien de huidige Vlaamse werkzaamheidsgraad ongeveer 75 procent is, zou het een stijging met 5 procentpunt betekenen. Als je dan weet dat onder de regering-Bourgeois, die volgens mij best een goed parcours reed qua arbeidsmarktbeleid, de werkzaamheidsgraad met “slechts” 2.5 procentpunt steeg, dan is meteen duidelijk dat de 80 procent werkzaamheidsgraad zichzelf niet realiseert.

Een ambitieus beleid vraagt ambitieuze maatregelen. Ik geef de onderhandelaars graag vijf pistes mee.

Maatregel 1: Voer een jobkorting in
Van de 25 procent Vlamingen op arbeidsleeftijd die niet werken, is slechts een tiende werkloos (en dus op zoek naar een baan). De anderen zijn inactief: zij hebben geen baan maar zoeken er ook geen. Enkel door ook hen richting de arbeidsmarkt te verleiden, komt de 80 procent werkzaamheidsgraad in zicht.

Kosten voor kinderopvang kunnen gezinnen doen overwegen om niet met twee voltijds te gaan werken

Dat kan, bijvoorbeeld, door de Vlaamse jobkorting die bestond tot 2010 opnieuw in te voeren, zoals verschillende van de sociale partners bepleiten. Maar dan wel enkel voor degenen met een laag brutoloon. Het is niet door de VRT-schermgezichten en professoren meer nettoloon te bieden dat we de werkzaamheidsgraad gaan optrekken.

Maatregel 2: Investeer in kinderopvang
Wanneer sommigen ervoor kiezen om thuis “anders actief” te zijn in plaats van uit werken te gaan, dan heeft dat niet enkel te maken met het feit dat verschil tussen een uitkering en een loon voor hen vrij beperkt is, maar ook met de indirecte kosten die werken met zich meebrengt. 

Ik geloof dat we vrijwilligerswerk door werklozen moeten stimuleren als springplank naar werk

Kosten voor kinderopvang kunnen gezinnen doen overwegen om niet met twee voltijds te gaan werken. Daarom is het belangrijk ook de kinderopvang op Noord-Europese leest te schoeien. Goedkopere crèches, met flexibelere uren om kinderen te brengen en te halen, het is niet enkel een sociaal en opvoedkundig verhaal, maar ook een arbeidsmarktverhaal. Waarom ook in de crèche geen jobkorting? En waarom kinderopvang eens geen legislatuur in de portefeuille van de minister van werk stoppen om te komen tot een goede afstemming?

Maatregel 3: Zo snel mogelijk werklozen activeren
Een deel van de inactieven in ons land en onze regio zijn zogenoemde “ontmoedigde werklozen”. Zij hebben een hele tijd hun best gedaan om een nieuwe baan te vinden, maar het finaal opgegeven. We weten uit recent wetenschappelijk onderzoek dat hoe langer men werkloos is, hoe moeilijker het wordt om een baan te vinden. 

Laat een centrale instantie in Vlaanderen, bijvoorbeeld de VDAB, alle niet-werkenden monitoren

In die optiek is het goed dat onder de regering-Bourgeois werd afgesproken dat iedereen die werkloos wordt binnen de zes weken een gesprek met een VDAB-medewerker heeft. Dat is logisch en goed, maar voor sommige groepen werklozen moet het misschien nog sneller gebeuren. Verder moet ook het systeem van doorverwijzing, waarbij werkgevers zien dat kandidaten door de VDAB gestuurd zijn, wat bij hen tot de perceptie van lagere motivatie lijkt te leiden, herbekeken worden.

Ook geloof ik dat we vrijwilligerswerk door werklozen moeten stimuleren als springplank. Nu laat de VDAB amper of niet toe dat werklozen vrijwilligerswerk doen, terwijl we uit recent onderzoek weten dat werkgevers vrijwilligerswerk op het cv als een zeer grote troef zien.

Maatregel 4: Introduceer een centrale arbeidsmarktregisseur
Zoals eerder aangegeven, is het belangrijk dat we ons activeringsbeleid niet enkel richten op wie nu al een baan zoekt, maar ook op inactieven. Een belangrijke categorie wat dat betreft, zijn leefloners. De mate waarin zij momenteel naar de arbeidsmarkt begeleid worden, hangt af van het ambitieniveau en de capaciteit op gemeentelijk niveau. 

Het federale niveau zal een complementair beleid moeten voeren

Mijns inziens zou het logischer zijn een centrale instantie in Vlaanderen, bijvoorbeeld de VDAB, alle niet-werkenden, dus zowel werkzoekenden als inactieven, te laten monitoren. Dat betekent niet dat deze instantie meteen ook alle activeringstaken voor inactieven moet overnemen, maar wel dat ze kan fungeren als een “front desk”, die ervoor zorgt dat iedereen die naar de arbeidsmarkt kan gebracht worden daar ook daadwerkelijk toe gestimuleerd wordt.

Bovendien zou deze instantie de beste praktijken om leefloners te activeren nog beter moeten ontsluiten en samenwerkingsverbanden tussen kleinere gemeenten nog beter moeten faciliteren.

Maatregel 5: Meer bevoegdheden voor Vlaanderen?
Garandeer ik dat Vlaanderen, wanneer het bovenstaande maatregelen neemt, automatisch bij de 80 procent werkzaamheidsgraad terechtkomt? Niet noodzakelijk. De economische conjunctuur is sowieso een bepalende factor.

Maar mogelijk nog belangrijker: het federale niveau zal een complementair beleid moeten voeren. Door ook in de pensioenopbouw werken meer te laten lonen, bijvoorbeeld door Belgen na langdurige ziekte beter te re-integreren en door de werkloosheidsuitkeringen activerender te maken.  

Gegeven de verschillende realiteiten die de arbeidsmarkt in de Belgische gewesten vormen en een verschillende arbeidsmarktvisie boven en beneden de taalgrens, is het onduidelijk of een dergelijk coherent beleid mogelijk is. Alleszins is de niet-homogene bevoegdheidsverdeling rond werk weinig productief – sommigen zullen zich vast heroïsche discussies tussen Vlaams minister van werk Philippe Muyters (N-VA) en zijn federale evenknie Kris Peeters (CD&V) herinneren.

Of dit voldoende is om een verdere verschuiving van arbeidsmarktgerelateerde bevoegdheden richting de gewesten na te streven, eventueel via nieuwe resoluties in het Vlaams Parlement, is evenwel een afweging die beter door politici dan door arbeidseconomen gemaakt wordt.

Ik wens hen veel succes om de 80 procent werkzaamheidsgraad om te zetten van woorden naar daden.

Dit opiniestuk is gebaseerd op een beleidsbrief die Stijn Baert schreef voor het vakblad Over.werk.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.