Microscopische eieren van een vissenlintworm (links), Dioctophyme renale (reuzennierworm, midden) en de platworm Echinostoma. Marissa Ledger

Fossiele uitwerpselen tonen aan dat moerasbewoners uit de Bronstijd wormen kregen door hun dieet

De prehistorische bewoners van een nederzetting in de zoetwatermoerassen in het oosten van Engeland waren geïnfecteerd met ingewandswormen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van coprolieten, fossiele uitwerpselen. Ze kregen de wormen door rauwe of te weinig gekookte waterdieren te eten, die ze vingen in de meren en rivieren rondom hun huizen. 

De nederzetting uit de Bronstijd Must Farm ligt nabij wat nu de stad Peterborough is, in veenland in het oosten van Engeland. De nederzetting bestond uit paalwoningen over het water. Houten verhoogde wegen verbonden eilanden in het moeras met elkaar, en de bewoners gebruikten houten uitgeholde kano's om door kanalen in het moeras te varen. 

Het dorp is zo'n 3.000 jaar geleden teloorgegaan in een catastrofale brand, en de overblijfselen van de huizen, samen met voedsel, kledij en juwelen, zijn bewaard gebleven in de modder onder het water. De archeologische site wordt wel het 'Britse Pompeii' genoemd, omdat de overblijfselen uitzonderlijk goed bewaard zijn.

In de modder in de buurt zijn ook met water doortrokken coprolieten of drekstenen gevonden, fossiele uitwerpselen, in dit geval van de mensen die in Must Farm woonden. Die zijn nu verzameld en onderzocht door archeologen van de University of Cambridge. De archeologen gebruikten microscopische technieken om oude eitjes van parasieten op te sporen in de uitwerpselen en het omliggende sediment.  

Een reconstructie van de paalwoningen in de Must Farm-nederzetting. V. Herring/Cambridge Archaeological Unit

Rauwe waterdieren

Over intestinale ziekten in de Bronstijd in Groot-Brittannië is er niet veel geweten. Er is een studie over een nederzetting van landbouwers in Somerset, waar er bewijzen gevonden werden voor rondwormen en zweepwormen. Dat zijn parasieten die verspreid worden door besmetting van voedsel met menselijke uitwerpselen.

De oude uitwerpselen van de bewoners van de moerassen vertellen echter een ander verhaal. "We hebben het vroegste bewijs gevonden voor vissenlintworm, Echinostoma-wormen en de reuzennierworm in Groot-Brittannië", zei de belangrijkste auteur van de nieuwe studie, doctor Piers Mitchell van de afdeling Archeologie van Cambridge. 

"Deze parasieten worden verspreid door het eten van rauwe zeedieren als vissen, amfibieën en weekdieren. Leven over traag stromend water kan de bewoners beschermd hebben tegen sommige parasieten, maar het maakte wel dat ze het risico liepen op andere parasieten als ze vissen of kikkers aten", zo zei Mitchell in een persmededeling van Cambridge. 

Het feit dat de moerasbewoners menselijk en dierlijk afval wegwerkten in het water rond de nederzetting, verhinderde waarschijnlijk een directe besmetting van hun eten, en dus ook infecties, door rondwormen - waarvan de eitjes gevonden zijn in sites uit de Bronstijd in heel Europa. 

Het water in de moerassen zal echter overwegend stilstaand geweest zijn, onder meer door de dichte rietbedden, zodat het afval zich opgehoopt zal hebben in de omringende kanalen. Volgens de onderzoekers vormde dit waarschijnlijk een vruchtbare voedingsbodem voor andere parasieten om de plaatselijke wilde dieren te infecteren, en die - als ze rauw of onvoldoende gekookt werden gegeten - gaven de parasieten dan weer door aan de inwoners van de nederzetting. 

"Het dumpen van uitwerpselen in het zoetwaterkanaal waarin de nederzetting gebouwd was, en de consumptie van waterdieren uit het omliggende gebied, vormde een ideale keten voor infectie met verschillende soorten ingewandsparasieten", zei eerste auteur Marissa Ledger, eveneens van de afdeling Archeologie van Cambridge. 

Een reuzennierworm (Dioctophyme renale) die uit de buikholte van een hond is gehaald. © 2012 Ron Mandsager Photography/Wikimedia Commons/CC BY-SA 3.0

Lintworm van 10 meter lang

Vissenlintwormen kunnen tot 10 meter lang worden, en ze leven opgerold in de ingewanden. Een zware infectie met lintwormen kan leiden tot bloedarmoede. Reuzennierwormen kunnen zowat een meter lang worden. Ze vernielen naarmate ze groter worden gaandeweg de nier, wat leidt tot nierfalen. Echinostoma-wormen zijn veel kleiner, tot 1 centimeter lang. Een erge infectie met de wormen kan leiden tot ontsteking van de darmslijmvliezen. 

"Aangezien het schrift pas eeuwen later in Groot-Brittannië ingevoerd werd door de Romeinen, waren deze mensen niet in staat om op te tekenen wat er met hen gebeurde tijdens hun levens. Dit onderzoek laat ons voor de eerste keer toe om een duidelijk beeld te krijgen van de infectieziekten die de prehistorische mensen die in de moerassen leefden, meegemaakt hebben", zei archeoloog Marissa Ledger.    

Echinostoma-wormen. Centers for Disease Control and Prevention/Public domain

Mensen en honden

Het team uit Cambridge werkte samen met collega's van de Organic Chemistry Unit van de University of Bristol, om uit te maken of de opgegraven coprolieten uit de buurt van de huizen van mensen of dieren afkomstig waren. Het bleek dat sommige ervan van mensen waren, andere van honden. 

"Zowel de mensen als de honden waren besmet met gelijkaardige parasitaire wormen, wat laat veronderstellen dat de mensen hun eten of hun restjes deelden met de honden", zei Ledger in het persbericht. 

Andere parasieten die dieren infecteren, werden eveneens op de site gevonden, waaronder varkenszweepwormen en Capillaria-wormen, kleine wormpjes die meestal in de urineblaas leven. Gedacht wordt dat die afkomstig zijn van consumeren van de ingewanden van gekweekte of gevangen (zoog)dieren. Waarschijnlijk deden deze wormen de mensen geen kwaad. 

Zweepwormen Johann Gottfried Bremser - XIX tabulae : Anatomiam entozoorum illustrantes, congestae, nec non explicatione praeditae/Public domain

Minder parasieten in de loop van de tijd

De onderzoekers vergeleken hun resultaten ook met die van eerdere studies over parasieten zowel in de Bronstijd als in het oudere Neolithicum, de Jonge Steentijd. En de resultaten van Must Farm sluiten aan bij de trend dat er minder soorten parasieten gevonden worden in de nederzettingen uit de Bronstijd dan in die uit het Neolithicum. 

"Onze studie past in het ruimere patroon van een afname van het ecosysteem van de parasieten in de loop van de tijd", zei Piers Mitchell. "Veranderingen in het dieet, de afvalverwerking en de verhoudingen tussen mens en dier gedurende millennia hebben het aantal parasitaire infecties beïnvloed." Hij wees er echter wel op dat infecties door de vissenlintworm die ook in Must Farm gevonden is, recent een heropleving kennen door de populariteit van sushi, gerookte zalm en ceviche, in citroen gemarineerde vis. 

"We moeten nu andere sites in prehistorisch Groot-Brittannië bestuderen, waar mensen er verschillende levensstijlen op na hielden, om ons te helpen begrijpen hoe de manier van leven van onze voorvaderen hun risico op het krijgen van infectieziekten beïnvloedde", zo voegde Mitcell eraan toe. 

De studie van Marissa Ledger, Piers Mitchell en hun collega's van de universiteiten van Cambridge en Bristol is gepubliceerd in Parasitology. Dit artikel is gebaseerd op een persmededeling van de University of Cambridge.

Het centrale deel van de opgraving van Must Farm. De ingestorte nederzetting ligt in de matrix van rivierslib, dat gemaakt heeft dat de vindplaats uitzonderlijk goed bewaard is gebleven. D. Webb/Cambridge Archaeological Unit