Heeft Michel minder bespaard dan Di Rupo? En waar heeft de regering het laten liggen? 5 vragen over het begrotingstekort

De regering-Michel heeft het begrotingstekort vooral kunnen terugdringen door de gunstige conjunctuur en door een aantal meevallers. Zo blijkt uit cijfers van de Nationale Bank. Waardoor is het tekort dan zo sterk gedaald? Vijf vragen over het begrotingstekort.

1. Is het begrotingstekort tijdens de afgelopen regeerperiode gedaald?

Ja. De afgelopen vier jaren is het begrotingstekort in België onmiskenbaar gedaald: van 3,1 naar 0,7 procent van het bruto binnenlands product (BBP). Een daling van 2,4 procentpunten. Op het eerste gezicht heeft de regering-Michel dus geen slecht parcours gereden in de jaren 2014-2018.  

De regering-Di Rupo had het tekort in de drie voorgaande jaren teruggedrongen van 4,2 naar 3,1 procent, maar dat was in minder gunstige tijden: in 2011 was de crisis nog niet helemaal verteerd én na 541 dagen zonder regering moest ons land meer rente betalen op de staatsschuld omdat het vertrouwen in een goede afloop begon te tanen.

Bij het aantreden van de regering-Michel, in 2014, hadden regeringspartijen N-VA, MR, Open VLD en CD&V gezworen dat ze tegen 2018 de begroting in evenwicht zouden krijgen. Maar gaandeweg werd duidelijk dat de regering die doelstelling niet zou halen en moesten ze de ambitie loslaten. De “dash” was eruit.

Na het uiteenvallen van de regering dreigt het begrotingstekort weer op te lopen. Dit jaar wordt een tekort van 1,6 procent voorspeld. Dit komt door een terugval van de economische groei en doordat er geen meerderheid meer is om de begroting voor dit jaar goed te keuren. Intussen wordt er verder gewerkt op basis van de budgetten van vorig jaar.

2. Heeft de regering-Michel veel verdienste aan het gedaalde begrotingstekort?

Nee. Althans, dat moet blijken uit cijfers die CD&V-begrotingsspecialist Hendrik Bogaert heeft opgevraagd bij de Nationale Bank. Die heeft berekend wat de verschillende Belgische regeringen bespaard hebben als je de invloed van de conjunctuur en eenmalige ingrepen wegfiltert. 

Het resultaat van die complexe berekeningen wordt het primair structureel saldo genoemd. “Dit cijfer zuivert alle politieke mist weg en toont welke vooruitgang de respectievelijke regeringen effectief geboekt hebben, of niet”, zegt Hendrik Bogaert.   

Uit de berekeningen blijkt dat maar 0,28 procentpunt van het begrotingstekort is teruggedrongen door toedoen van het beleid van de regering-Michel. De rest van de daling is vooral te danken aan de historisch lage rente (-1 procentpunt) die we moeten betalen op onze huizenhoge staatsschuld. Daarnaast is 0,67 procentpunt van de daling te danken aan de goede internationale economische conjunctuur en nog eens 0,45 procentpunt is te danken aan eenmalige maatregelen.

Conclusie: het begrotingstekort is maar voor een heel klein deeltje gedaald door het beleid van de regering-Michel.

3. Waardoor valt dit rapportcijfer zo mager uit voor de regering-Michel?

Zoals hierboven al gezegd werd, wordt het primair structureel saldo berekend om de invloed van de conjunctuur en allerlei eenmalige ingrepen weg te filteren, zodat duidelijk wordt wat de verdienste is geweest van een regering bij het terugdringen van het begrotingstekort.

Qua conjunctuur is het duidelijk dat de regering-Michel de afgelopen jaren de wind volop in de zeilen heeft gehad. “De regering-Michel kon surfen op een opgaande conjunctuur, terwijl de regering-Di Rupo dit niet kon omdat de economie toen bijna stilstond”, zegt professor Wim Moesen, dé begrotingsexpert van de KU Leuven.

Economen als Moesen zijn het erover eens dat België de afgelopen jaren te weinig geprofiteerd heeft van die gunstige economische wind. “We zijn zelfs niet aan 2 procent geraakt, daar waar Nederland jaren heeft gehad van 3,5 procent groei”, zegt UGent- en VUB-professor Herman Matthijs.

We zijn zelfs niet aan 2 procent geraakt, daar waar Nederland jaren heeft gehad van 3,5 procent groei.

Professor Herman Matthijs

Naast de conjunctuur die meezat, had de regering nog twee meevallers: 

  • Eentje die ze zelf niet in de hand had: de historische lage rente die de Europese Centrale Bank aanhoudt, waardoor de regering heel weinig intrest moet betalen op de staatsschuld. Dit leverde jaarlijks een besparing op van 1 procent van het bbp.

  • Daarnaast was er een meevaller waar de regering wel zelf verantwoordelijk is geweest: men heeft de boetes verhoogd voor bedrijven die te weinig belastingen voorafbetalen. Hierdoor hebben bedrijven de afgelopen jaren plots veel meer voorafbetalingen gedaan, goed voor maar liefst 0,5 procent van het bbp extra in de staatskas. Hiermee heeft de regering in 2017 en 2018 de begrotingen tijdelijk kunnen opsmukken.

Als je deze laatste twee meevallers optelt, zit je al aan 1,5 procent van het begrotingstekort dat dichtgereden werd zonder dat de regering structureel iets voor moest doen.

4. Waar heeft de regering-Michel het dan laten liggen?

Volgens begrotingsspecialist Wim Moesen heeft de regering het op twee grote vlakken laten liggen: “Enerzijds heeft de regering dus te weinig gebruik gemaakt van de goede conjunctuur om de stand van onze openbare financiën te verbeteren. Anderzijds heeft de regering het verprutst door de taxshift maar half uit te voeren.”

De verschuiving van de belastingen is volgens de professor maar halfwas omdat de regering wel de belastingen op arbeid heeft verlaagd - vooral voor de werkgevers - maar daarnaast heeft de regering niet het lef gehad om de vermogens- en verbruiksbelastingen (op energie, accijnzen, btw en groene belastingen) te verhogen. Daardoor is de taxshift niet budgetneutraal geworden, zoals vooraf wel de bedoeling was. Met andere woorden: de rekening klopt niet.

5. Wat moet een volgende regering nu doen?

Volgens begrotingsspecialisten Moesen en Matthijs moet een volgende federale regering nog meer inzetten op de mantra van “jobs, jobs, jobs”. “Want dat is het fundamentele probleem van onze economie”, zegt professor Matthijs.

“In de leeftijdscategorie 20 tot 65 jaar zijn er te weinig mensen die werken terwijl ze wel werkbekwaam zijn”, vult professor Moesen aan. “De werkzaamheidsgraad in België ligt net onder de 70 procent terwijl dat in Europa gemiddeld 73 procent is.” 

“Dat is maar zo’n 4 procent verschil, maar budgettair maakt dat een enorm verschil. Want voor iedere burger die aan het werk gaat, moet de overheid geen uitkering betalen en komt er tegelijk belastinggeld binnen.”

“Stel dat we de activiteitsgraad van Zweden zouden hebben, 80 procent, dan zouden onze begrotingsproblemen bijna in één klap opgelost zijn”, besluit professor Matthijs. Of het nu een Zweedse of Bourgondische coalitie wordt, het beleid van de volgende federale regering zal dus inhoudelijk Zweeds moeten zijn.