Video player inladen...

Nieuwe schooljaar zal er voor leerlingen van het eerste middelbaar anders uitzien. Dit verandert er

Morgen, op de eerste schooldag, gaat de veelbesproken modernisering van ons secundair onderwijs van start. De modernisering moet onder meer de schooluitval verminderen. Tegelijk worden ook nieuwe eindtermen voor de eerste graad ingevoerd. We zetten de vernieuwingen op een rijtje. 

De boekentassen staan klaar, de rugzakken zijn gevuld. Voor meer dan een miljoen leerlingen start morgen, na twee maanden vakantie, het nieuwe schooljaar.

Sowieso wordt het een bijzonder jaar, want maandag start ook de veelbesproken modernisering van het secundair onderwijs. Die modernisering komt er om het zogenoemde watervalsysteem in het onderwijs te stoppen. Dat is het fenomeen waarbij een leerling eerst in het aso (algemeen secundair onderwijs, red.) zit en vervolgens "zakt" naar een technische of een beroepsrichting. Ook zou de schooluitval, het fenomeen waarbij jongeren de school verlaten zonder diploma, moeten verminderen.  

Opgelet, de vernieuwing start enkel in het eerste jaar. Trapsgewijs zullen de andere leerjaren volgen. Volgend jaar start de modernisering in het tweede jaar, het jaar daarna het derde jaar en zo verder. Maar wat betekent dat nu?

Nieuwe bredere eerste graad

Het meest opvallende aan de modernisering van het onderwijs is de nieuwe bredere eerste graad. Daar moeten alle leerlingen met een getuigschrift lager onderwijs, verplicht starten. Dat heet de A-stroom.

Leerlingen die dat getuigschrift niet halen, starten in de B-stroom, dat is de voorbereiding op het beroepsonderwijs. Kortom, wie slaagt in het lager onderwijs moet verplicht starten in de A-stroom. Pas later kan de leerling overschakelen naar de B-stroom.

Maar hoe gaat dat dan in de praktijk? In de A-stroom krijgen de leerlingen in het eerste jaar 27 gemeenschappelijke uren met klassieke vakken als wiskunde, Nederlands en geschiedenis.

Scholen kunnen ook 5 uren invullen met als doel leerlingen te helpen waar ze het moeilijk mee hebben (bijvoorbeeld met Frans), sterke leerlingen extra uit te dagen (bijvoorbeeld met Latijn) en om leerlingen nieuwe talenten te laten ontdekken (bijvoorbeeld sport). 

In het tweede jaar krijgen leerlingen naast hun gemeenschappelijke basisvorming, de keuze uit 11 basisopties of 7 beroepsopties. Het zijn al meer gerichte keuzepakketten dan in het eerste jaar.

(lees verder onder de grafiek)

De bedoeling van de nieuwe bredere graad is dat uw dochter of zoon na de eerste graad een studiekeuze kan maken die past bij haar of zijn talenten.

De bedoeling van de nieuwe bredere graad met een A-stroom en een B-stroom is dat uw dochter of zoon na de eerste graad een studiekeuze kan maken die past bij haar of zijn talenten. Een keuze uit interesse verlaagt het risico dat zij of hij zonder diploma de school verlaat.

(lees verder onder de foto)

Matrix-structuur in de tweede en derde graad

Vanaf die tweede graad is er gesnoeid in het aantal richtingen of interessedomeinen. De structuur ziet eruit als een matrix.

Verticaal vind je 8 domeinen. Scholen mogen zich organiseren rond één of meer domeinen. Binnen elk domein kan een leerling afstuderen met een bepaalde finaliteit of bedoeling: "doorstromen" en dus voortstuderen (het vroegere aso), "arbeidsmarkt" en dus gaan werken (vroegere bso) of beide (vroegere tso). Nu zijn vooral technische scholen al op een soortgelijke manier georganiseerd.

(lees verder onder de grafiek)

De uitrol van de domeinscholen is pas voor over twee jaar. Scholen bekijken nog wat ze gaan doen. Of niet gaan doen. Zo is het perfect mogelijk dat scholen die enkel aso-richtingen aanbieden, dat blijven doen. Die vrijheid is er dus.

Intussen zijn de onderhandelingen over een nieuwe Vlaamse regering nog volop aan de gang en leeft de vraag of de nieuwe regering de modernisering zal terugschroeven of niet. De matrixstructuur is dus nog niet voor morgen

Nieuwe eindtermen

Ten slotte is nog een concrete nieuwigheid merkbaar op het rapport van uw dochter of zoon in het eerste middelbaar. Daar kan vanaf dit jaar het vak "Mens en Samenleving" op staan in het katholiek onderwijs. Of "Actief burgerschap" in het Gemeenschapsonderwijs, een vak dat er vorig jaar al werd ingevoerd.

Beide vakken vertalen enkele nieuwe eindtermen van de eerste graad. Die zijn onder meer:

-        Participatie en actief burgerschap
-        Digitale geletterdheid
-        Mentale en lichamelijke gezondheid
-        Financiële en administratieve basiskennis
-        Voor wiskunde komt er statistiek en probleemoplossend denken bij

De lijst is nog langer natuurlijk, maar toch zijn het minder eindtermen. Bovendien zijn ze ook eenvoudiger dan in de vorige editie, goed 20 jaar geleden.  

Nieuw is ook dat de eindtermen niet meer per vak zijn opgesteld. Ze kunnen bijvoorbeeld vakoverschrijdend of in een project behaald worden. Bovendien moeten de meeste leerlingen die eindtermen ook effectief halen. Het is dus niet meer voldoende "om ermee bezig geweest te zijn".

Vraag is: hoe controleer je als leerkracht of elke leerling die eindtermen haalt?

Ten slotte moet elke leerling in de eerste graad ook een basisgeletterdheid halen: voldoende beslagen zijn in taal en rekenen, met computer en geld overweg kunnen zodat je kan meedraaien in de samenleving.

Sommige leerkrachten zijn hier wel ongerust over: hoe controleer je dan dat elke leerling die eindtermen haalt? En als je niet langer een gegarandeerd aantal uren voor je vak hebt, heb je dan wel voldoende tijd om de leerstof grondig te geven?

Kortom, het wordt zowel voor leerlingen als leerkrachten ongetwijfeld een boeiend schooljaar.

Herbekijk hieronder de reportages van "Het Journaal":

Video player inladen...
Video player inladen...