De Schelde in Antwerpen.

Schelde werd plots troebeler, en we weten niet waarom

De Belgische Schelde is in 2008 plots troebeler geworden en dat is sindsdien zo gebleven. Dat hebben onderzoekers van de Universiteit Antwerpen en het Nederlands Instituut voor Zee-onderzoek (NIOZ) aangetoond in een nieuwe studie. Waarom het aantal zwevende stoffen in het water is toegenomen, is nog niet duidelijk, maar de evolutie is zorgwekkend voor het ecosysteem. Troebeler mag het Scheldewater niet worden, zo waarschuwen de onderzoekers.

Estuaria zoals de Schelde zijn van nature troebel: door de getijdenbeweging wordt slib van de bodem telkens opgewerveld. De troebelheid is niet overal even groot: door een ingewikkeld samenspel van verscheidene mechanismen zijn er in elk estuarium een of meerdere zones waarin de troebelheid maximaal is.

In de periode tussen 1995 en 2008 was het Scheldewater het meest troebel in het gebied juist stroomopwaarts van de samenvloeiing met de Rupel, met weinig verschil tussen zomer en winter. Maar in 2008 is dit plots veranderd.

“Sinds 2008 stellen we vast dat in de winter het Scheldewater het troebelste is in de Beneden-Zeeschelde”, zegt onderzoeker Tom Cox van de UAntwerpen in een persbericht van de universiteit. “Tussen de Belgisch-Nederlandse grens en Kruibeke nam de troebelheid met zo’n zestig procent toe. In de zomer is nog altijd de Boven-Zeeschelde het troebelste, maar de concentraties zijn in sommige jaren veel hoger dan voorheen.”

Meerdere factoren

De oorzaak van deze plotse verandering is moeilijk precies aan te duiden. Veel factoren spelen een rol, en de afgelopen twintig jaar is er veel veranderd in de Schelde.

“Van estuaria in het buitenland is bekend dat ze troebeler zijn geworden na verdiepingswerken", zegt Cox. "Dit zou hier ook het geval kunnen zijn: de laatste Scheldeverdieping vond immers plaats in de periode 2008-2010, en sinds 2009 wordt er ook veel meer zand en slib uit de Boven-Zeeschelde gehaald. Precies in die periode zien we de toename van de troebelheid.”

“Tegelijkertijd vonden er nog twee andere belangrijke veranderingen plaats. Ook die hebben mogelijk een rol gespeeld. De totale hoeveelheid slib die gebaggerd en weer teruggestort wordt, is de afgelopen twintig jaar stelselmatig gestegen. Daarbij zou ook de verbetering van de waterkwaliteit een rol kunnen spelen.”

Uitspoeling van het slib

Van nature zijn er zones waar er slib afgezet wordt, ook in de vaargeul. Om de gewenste waterdiepte voor de scheepvaart te behouden, wordt er continu gebaggerd. Die baggerhoeveelheden zijn gradueel toegenomen over de afgelopen twintig jaar. In de periode 2010-2015 werd er gemiddeld bijna vijf keer meer fijn slib gebaggerd en teruggestort dan in de periode 1995-2000.

“De hoeveelheid slib die met baggerschepen wordt verplaatst is vele malen groter dan de hoeveelheid slib die vanuit het stroomgebied de Schelde binnenkomt. Het gaat om enorme hoeveelheden", zegt Cox. "Het gebaggerd slib wordt telkens dieper de Schelde ingebracht en dat werkt de uitspoeling van slib richting de Noordzee tegen. Doordat het om zulke grote hoeveelheden gaat, is het niet ondenkbaar dat er een kritische drempel is overschreden die ervoor zorgt dat het slib nu in de winter niet meer helemaal uitspoelt. Dat is een tweede mogelijke verklaring voor het optreden van verhoogde concentraties in de winter in de Beneden-Zeeschelde.”

De onderzoekers ontdekten ook een opmerkelijke parallel tussen de verbetering van de waterkwaliteit in de afgelopen decennia en de troebelheid in de Rupel en de Boven-Zeeschelde. “De relatie is subtiel. En het is ook niet duidelijk of er een oorzakelijk verband is. Maar uit onze analyse volgt dat periodes van toenemende zuurstofconcentraties in het water samengaan met een verhoogde mobiliteit van het slib”, aldus Cox.

Minder algen, minder voedsel

Vanuit wetenschappelijk oogpunt zijn dit fascinerende vaststellingen, zo zeggen de onderzoekers. Maar de oorzaken zijn enorm complex en meer onderzoek is nodig om uitsluitstel te geven over wat de precieze oorzaak is. De vaststellingen manen wel aan tot voorzichtigheid, zo stellen Cox en zijn collega’s.

De hoeveelheid licht die in het water kan doordringen is van cruciaal belang voor de microscopische algen die in het water groeien. Deze algen zijn de voedselbron van de kleinste diertjes die in de Schelde leven, en die zijn op hun beurt de voedselbron van grotere dieren. Een toename van de troebelheid zorgt ervoor dat er minder licht in het water kan doordringen en dat er dus minder voedsel beschikbaar is.

“De impact daarvan op het ecosysteem is moeilijk precies te bepalen. Er is er nu veel meer leven in de Schelde dan twintig jaar geleden. Dat is een rechtstreeks gevolg van de verbetering van de waterkwaliteit en het herstel van natuur langs de Schelde. Deze positieve evolutie overschaduwde tot nog toe de impact van de vertroebeling. Maar wat vermeden moet worden, is een verdere vertroebeling, want dit kan het herstel deels teniet doen. En dat wil niemand. Voorzichtigheid is dus geboden”, zo waarschuwt Cox. 

De studie van Cox en zijn collega's van de UAntwerpen en het NIOZ is gepubliceerd in Scientific Reports van Nature. Dit artikel is gebaseerd op een persbericht van de UAntwerpen.