Jonas Roosens

Wat u niet wist over de verdeling van de Vlaamse ministerposten: 5 vragen over de vorming van Jambon I

De Vlaamse regering is gevormd. De ploeg van minister-president Jan Jambon (N-VA) zit in het zadel en we kennen de Vlaamse beleidslijnen voor de komende vijf jaar. Maar op basis waarvan hebben de partijen de bevoegdheden nu verdeeld? En hoe zit het met de dossierkennis en expertise van ministers die van portefeuille zijn veranderd? We legden vijf vragen voor aan professor politieke wetenschappen Nicolas Bouteca (UGent).

Op basis waarvan verdelen de partijen de bevoegdheden?

Sinds gisteren weten we hoe de nieuwe Vlaamse regering er gaat uitzien en wie minister wordt met welke portefeuille. Maar hoe verdelen de partijen het aantal ministerposten onder elkaar? En volgens welk systeem kiezen ze de bevoegdheden? "Dat staat nergens in een wet of reglement neergeschreven", weet professor politieke wetenschappen Nicolas Bouteca (UGent).

"Om te bepalen hoeveel ministers er per partij zullen zijn, vertrekt men vanuit het systeem-D'Hondt (zie kaderstuk)." De verkiezingsuitslag van 26 mei zou de N-VA volgens dat systeem vijf portefeuilles opgeleverd hebben, CD&V en Open VLD elk twee ministers. Maar uiteindelijk kreeg CD&V er drie ten koste van de vijfde N-VA-post. "Er gaan dan ook allerlei andere elementen meespelen", verklaart professor Bouteca.

"Wie moet bijvoorbeeld de minister van Brussel leveren? Meestal staat men daarvoor niet te springen omdat dat electoraal minder interessant is. Ook de functie van parlementsvoorzitter wordt mee in rekening gebracht en mogelijk ook andere zaken waar we nu minder zicht op hebben. Ik kan me inbeelden dat er bijvoorbeeld misschien een koppeling is gemaakt met de provinciegouverneurs of dat het minister-presidentschap zwaarder heeft doorgewogen omdat dat de meest zichtbare positie is."

Eens het aantal ministerposten is bepaald per partij, moeten de bevoegdheden gekozen worden. Ook dat gebeurt op basis van het systeem-D'Hondt. De eerste keuze is sowieso voor de grootste partij, die dan logischerwijze de functie van regeringsleider opneemt. "Bij de keuze voor de departementen kiest men eerst de belangrijke, zoals onderwijs en welzijn", legt Bouteca uit. "Maar ook media-aandacht speelt mee. Denk bijvoorbeeld aan Ben Weyts. Die heeft heel expliciet voor dierenwelzijn gekozen. Dat is een persoonlijke interesse, maar het is ook een onderwerp dat veel in de media komt. En ook de voorkeuren van de partij en het partijprogramma spelen en rol. Zo is welzijn bijvoorbeeld een thema dat CD&V erg boeit."

9 ministers, is dat niet veel?

De nieuwe Vlaamse regering telt 9 ministers. "Qua aantal valt dat zeker te verdedigen", stelt professor Nicolas Bouteca. "Als de portefeuilles te breed worden, kan het moeilijk worden om het allemaal onder controle te houden. In het verleden hebben we al 10 Vlaamse ministers gehad. Dat was bijvoorbeeld het geval met de regering-Leterme en toen had Vlaanderen minder bevoegdheden dan nu. Je kan misschien naar 8 ministers gaan, maar er is toch wel ergens een ondergrens."

"Het is natuurlijk ook een manier om de posten onder de verschillende partijen te kunnen verdelen. Daar moeten we niet naïef in zijn", gaat Bouteca verder. "Als je naar 8 was geweest, was het misschien moeilijker geweest om de puzzel te leggen." 

Jonas Roosens

Sommige ministers switchen van de ene portefeuille naar de andere. Kennen ze hun dossiers dan goed genoeg?

In de ploeg van Jan Jambon zien we een aantal vertrouwde gezichten terug, maar wel op een ander departement. Ben Weyts (N-VA) neemt de bevoegdheid Onderwijs over van Hilde Crevits (CD&V) die zich op haar beurt gaat ontfermen over Economie en Werk. Lydia Peeters (Open VLD) ruilt Energie om voor Mobiliteit en Openbare Werken.

Brengt die switch van posities de dossierkennis niet in gevaar en kunnen ministers zo wel voldoende expertise opbouwen? Professor Nicolas Bouteca nuanceert. "Een minister staat er niet alleen voor. Er staat een belangrijke administratie achter de minister en die blijft op post. Die administratie is een belangrijke leverancier van input voor de minister, wie ook minister wordt. En de ministers hebben ook een kabinet natuurlijk waar er al expertise aanwezig is. Wouter Beke zal als minister gewoon een beroep kunnen doen op het kabinet van Jo Vandeurzen, de vorige minister van Welzijn."

"Maar je moet natuurlijk de kneepjes van het domein in handen krijgen. Bij sommigen zal dat inderdaad wat moeilijker zijn dan voor anderen. Denk bijvoorbeeld aan de viceminister-presidenten, iemand als Hilde Crevits was dat ook in de vorige regering. Dat zijn mensen die alle domeinen volgen en ze hebben ook een uitgebreider kabinet dan gewone ministers."

Een minister moet natuurlijk studeren op zijn dossiers waar hij voor verantwoordelijk wordt, maar hij staat er niet alleen voor

In het regeerakkoord staan zaken die niet in de verkiezingsprogramma's staan. Hoe kan dat?

De nieuwe Vlaamse regering heeft beslist om de woonbonus af te schaffen. Nochtans stond die afschaffing niet als dusdanig in de programma's van de regeringspartijen, en dat leidt tot nogal wat discussie. Da's geen unicum. In de campagne van 2014 werd nooit gesproken over de verhoging van de pensioenleeftijd en toch besliste de federale regering om de grens op te trekken.

"Ik denk dat dat voor een stuk te maken heeft met het feit dat men dat niet graag zegt tegen de burger", verklaart politicoloog Bouteca. "Maar het heeft volgens mij ook te maken met de financiële realiteit waarmee men op een bepaald moment geconfronteerd wordt bij het schrijven van het regeerakkoord. Je wil investeringen doen, maar je hebt geld nodig. Dan ga je op zoek naar waar je het geld eventueel kan vinden en wat logisch te verantwoorden is."

"De discussie over het al dan niet behouden van de woonbonus bestaat in die zin al een tijdje. Elders is de woonbonus al afgeschaft. Het is eigen aan een federale staat dat men ook eens naar de andere bestuursniveaus kijkt. Dat zijn factoren die ertoe leiden dat men toch plots zo'n beslissing kan nemen, ook al staat het niet in het verkiezingsprogramma."

Voor sommigen waren de verkiezingen een afstraffing en toch zitten ze in de regering?

Alle drie de regeringspartijen hebben zetels verloren bij de verkiezingen van 26 mei. De coalitie bestaat dus eigenlijk enkel uit verliezers. "Maar op zich is dat perfect legitiem", aldus professor Bouteca. "In een democratie heb je de meerderheid als je 50 procent +1 van de zetels in het parlement hebt en dan kan je een regering vormen. Het is natuurlijk ambetant dat de winnaars van de verkiezingen er niet bij zitten. Dat komt door het cordon sanitaire dat rond Vlaams Belang is gespannen. Maar als je het regeerakkoord bekijkt, heeft men er wel inhoudelijk rekening mee gehouden wat Vlaams Belang wilde."

Ook de keuze van de ministers veroorzaakt wrevel. En dan vooral bij de achterban van CD&V, in het bijzonder over de positie van voorzitter Wouter Beke die Vlaams minister is geworden. "CD&V is de partij die het het slechtst heeft gedaan. Dat komt hard aan bij een partij die traditioneel de sterkste van Vlaanderen was. Je zit daar dus met een partijvoorzitter die er niet in geslaagd is om die neergang te keren. Dat wordt Beke een beetje persoonlijk kwalijk genomen."

"Dat Beke nu minister mag worden in de Vlaamse regering, ligt uiterst gevoelig. Bovendien mocht hij zichzelf aanwijzen en hij had zichzelf ook aangewezen als minister in de federale regering toen er een opvolger nodig was voor Kris Peeters. Dat is niet zo netjes. Maar hij vond van zichzelf dat hij recht had op een mooie fin de carrière. Het zou ook een beetje raar zijn om de voorzitter die jarenlang de partij heeft geleid zo maar bij het huisvuil te zetten. In die zin was het niet heel onlogisch dat hij de ministerpost heeft gekregen. Maar de partij heeft het natuurlijk heel slecht gedaan en er is nood aan vernieuwing. Ik begrijp dat dat wrevel opwekt. "