De Gentse vaart: het kanaal waarvoor de Gentenaars "de Bruggelingen als kuikens hebben neergeslagen"

Elke week leiden Jos Vandervelden en fotograaf Alexander Dumarey je naar een plek in Vlaanderen of Brussel waar onze grootste schilders hun schildersezel opstelden.  Ooit vonden schilders het de volmaakte plekken om verzinnelijkt te worden op het canvas. Vaak zijn ze het nu nog. Soms zijn ze het niet meer. Het schilderij van toen en het beeld van nu. Vandaag: "Het graven van de Gentse vaart" van Jan Garemijn of de miserie van 5.000 kanaaldelvers bij Sint-Joris-ten-Distel.

www.lukasweb.be – Art in Flanders, foto Hugo Maertens

Wie vindt dat de Oosterweelverbinding of de Brusselse Ring in dit land al voor veel commotie zorgen, moet er de geschiedenis van de Gentse vaart eens op nalezen. Deze leest als een heroïsche kroniek. Had Hollywood in België gelegen, dan zou het verhaal minstens de achtergrond geweest zijn van enkele films, inclusief sequels. 

De geschiedenis van het kanaal dat Gent en Brugge moet verbinden begint in de dertiende eeuw. De ambitieuze Bruggelingen willen meer water in de  richting van hun stad krijgen om de verzanding van het Zwin te bestrijden. En ze willen betere handelstrafiek richting binnenland. Rond 1270 zou de eerste spadesteek gezet worden van wat een van de eerste kanalen van West-Europa zou worden. Waarna honderden jaren volgden van graven, verdiepen en verbreden, van het bouwen van versterkingen, bruggen, dammen en sassen. De bouw van het kanaal loopt tegen een achtergrond van politieke en religieuze strubbelingen. De concurrentiestrijd tussen Brugge en Gent zou leiden tot bittere uitbarstingen. De Gentenaren en vooral de Gentse schippers op de Leie vreesden voor hun handelsbelangen. 

"Bruggelingen werden als kuikens neergeslagen"

Bloedig hoogtepunt was de Slag om Beverhoutsvelt in 1382 waar volgens het vijftiende eeuwse handschrift "Excellente cronike van Vlaenderen" de Bruggelingen "als kuikens werden neergeslagen". Eerder hadden de Witte Kaproenen, een Gents militiekorps al dood en verderf gezaaid onder de kanaalgravers. Pas toen de Hollanders de Westerschelde blokkeerden in 1604 vonden beide steden elkaar in de verdere uitbouw van de Vaart.

Tussen 1751 en 1754 liet de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia het kanaal verdiepen. Het waren deze werken die de Bruggeling Jan Garemijn schilderde op een monumentaal panorama van twee bij drie meter. "Het graven van de Gentse vaart" is niet alleen een meesterwerk, maar heeft ook enorme historische waarde. Garemijn maakte potloodschetsen op locatie en voegde die samen tot een groot doek.

Bruegeliaanse aandacht voor detail

Garemijns gezichtspunt lag ten oosten van het kanaaldorpje Sint-Joris. Rond het dorp was een enorm werkkamp opgetrokken. Tot 5.000 kanaaldelvers waren er aan de slag en leefden er tijdelijk in tenten en loodsen. Vanuit vogelperspectief bracht hij de leefgemeenschap in beeld. Met bruegeliaanse aandacht voor detail schilderde Garemijn een drinkgelag, een opstootje, het slachten van vee, de opbaring van een dode en de inspecties van wetsdienaars te paard. Maar vooral de helse graafwerken werden stapsgewijs uitgebeeld. De werkomstandigheden moeten vaak ellendig zijn geweest, maar daar laat Garemijn weinig van zien. Het afgewerkte doek moest dan ook geschonken worden aan Karl Von Cobenzl , minister van de Oostenrijkse Nederlanden in Brussel. 

De Miseriebocht

Nergens hadden kanaaldelvers het zo zwaar als bij Sint-Joris. Tussen Sint-Joris en Beernem moest een hoge zandrug worden doorsneden. Oevers dienden tot acht meter opgehoogd te worden en het kanaal kreeg een breedte van acht meter. De plek is nog steeds bekend als de Miseriebocht. Door het voortdurend opnieuw dichtslibben van de doorgang zorgde de bocht eeuwenlang voor ellende bij de doorvaart.

Pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw werd een oplossing gevonden voor de Miseriebocht. Het kanaal werd rechtgetrokken en de oude kanaalarm werd afgesloten. De Miseriebocht is sindsdien een bijzonder interessant natuur- en recreatiegebied  met zeldzame biotopen en een rijk visbestand. De ellende en de ergenis van eeuwen heeft plaatsgemaakt voor harmonie.

Bidden tegen distel

Het kanaal Gent-Brugge is vandaag, nog ettelijke rechttrekkingen en verbredingen later, bevaarbaar voor schepen tot 1500 ton. Dat is vijf keer zo omvangrijk als in Garemijns tijd. De scheepvaart op het kanaal  heeft een evolutie achter de rug van menselijke scheepstrekkers  via trekpaarden tot stoomsleepboten. Al is het een fractie van het wegtransport, de binnenvaarttrafiek blijft van tel en ze heeft nog eens het gezelschap gekregen van de bloeiende pleziervaart.

Het kanaal draagt heden de officiële naam kanaal Gent-Brugge. De strijd is daarmee beslecht tussen de benamingen Gentse vaart en Brugse vaart. In Sint-Joris, nu deelgemeente van Beernem, is niets meer te merken van de grote kanaalwerkzaamheden. Ook van de oude bedevaartstraditie is weinig over. Het dorpje was eeuwenlang bekend als Sint-Joris-ten-Distel. De kerk was een bedevaartsoord waar gebeden kon worden tegen distel, een chronische huidziekte die nu bekend staat als psoriasis.

"Het graven van de Gentse vaart" van Jan Garemijn hangt in het Groeningemuseum in Brugge