Radioactiviteit van kernproeven uit jaren 50 nog altijd aanwezig op Antarctica

Er schuilen nog steeds radioactieve deeltjes van kernproeven uit de jaren 50 en 60 op Antarctica. Dat hebben Franse wetenschappers ontdekt. Het gaat om deeltjes afkomstig van proeven in de Stille Zuidzee die het continent via de lucht hebben bereikt.

Tijdens jaren 50 en 60 voerde de Amerikaanse overheid geheime kernproeven uit in de Stille Zuidzee. Gedurende 12 jaar werden 67 kernbommen tot ontploffing gebracht bij de Marshalleilanden.  De eerste proef vond plaats op het eilandje Bikini Atoll op 1 juni 1946. 

Bekijk hieronder een verslag van de atoomproef op 'Bikini Atoll':

De kernproeven zorgden ervoor dat grote hoeveelheden radioactieve restdeeltjes of "isotopen" vrijkwamen in de atmosfeer. De deeltjes verspreidden zich zo over heel de wereld.  Na vele omzwervingen, belandde een groot deel daarvan op de Antarctische ijskap.

Een nieuw onderzoek onthult dat deze radioactieve deeltjes op sommige plekken nog steeds aanwezig zijn op de Zuidpool. Dat is zeer verrassend, zo schrijven de Franse onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Atmosphere

Isotopen in de rest van wereld al verdwenen

De meeste radioactieve deeltjes die vrijkwamen na de ontploffingen zijn al uitvoerig onderzocht. Hieruit blijkt dat een groot deel hiervan al enkele decennia geleden verging. De hoeveelheid radioactieve deeltjes is op veel plaatsen waar de proeven zijn uitgevoerd zelfs gedaald naar het niveau van voor de kernproeven, maar op Antarctica blijkt dus het tegendeel waar.

Concreet is daar de isotoop chloor-36 gevonden, een isotoop die in de natuur meestal vrijkomt bij een chemische reactie tussen chloor en zeewater. De stof kan ook op een onnatuurlijke manier tot stand komen door radioactieve straling.

Chloor-36 komt van nature voor op Antarctica, maar die variant zit in het ijs opgesloten. Enkel de variant die bij kernproeven vrijkomt, kan het ijs verlaten. Net omdat chloor-36 ook van nature bestaat, zijn de deeltjes niet schadelijk voor mensen en dieren. Toch kunnen ze slecht zijn voor het milieu als ze in grote hoeveelheden voorkomen.

Hoe gingen ze te werk

De onderzoekers kozen ervoor om ijsmonsters te analyseren van 1949 tot 2017 op het Russische onderzoekstation Vostok. Ze vergeleken dit materiaal met reeds onderzochte stalen uit de periode 1910 en 1980 van het westelijke station Talos Dome. 

Kaart Antarctica

De staaltjes uit Talos Dome hadden een zeer lage radioactieve waarde, zelfs vier keer lager dan het natuurlijke gemiddelde. De stalen uit Vostok hadden dan weer een vier keer grotere hoeveelheid chloor-36. De sneeuw uit Vostok laat vandaag dus nog steeds radioactieve deeltjes vrij. 

De wetenschappers merkten ook op dat de  isotoop mobieler is dan voordien aangenomen. De radioactieve deeltjes verplaatsen zich namelijk sneller en hardnekkiger naar het oppervlak. Chloor-36 verspreidt zich dus niet alleen via de bovenste sneeuwlaag, maar ook vanuit het dieper gelegen ijs. 

Het zou dus handig zijn om de snelheid en de manier waarop deze deeltjes zich bewegen naar het oppervlak te onderzoeken. Onderzoekers zouden daarmee het ijs in de Zuidpool van maximum 50 jaar oud kunnen dateren.