Video player inladen...

Gemeenten windturbines laten vergunnen: een vergiftigd geschenk of niet?

De Vlaamse regering is van plan om de gemeenten grote windturbines te laten vergunnen, en niet langer de provincies of het gewest. Gemeenten staan dichter bij de omwonenden en kunnen zo eventuele weerstand tegen nieuwe windturbines makkelijker wegnemen, is de redenering. Maar de windenergiesector waarschuwt: volgens hen schieten de gemeenten zelf 42 procent van de nieuwe windmolen­projecten af.

Zowat 530 grote windturbines stonden er begin dit jaar in Vlaanderen en elk jaar komen er nog een paar tientallen bij. Dat is op zich al een huzarenstuk, want Vlaanderen is klein, dichtbevolkt en onze ruimtelijke ordening is een janboel.

Door de lintbebouwing en de verkavelingswoede sinds de Tweede Wereldoorlog is er decennialang een aanslag gepleegd op de open ruimte. Traditionele dorps- en stadskernen spreidden hun tentakels via kilometerslange lintbebouwing tot diep in het platteland uit . En op dat platteland zelf stoot je bijna altijd wel ergens op een eenzame, soms zelfs zonevreemde woning. Bovendien groeit onze bevolking, waardoor de druk op de overblijvende open ruimte nog toeneemt.

Ruimtelijke ordening speelt Vlaamse windturbines parten

In die beperkte ruimte grote windturbines inplanten is niet simpel. Wanneer je de verschillende beperkingen naast elkaar legt, zijn er eigenlijk maar vier grote zones in Vlaanderen waar je nog redelijk makkelijk windturbines kwijt kunt: rond de havens van Zeebrugge, Antwerpen en Gent, en in de streek tussen Jabbeke en Veurne. En zelfs in die laatste zone verwacht de windenergiesector felle tegenstand. 

Er zijn amper nog vier grote zones voor nieuwe windturbines: de havens van Zeebrugge, Antwerpen en Gent. En de streek tussen Jabbeke en Veurne

Verder zijn er ook nog inplantingsmogelijkheden langs grote verkeersassen of rivieren en kanalen. Maar zelfs daar komt protest tegen. Want vaak wonen er mensen vlakbij. Zowat overal dreig je in de buurt van woonkernen te komen. En ook bij de weinige beschermde landschappen die Vlaanderen nog rijk is, blijven windturbines beter uit de buurt. Bovendien zijn de hoogteverschillen in Vlaanderen beperkt. Zeker in de polders zijn de turbines tot 200 meter hoog van kilometers ver zichtbaar. Er zal dus bijna altijd wel iemand zijn die zich stoort aan de vervuiling van de horizon. 

Komt daar nog bij dat windturbines ook op een ruime afstand moeten blijven van radarinstallaties, luchtverkeersbakens en ander delicate telecommunicatie-infrastructuur.  Heel moeilijk dus.

Daardoor is de beschikbare ruimte heel schaars en krijgen ontwikkelaars vaak te maken met comités die in het verzet gaan tegen nieuwe windturbineprojecten. Te dicht bij onze woningen, oordelen ze, te veel overlast ook. Want het is waar: windturbines maken lawaai en ze veroorzaken ook slagschaduw. Niet zo leuk als die in je woning binnenvalt of als je een hele nacht wakker wordt door een bijna ondefinieerbaar storend lawaai. 

Lawaai primeert op afstand

Onze overheden beseffen dat. Daarom zijn er ook normen opgelegd voor de inplanting van windturbines. Zo mag een turbine maximaal acht uur per jaar slagschaduw werpen op een woning met een maximum van een half uur per dag. In de praktijk valt die schaduw tijdens de kortste dagen van het jaar, wanneer de zon het laagste staat en de windturbines de langste schaduw werpen, van half tot eind december. De uitbaters van windmolenparken vangen het probleem meestal op door hun turbines gewoon stil te leggen wanneer de slagschaduw dreigt de huizen binnen te vallen.

Voor het geluid liggen de zaken wat ingewikkelder. Bij de eerste regelgeving gingen onze overheden ervan uit dat met de afstand het geluid wel zou afnemen. Daarom moesten windturbines minstens een paar honderd meter van huizen wegblijven. Maar na een tijdje bleek dat niet de juiste aanpak. Windturbines die soms een halve kilometer ver stonden, konden meer geluidsoverlast veroorzaken dan turbines die bij wijze van spreken pal naast een woning werden gebouwd.

Daarom paste de Vlaamse regering in 2011 de normen aan: het geluid werd bij de inplanting van een windturbine doorslaggevend, samen met de slagschaduw, en niet te vergeten, ook de veiligheid. Zo kan er zich tijdens koude winterdagen ijs afzetten op de bladen van de turbines. Als die beginnen te draaien kunnen ze de ijsstukken wegkatapulteren. En het is natuurlijk niet de bedoeling dat je die stukken op je hoofd of het dak van je woning krijgt.

windturbines langs kanaal Brugge-Zeebrugge: rond de havens zijn nog mogelijkheden

Normen verscherpt of toch niet?

De Vlaamse overheid volgde met die vernieuwde aanpak eigenlijk de redenering van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Die stelde dat de hinder van geluid of slagschaduw veel schadelijker is voor de gezondheid dan mogelijke landschapselementen. Vlaanderen legde ook vrij strenge geluidsnormen op.  Zo mogen windturbines in woongebieden overdag niet meer dan 44 decibel/dB(A) lawaai maken. Dat is te vergelijken met het geluid van een moderne vaatwasser. 's Avonds en 's nachts wordt dat geluid beperkt tot 39 decibel/dB(A). Dat is ruim de helft minder luid (3 decibel minder betekent inderdaad zowat een halvering van het geluid) en komt overeen met het geluid van een stille koelkast.

Een windturbine in een woonzone mag 's nachts maximaal 39 decibel lawaai maken: het geluid van een stille koelkast

Dat lijkt goed, maar niet alle landen hanteren dezelfde norm. Zo werken de Duitsers nog altijd met afstanden:  de turbines moeten minstens één kilometer van woningen staan. Critici vragen zich dan ook af of het kleine Vlaanderen bewust van de afstandsnorm is afgeweken. Als je de Duitse norm zou toepassen, worden in Vlaanderen inderdaad heel wat windmolen­projecten gehypothekeerd.

Bovendien stellen sommige actiecomités ook dat er helemaal geen normen zijn opgelegd voor de heel laagfrequente geluiden. Die normen zijn er inderdaad niet. Dat is ook niet nodig, want uit talloze wetenschappelijke studies blijkt dat de mens gewoon niet in staat is die laagfrequente geluiden te horen. Maar tegenstanders van windturbines komen met studies waaruit zou moeten blijken dat dat wel degelijk het geval is. Mensen kunnen effectief psychische en fysieke schade ondervinden van de bijna-onhoorbare laagfrequente bromtonen van de windturbines, benadrukken ze.

Controverse blijft

Dus blijft de controverse woeden. En die is soms heftig, want in Vlaanderen zijn intussen tientallen actiegroepen in het verweer tegen windturbines. Die hebben intussen heel wat expertise opgebouwd. Het burgerplatform Leefbaar Energie Vlaanderen, bijvoorbeeld, vlooide het juridische kader rond de windturbines helemaal uit en kwam tot de conclusie dat de huidige wetgeving totaal achterhaald is. De geluidsoverlast van grote, moderne windturbines is met de methoden van het verouderde Vlaamse juridische kader gewoon niet meer te meten, stellen ze. Dat juridische kader was opgesteld voor turbines met een masthoogte van 30 meter.  Moderne turbines halen makkelijk het viervoudige, waardoor hun geluid zich op een heel andere manier zou verspreiden dan de oudere, kleinere modellen, argumenteert Leefbaar Energie Vlaanderen.

Maar volgens de windenergiesector is dat helemaal niet het geval, en zijn de geluidseffecten van de moderne, hogere turbines wel degelijk correct verrekend in de huidige wetgeving. Bovendien komen er ook praktijk­metingen: mochten de geplaatste windturbines echt de geluidsnormen overschrijden, dan moeten ze trager kunnen draaien (dat doet het geluid afnemen), worden ze aangepast of zelfs stilgelegd.  

Door een juridisch gevecht viel de bouw van de windturbines in Wallonië een paar jaar helemaal stil

Windenergieontwikkelaars kijken met argusogen naar de opmerkingen van de comités. Ze zijn er namelijk als de dood voor dat het juridische kader onderuit wordt gehaald. Dat is onder meer in Wallonië gebeurd. Door een juridisch gevecht viel de bouw van nieuwe turbines daar een paar jaar compleet stil.

Comités pakken ook uit met milieu- en landschapsproblemen: zo zouden met name vleermuizen heel veel last ondervinden van windturbines. De dieren blijken inderdaad niet altijd in staat de wieken van de turbines te ontwijken. In Duitsland alleen al zouden er per jaar 250.000 vleermuizen sneuvelen door een klap van een molenwiek. Ook onder vogels vallen heel wat slachtoffers, daarbij ook zeldzame soorten. Natuurgebieden moeten volgens de actiecomités dus worden ontzien, want naast de aanslag op de fauna, vervuilen de turbines ook nog het landschap.

Gemeenten tussen hamer en aambeeld

Het plaatsen van een windturbine in Vlaanderen is dan ook een hachelijke onderneming: soms lopen windprojecten jaren vertraging op door aanslepende procedureslagen. Andere geven het gewoon op. Maar de projectontwikkelaars worden ook behendiger in het vermijden van juridische obstakels. Ze gaan meer in overleg met de lokale gemeenschappen om hun projecten rond te krijgen, betrekken omwonenden en laten ze mee genieten van de inkomsten.

Zelfs als er lokaal heftige weerstand komt, hoeft dat niet het einde van een project te betekenen. Het zijn uiteindelijk toch de provincies en het Vlaamse Gewest die beslissen (voor grotere windturbineparken). De rol van de gemeenten is in de huidige wetgeving beperkt: zij moeten provincie of gewest adviseren over de nieuwe projecten, maar dat advies is niet bindend.

De gemeenten zitten daarmee tussen hamer en aambeeld. Enerzijds zijn ze bijna allemaal overtuigd dat we de stap naar hernieuwbare energie moeten zetten. Veel gemeenten steunen dan ook de komst van windenergieprojecten. In 75 van de 300 Vlaamse steden en gemeenten (dat is één op de vier) staan er effectief al één of meerdere windturbines. Koplopers zijn Antwerpen en Gent met al meer dan 50 turbines. Maar ook in Beveren, Brugge en Genk staan er al behoorlijk wat. Eeklo investeert zelf in zijn eigen windenergiepark: alle Eeklonaren kunnen een stukje windturbine kopen.  

(windturbines in Vlaanderen op 1/01/2019: klik op de gemeente om het exacte aantal windturbines te zien)

Anderzijds zijn nogal wat gemeenten ook bevreesd dat er onvoldoende lokale draagkracht voor die grote windturbines is. Vooral als er veel tegenstand groeit, kiezen sommige gemeenten eieren voor hun geld. Uit angst om bij de volgende verkiezingen stemmen te verliezen, stellen ze zich solidair op met hun protesterende inwoners en geven een negatief advies. Dat is een redelijk makkelijke uitweg, want het advies is toch niet bindend en tegelijk geven de gemeenten aan hun inwoners het signaal: we staan achter jullie.

42% van de vergunde windturbines werd aangevochten door gemeenten. Dat is meer dan door burgercomités (40%)

Vlaamse Windenergie Associatie

Maar soms gaan de gemeenten verder en beginnen ze zelf te procederen tegen vergunde projecten. Het valt wel op dat bijvoorbeeld in 2018, het jaar van de laatste gemeenteraadsverkiezingen, er weinig nieuwe windturbines in Vlaanderen bij werden geplaatst. Mogelijk zijn een aantal gemeentebesturen uit angst voor een electorale afstraffing op de rem gaan staan. Volgens de windenergiesector wordt maar liefst 42% van de vergunde windmolen­projecten aangevochten door de gemeenten. Dat is meer dan de actiecomités (ca. 40%) en windenergieontwikkelaars die projecten van de concurrentie proberen tegen te houden (ca. 18%).

Herbekijk hieronder de reportage in "Het Journaal": (lees verder onder de video)

Video player inladen...

Vlaamse regering wil beter lokaal overleg

De Vlaamse regering wil de komende tien jaar twee keer zoveel windenergie bij creëren. Dat betekent onvermijdelijk dat er nog een pak windturbines bij moeten komen. Door alleen bestaande oudere turbines te vervangen door modernere, efficiëntere en nog hogere exemplaren zal het niet lukken.

De regering kan dus weerstand tegen windprojecten missen als kiespijn. En ze mikt daarbij op de gemeenten. Daarom staat in het Vlaams regeerakkoord een opmerkelijke passage: "We passen de regelgeving m.b.t. de ruimtelijke impact voor het plaatsen van windmolens aan en leggen de bevoegdheid hieromtrent bij de lokale besturen." (p .219 Vlaams regeerakkoord).

In plaats van de bevoegdheid over de inplanting van windturbines louter nog bij het gewest en de provincies te leggen, is de Vlaamse regering blijkbaar van plan die te verschuiven naar de gemeenten. Dat zal leiden tot een intenser en hopelijk beter overleg met de lokale actiecomités en de windenergiesector, is de redenering. De gemeenten zijn veel directer betrokken bij de lokale problematiek dan de verre provincies en gewesten. En ondernemingen die windturbines willen plaatsen, zullen veel meer rekening moeten houden met die gemeenten. Dat zou de weerstanden makkelijker moeten opruimen.

Gemeenten reageren verdeeld

De VVSG, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, is het plan wel genegen. Ze stellen vast dat sommige windenergieontwikkelaars het lokale protest soms te makkelijk naast zich neerleggen: als de gemeenten zelf kunnen beslissen, krijgen ze een grotere impact en meer gewicht.

Nogal wat burgemeesters verslikten zich in hun koffie toen ze de plannen van de regering zagen

Toch verslikten nogal wat burgemeesters zich in hun koffie toen ze de plannen van de regering lazen. We hebben gewoon niet de vrouw- of mankracht om de ingewikkelde goedkeuringsprocedures snel en met voldoende expertise te kunnen afwerken, argumenteren ze. En vooral: de gemeenten zullen nu een van bovenaf opgelegde, volgens hen onduidelijke, wetgeving moeten uitvoeren waarop ze helemaal geen invloed hebben. Als ze die regels moeten toepassen, willen ze die ook kunnen veranderen.

Ook de versnippering van de projecten en het gebrek aan een globale visie is veel gemeentebesturen een doorn in het oog. Een aantal provincies (onder meer Limburg en Oost-Vlaanderen) hebben al een provinciaal windplan uitgewerkt. Andere niet. Door de beslissing op lokaal niveau te leggen, dreigt een versnipperde inplanting nog toe te nemen. Sommige gemeenten spreken zelfs over een "vergiftigd" geschenk.

De voorbije weken trok dan ook de ene na de andere burgemeester naar het kabinet van de nieuwe Vlaamse minister van Energie Zuhal Demir: ze verzetten zich tegen nog meer nieuwe windturbines. Demir deed in De Standaard van donderdag jl. haar beklag: "Het is momenteel echt een tsunami." Demir hekelde de "not in my backyard"-mentaliteit, maar bleef op de vlakte over hoe de bevoegdheidsverschuiving precies zal worden ingevuld. 

Herbekijk hieronder de reactie van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten in "Het Journaal": (lees verder onder de video)

Video player inladen...

Praten helpt

Uiteindelijk komen de meeste problemen neer op een goed overleg. Projectontwikkelaars moeten zo veel mogelijk informeren en praten op lokaal niveau, over de impact van hun turbines, met omwonenden en lokale besturen. Liefst zo vroeg mogelijk bij de beginfase van het project en met respect voor elkaars bezorgdheden: het kan heel wat wrevel wegnemen.

De ontwikkelaars van windenergieparken beginnen dat ook meer en meer te begrijpen. Zo nam een ontwikkelaar een protesterend actiecomité mee naar een van zijn parken. Hij liet de mensen horen hoeveel lawaai zijn turbines maakten en toonde hoe ver de slagschaduw kon vallen: het hielp blijkbaar, want het protest ebde weg. Maar er zijn nog altijd ontwikkelaars die het lokale overleg te veel links laten liggen en onmiddellijk naar provincie of gewest trekken. Dat ergert lokale actiecomités en gemeentebesturen. Ze voelen zich niet ernstig genomen en hun weerstand vergroot. 

Er is nog een draagvlak

Dit neemt niet weg dat er in Vlaanderen nog altijd een draagvlak is voor windenergie. Uit de laatste bevraging van het Vlaams Energieagentschap (VEA) in 2018 blijkt dat 60% van de Vlamingen geen probleem heeft met de komst van windturbines in de eigen gemeente, 33% is neutraal en amper 7% is tegen. 

Want windturbines op land zijn effectief de klimaatvriendelijkste technologie om hernieuwbare elektriciteit op te wekken. Volgens het IPCC (de klimaatexperten van de VN) stoten ze over hun hele levenscyclus amper 11 gram CO2 per kWh geleverde stroom op. Dat is net iets beter dan de windturbines op zee (12 gram) en al vier keer beter dan de zonnepanelen (48 gram). Bovendien maken ze behoorlijk wat stroom: een windturbine op land draait omgerekend makkelijk meer dan 2000 uur per jaar op vol vermogen. Ter vergelijking: voor zonnepanelen is dat 900 uur.