13 tot 19 november 1944: verzet in België moet wapens inleveren

In deze reeks geven we een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog. Deze week van 13 tot 19 november 1944.  In België moet het verzet zijn wapens inleveren, tot ongenoegen van sommige verzetsgroepen. En na weken van stilstand dringen de geallieerden door tot het noordoosten van Frankrijk. 

Tegen 18 november moeten alle wapens waarover de Belgische verzetsstrijders beschikken, zijn ingeleverd. Wie nog wapens heeft, stelt zich bloot aan gerechtelijke vervolging.

Die maatregel leidt tot de eerste politieke crisis in België sinds de bevrijding. Nauwelijks 15 dagen eerder hielp het gewapende verzet nog bij het bevrijden van de laatste bezette plaatsen in België. 

Tekst van het Ministerieel Besluit dat het verzet verplicht zijn wapens in te leveren. Officieel heet het dat aan de opdracht van het verzet een einde is gekomen nu het Belgisch grondgebied helemaal bevrijd is.

De eis om de wapens in te leveren komt van het geallieerde opperbevel (SHAEF) zelf. Het SHAEF wil niet weten van gewapende groepen achter de frontlinie. De regering en de traditionele partijen willen ook niets liever. Ze hebben het gewapende verzet nooit echt vertrouwd.

Omgekeerd willen veel weerstanders meer invloed krijgen in het bestuur van ons land. Vooral het Onafhankelijkheidsfront (OF), waar de communisten zeer sterk staan, wil niet van ontwapening weten.

De Gentse afdeling "Héron" van het Geheim Leger.  Het was de grootste en de meest gedisciplineerde gewapende verzetsgroep.  De leiding berustte bij beroepsmilitairen.

Onder druk van generaal Erskine, de SHAEF-vertegenwoordiger in België, hakt de regering op 13 november de knoop door. Alle verzetslieden krijgen vijf dagen de tijd om de wapens in te leveren. Ze krijgen 1000 frank voor hun wapen en 200 tot 400 frank voor een battledress (gevechtsuitrusting). 

Generaal Erskine begroet prins Karel, de Belgische regent, op de 11 november-herdenking bij de Onbekende Soldaat. © IWM (BU 1307)

Op 16 november nemen drie ministers ontslag: de communisten Marteaux en Dispy en Fernand Demany. Die laatste is de leider van het OF en was minister voor relaties met de Weerstand.

Premier Pierlot houdt dezelfde dag een radiorede waarin hij aankondigt dat verzetslieden bij voorrang aangeworven zullen worden bij het Belgisch leger, de Rijkswacht of de ministeries.

Pierlot geeft in zijn toespraak een veeg uit de pan aan “politieke groepen” die “het monopolie van verdiensten van het verzet” opeisen en dat willen “uitbuiten voor politieke doeleinden”. 

De opgestapte communistische ministers (v.l.n.r.) Albert Marteaux, Raymond Dispy en Fernand Demany. Ze zaten nog geen twee maanden in de regering.

De dag daarop laat de overkoepelende Nationale Raad van de Weerstand weten dat de wapens zouden worden ingeleverd, maar enkel omdat generaal Erskine het bevel daartoe gegeven heeft. Er zou geen vergoeding in geld worden aanvaard want “een soldaat verkoopt zijn wapens niet”.

Organisaties als het OF hadden het liefst gewild dat hun troepen “en bloc” zouden toetreden tot het reguliere leger, met behoud van eigen structuur en eigen bevelhebbers. Zoiets is in beperkte mate in Frankrijk gebeurd. De Belgische regering en legerleiding willen daar niet van weten.

Twee gewapende verzetslieden met een krijgsgevangen korporaal van de Luftwaffe bij de bevrijding van Avelgem (SOMA).
De Franse communistische krant L'Humanité (19 november) meldt de opmars van Franse troepen naar Belfort, maar heeft ook aandacht voor "de Belgische crisis".

Geallieerde opmars in Noordoost-Frankrijk

Voor het eerst in zowat twee maanden boeken de geallieerden weer een duidelijke vooruitgang in het noordoosten van Frankrijk.

De Duitse legers slaagden er al die tijd in stand te houden achter de bergrug van de Vogezen en de formidabele dubbele fortengordel rond de stad Metz. Die forten werden grotendeels opgericht toen Metz van 1871 tot 1919 Duits was en bewijzen nu pas hun waarde.  

Amerikanen met Duitse krijgsgevangenen in de omgeving van Metz (NARA)

Door het gebrek aan aanvoer langs de havens zitten de geallieerden met een tekort aan materieel en brandstof. Daardoor kunnen de tanks niet ten volle in actie komen. Dat geeft de Duitsers extra tijd om de vestingen te versterken.

De strijd van het Derde Amerikaanse Leger van generaal Patton is bijzonder zwaar. Om elk fort moet hard gevochten worden. De Duitse weerstand is veel groter dan verwacht. 

Amerikaanse soldaten aan de rand van Metz (NARA)

Maar met een zwaar offensief dat sinds 3 november gevoerd wordt, slagen de Amerikanen erin een omsingelingsbeweging uit te voeren. De 17e wordt Metz vrijwel afgesloten. Een groot deel van de Duitse troepen heeft de stad verlaten. De burgerbevolking moest ook vertrekken maar veel burgers zijn in de kelders gebleven.

Burgers van Metz bij dode Duitse soldaat (NARA).

De meeste forten rond Metz blijven weerstand bieden, maar de eerste Amerikaanse troepen hebben de rand van de stad bereikt. 

Intussen is het Zevende Amerikaanse Leger onder generaal Patch erin geslaagd eindelijk de Vogezen te passeren en door te dringen tot in de Elzas. 

De inwoners van het stadje Champagney ten noorden van Belfort nemen het naambord van de "place Pétain" weg. Champagney wordt op 19 november door Noord-Afrikaanse troepen van het Franse leger bevrijd na 55 dagen van gevechten. Er worden meer dan 100 burgers gedood en 400 woningen vernield (privécollectie).

Ten zuiden daarvan is het Eerste Franse Leger van generaal de Lattre een offensief bezig in de zgn. Bourgondische Poort (Trouée de Belfort), het plateau tussen de Vogezen en de Jura. De Duitsers zijn er onder de voet gelopen.

De industriestad Montbéliard wordt op 17 november bevrijd. Meteen wordt opgerukt naar de naburige stad Belfort. Een Noord-Afrikaans commando heeft het fort voor Belfort bij verrassing kunnen veroveren. 

Het 5de Regiment Marokkaanse Tirailleurs met hun mascotte - een bok - bij de bevrijding van Montbéliard.

Pro-Duitse Russen richten "bevrijdingscomité" op

In Praag is met veel vertoon en in aanwezigheid van Duitse autoriteiten het "Comi­té voor de Bevrijding van de Volkeren van Rusland" (Russische afkorting KONR) opgericht.

Het KONR wil "met de hulp van Duitsland" een "anticommunistische kruistocht" beginnen tegen het dictatoriale regime van Stalin. Daarvoor wordt een leger uit de Russische krijgsgevangenen gevormd.

Russische soldaten in het Duitse leger. Op het kenteken op hun mouw staan de Cyrillische letters voor ROA (afkorting van "Russisch Bevrijdingsleger") en een blauw Sint-Andrieskruis op een witte achtergrond, een oude Russische vlag.

Het KONR wordt geleid door generaal Andrej Vlasov. Dat was een van de bekwaamste generaals van het Rode Leger toen hij twee jaar tevoren in Duitse krijgsgevangenschap kwam.

Met steun van de Duitse legerleiding begon hij kort daarna een “Russisch Bevrijdingsleger” te rekruteren uit krijgsgevangenen om aan Duitse zijde te vechten. 

Vlasov (midden op de foto) tussen andere Russische officieren op een anticommunistisch  pamflet in het Russisch uit 1942.

Al snel echter trekt Vlasov zijn medewerking in omdat hij vindt dat zijn optreden misbruikt wordt om uitsluitend Duitse belangen te dienen. De plannen van Vlasov – een vrij Rusland – zijn dan ook in strijd met de ideeën van Hitler, die Rusland wil koloniseren en de Russen als Untermenschen veracht.

Generaal Vlasov met zijn Russische soldaten in Duits uniform.

Door de hachelijke situatie waarin Duitsland nu verkeert, krijgt Vlasov een nieuwe kans. Het KONR is een soort regering in ballingschap. Het heeft een democratisch programma waarin geen sprake is van fascisme of antisemitisme en richt zich niet alleen tot de eigenlijke Russen, maar tot alle volkeren in de Sovjet-Unie. 

Vreemd genoeg is het vooral SS-leider Himmler die nu Vlasov steunt en niet meer de legerleiding. De energieke figuur van Vlasov kan zorgen voor nieuwe Russische vrijwilligers aan Duitse zijde en ook de miljoenen Russische dwangarbeiders in Duitsland kalm houden. 

Vlasov met Himmler in de Zweedse editie van het Duitse legertijdschrift 'Signal'.

Stalin beveelt deportatie Mescheten

De Sovjetregering heeft op 14 november de deportatie bevolen van de zowat 120.000 Mescheten uit de Sovjetrepubliek Georgië. De hele operatie is geheim.

De Mescheten of Meschetische Turken zijn een volk dat woont in een zuidelijke bergstreek die grenst aan Turkije. Ze zijn overwegend moslims en spreken een vorm van Turks.  

De volledige bevolking zal worden overgebracht naar dunbevolkte gebieden in Centraal-Azië. Het bevel komt van Stalin zelf, maar de reden is niet duidelijk. Hij noemt de Mescheten onbetrouwbaar.

Kaart van het grensgebied van Georgië (toen bij de Sovjet-Unie) met Turkije in 1944. In de groen gekleurde gebieden leefde een Meschetische meerderheid. Nu zouden er  in Georgië nog geen tweeduizend meer leven.

Sinds het begin van de oorlog zijn meerdere Sovjet-bevolkingsgroepen vanuit hun woongebied weggevoerd naar Siberië of Centraal-Azië, waar ze vaak in verschrikkelijke omstandigheden leven. Vaak worden ze geplaatst in onherbergzame streken zonder voedsel of water. 

Zo werden in 1941, kort na het begin van de Duitse aanval op de Sovjet-Unie, meer dan 400.000 Wolga-Duitsers verplaatst, omdat ze etnische Duitsers zijn.  In mei 1944 zijn alle 240.000 Krim-Tataren, een Turkssprekend volk op de Krim, gedeporteerd, als collectieve straf omdat sommigen van hen met de Duitse bezetter hadden gecollaboreerd. 

Twee jonge Mescheten in de Verenigde Staten dragen T-shirts met de datum "14 november 1944" en de woorden "Verbanning van de Mescheten" (links) en "zijn we niet vergeten" (rechts).

De Mescheten wonen evenwel in een gebied dat nooit in de oorlog betrokken is geweest. Ze zijn wel cultureel verwant aan de bevolking van de aangrenzende regio’s Kars en Ardahan in Turkije.  

Kars en Ardahan zijn een tijd Russisch geweest, maar na de Eerste Wereldoorlog gaf Moskou die gebieden opnieuw aan Turkije.

Stalin wil echter zoveel mogelijk voormalig Russisch grondgebied terugwinnen. Het verwijderen van etnische Turken uit het grensgebied kan een eerste stap zijn om Turkije onder druk te zetten. 

In 2016 betoogden Mescheten voor het Witte Huis in Washington. Ze eisten hun recht op om naar Georgië terug te keren.

Naschrift : de Sovjet-Unie zal meer dan twintig jaar later de deportatie toegeven. Tienduizenden Mescheten overlijden als gevolg van de deportatie.

Vandaag nog verblijft de overgrote meerderheid van de meer dan 400.000 Mescheten buiten Georgië. De meesten wonen in Kazachstan en andere Centraal-Aziatische landen.