Waugsberg/Wikimedia Commons/CC BY-SA 2.5

Moeten er nóg honingbijen zijn in de stad?

Imker en bioloog Dylan Elen wil het beeld bijstellen dat meer bijenkorven in de stad, en dus meer honingbijen, de wilde populaties wegconcurreren. Het probleem is niet het teveel aan bijenvolken, maar wel het tekort aan voedselbronnen. 

opinie
Dylan Elen
De auteur is imker, doctoreert in bijenonderzoek aan Bangor University (Verenigd Koninkrijk) en is voorzitter van ZwarteBij.org, een organisatie die zich inzet voor het behoud van de Zwarte bij in de Benelux.

Onlangs verscheen op VRT NWS een artikel over de negatieve impact van het teveel aan bijenvolken in grootsteden. Achter de imkerijschermen stelde ik vast dat men er niet zo gelukkig mee was. Immers, in plaats van het probleem te benoemen als “er is een tekort aan voedselbronnen voor bijen” klonk het eerder als “er zijn te veel bijenvolken”. Daar worden imkers niet meteen blij van.

Groot was de ontsteltenis toen het nieuws de indruk gaf dat de achteruitgang van solitaire bijen- en hommelsoorten te wijten is aan de aanwezigheid van te veel bijenvolken. Vele traditionele imkers – er bestaat immers ook “natuurlijk imkeren”, waarbij meer aandacht gaat naar ecologie en honingopbrengst slechts bijzaak is – zien dat namelijk anders: als er al problemen zijn, want niet ieder imker gelooft dat er ernstige voedselcompetitie kan optreden, ligt het probleem volgens hen bij een tekort aan voedselbronnen voor bijen.

Toch moeten soms ook imkers al stevig op zoek gaan naar voedselrijke gebieden om hun bijenkasten in te plaatsen, want in tegenstelling tot een veeteler, beschikken zij niet over eigen weilanden (bloemenvelden) voor hun bijenvolken.

Nood aan bijenbeleid

Zulke voedselrijke gebieden worden jaarlijks schaarser: de ene boom na de andere wordt gekapt; wegbermen worden gemaaid voordat er iets in bloei komt; de verharding neemt toe; … De meeste imkers die ik ken, zowel van de traditionele als van de natuurlijke strekking, identificeren zichzelf als natuurliefhebber. Hun tuin is een oase van bloemen voor bijen en her en der hangt er wel een bijenhotelletje.

Tevens een pluim voor imkers(verenigingen) die jaarlijks bij-vriendelijke planten uitdelen en/of verkopen, maar het blijft helaas een druppel op een hete plaat als men in rekening brengt hoeveel bijenvolken er zijn en hoe slecht het gesteld is met onze biodiversiteit. Er is nood aan regelgeving die de bouwwoede stopt, die lokale besturen verplicht om in hun groenperken meer bij-vriendelijke planten te zetten, die landbouwers veel actiever stimuleert om florarijke wildstroken in te zaaien of houtkanten aan te leggen, … 

Daarnaast zou er bij de bestrijding van invasieve exoten die veel honingbijen aantrekken, best worden nagedacht over het tijdig voorzien in inheemse alternatieven. Het bestrijden van invasieve exoten zoals Valse acacia (Robinia pseudoacacia) en Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera) is vanuit ecologisch perspectief uiteraard verantwoord, maar het stoot vele imkers tegen de borst. Imkers informeren over waarom die bestrijding noodzakelijk is zou ook kunnen helpen. Immers, in het geval van invasieve exoten die schade berokkenen aan hun honingbijen, zoals de Varroamijt (Varroa destructor) of de Aziatische hoornaar (Vespa velutina nigrithorax), staan vele imkers permanent klaar om hen te lijf te gaan. In zulk een geval begrijpen ze immers de negatieve impact van de invasieve exoot.

Risico voedselcompetitie inschatten

Ook wanneer het voedselaanbod zal toenemen, blijft monitoring nodig: als meer voedselaanbod leidt tot meer bijenkasten, zijn solitaire bijen en hommels mogelijks nog steeds de pineut. Voor dergelijke monitoring is er misschien indirect een rol weggelegd voor het FAVV. Ieder imker moet zich bij wet registreren bij het FAVV, zij produceren immers honing. 

De dataverzameling bij die registratieplicht zou uitgebreid kunnen worden met naast het adres van de imker ook alle locaties waar die imker bijenkasten heeft en hun aantal. Die data zou het FAVV beter helpen bij het opspeuren en bestrijden van besmettelijke bijenziekten

Maar daarmee zou het FAVV ook voor heel België een honingbij-densiteitskaart kunnen opmaken waarop die densiteit aangegeven wordt via een graduele kleurovergang: van rood (hoge densiteit) naar groen (lage densiteit). Gecombineerd met kaarten over het voorkomen van andere bestuivers, en kaarten over landgebruik/vegetatietype, zou vervolgens nagegaan kunnen worden waar er werkelijk ernstige voedselcompetitie optreedt en dus meer bijenplanten nodig zijn.

Inheemse honingbijen?

Maar het welzijn van solitaire bijen en hommels hangt ook af van welke honingbijen de imker houdt. De ene honingbij is namelijk niet de andere. Europa telt 10 verschillende honingbijen, allen ondersoorten van de Westerse honingbij (Apis mellifera), elk met hun eigen natuurlijk leefgebied. De Benelux behoort tot de habitat van de Zwarte bij (Apis mellifera mellifera), zij is dus de énige honingbij inheems bij ons. 

Echter, doordat in het recente verleden er uitheemse honingbijen werden geïmporteerd, komt onze inheemse honingbij tegenwoordig in de Benelux enkel nog in redelijke getale voor in Chimay (Wallonië) en op Texel (Nederland). Die uitheemse honingbijen verdringen onze Zwarte bij door genetische pollutie wanneer uitheemse mannetjesbijen paren met inheemse Zwarte bijenkoninginnen, in dat kader zijn die uitheemse honingbijen dus feitelijk invasieve exoten. Nochtans is die Zwarte bij van groot belang om tot een duurzame imkerij te komen met respect voor biodiversiteitsbehoud. 

zwarte bij op de honingbloem

Immers, de honingbijen waarmee tegenwoordig vooral in de Benelux geïmkerd wordt – Carnica-bijen (Apis mellifera carnica) afkomstig uit de Balkanregio en Buckfast-bijen (een ras ontstaan door het kruisen van Europese en Afrikaanse ondersoorten) – zijn streng geselecteerd op honingproductie. Zwarte bijen zijn dat niet en brengen dus minder honing op, maar veroorzaken zo ook minder voedselcompetitie voor andere bestuivers. 

Daarnaast is de teelt van Carnica- en Buckfast-bijen afhankelijk van import van genetisch teeltmateriaal (zoals bijenkoninginnen) uit het buitenland. Met daaraan gekoppeld het risico om nieuwe (strengen van) bijenziekten te importeren, waarvan geweten is dat zij tevens de sprong maken van honingbij naar solitaire bij en hommel, met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien. 

Daarenboven is ook gekend dat honingbijen van lokale origine hogere overlevingskansen hebben dan honingbijen van niet-lokale origine, dankzij lokale adaptatie. Een van de gevolgen van die adaptatie is zo dat Zwarte bijen al vanaf 7 ℃ gaan foerageren in plaats van 12 ℃ welk eerder de norm is voor uitheemse honingbijen. 

Pollinatie, als een van de belangrijkste ecosysteemdiensten, heeft zo meer baat bij lokaal geadapteerde honingbijen. 

Om het welzijn van onze bijen te vergroten, kunnen er dus verschillende maatregelen genomen worden, waaronder het voorzien van extra voedselbronnen waarbij de imker absoluut een bondgenoot is. Maar er is dus meer dan dat. Beslist u ooit imker te worden, kies dan alstublieft ecologisch bewust voor onze Zwarte bij; of de volgende keer dat u honing wilt kopen, ga dan misschien eens op zoek naar honing van Zwarte bijen.

Steeds meer gevestigde imkers opteren gelukkig al voor onze bedreigde inheemse Zwarte bij. In het Limburgse Bosland loopt zo momenteel samen met het Agentschap voor Natuur en Bos zelfs onderzoek naar mogelijkheden om er weer een populatie Zwarte bijen te bestendigen, een unicum voor Vlaanderen.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.