Nog maar nauwelijks begonnen en invoering van nieuw openbaar vervoer in Vlaanderen loopt al vertraging op

Sinds de goedkeuring van het decreet "basisbereikbaarheid" in 2019 kiest de Vlaamse overheid voor een zogenoemd vraaggestuurd openbaar vervoer op vier niveaus (treinnet, kernnet, aanvullend net en vervoer op maat). Minister van Mobiliteit en Openbare Werken Lydia Peeters (Open VLD) laat nu weten dat de uitvoering van dit systeem tegen het einde van 2020 – zoals voorzien door de vorige regering - onmogelijk wordt omdat ze “aan het begin van de legislatuur geconfronteerd werd met problemen in het dossier.” Daarom stelt ze voor om de invoering van de nieuwe regels met één jaar uit te stellen.

Waar gaan die nieuwe regels dan over? Op 18 december 2015 werd de zogenoemde conceptnota ‘basisbereikbaarheid’ goedgekeurd door de Vlaamse regering. Daarin stond dat het decreet ‘basismobiliteit’ van 2002 afgeschaft zou worden. Met dat decreet kreeg De Lijn in 2002 de opdracht (en extra geld) om over heel Vlaanderen een basisdienstverlening met bussen te voorzien. De vorige regering wou dat in 2014 helemaal anders en zei dat bussen en trams vooral moeten rijden op lijnen waar er écht een vraag naar openbaar vervoer is. Geen lege bussen op zondag meer, bijvoorbeeld. 

Openbaar vervoer nieuwe stijl via "basisbereikbaarheid"

De Lijn zou haar dienstverlening op die manier moeten aanpassen. Er kwam in die zin een nieuw decreet "basisbereikbaarheid". Typisch Belgisch (of Vlaams) probleem: pas vier jaar later, op 3 april 2019, keurde het Vlaams Parlement het nieuwe decreet goed. Qua timing een beetje krap dus voor de nieuwe regering om alles volgend jaar rond te krijgen.

Qua timing een beetje krap dus voor de nieuwe regering om alles volgend jaar rond te krijgen

Want er staat met dat nieuwe openbare vervoer wel flink wat op stapel. Zo moeten De Lijn en steden en gemeenten zich organiseren in vervoersregio’s, om te bepalen wat ze zélf qua bussen en trams in de regio willen. En De Lijn zelf moet nog een audit ondergaan – een ‘benchmark’ - om te bepalen of ze klaar is voor de geliberaliseerde markt van het openbaar vervoer. Dat moet van Europa.

Vervoersregio’s: wat zijn dat?

Sinds het decreet basisbereikbaarheid bestaat het openbaar vervoer – althans op papier – uit vier lagen. De eerste laag bestaat uit het spoorwegnet. Dat is federaal, en wordt uitgebaat door de NMBS en Infrabel. De tweede en derde laag zijn het zogenoemde kern- en aanvullend net, de grote lijnen in en tussen de stedelijke kernen, vandaag in handen van De Lijn. De vierde laag is het vervoer op maat. Dat is wat vandaag bijvoorbeeld bekend staat onder belbussen, het vervoer voor mensen met een beperking en het leerlingenvervoer.

Kurt Desplenter

Het vervoer op maat gaat de Vlaamse overheid niet meer zelf organiseren maar uitbesteden aan de markt. Ook deelsystemen zoals deelfietsen en deelsteps vallen daaronder. Zogenoemde vervoerregio’s kunnen bepalen welke mobiliteitsdiensten ze precies willen. Vervolgens koopt het departement Mobiliteit van de Vlaamse overheid in Brussel diensten in, zoals bijvoorbeeld busvervoer bij een privébedrijf. Daarvoor moet elke regio wel een vervoersplan opstellen.

In de oorspronkelijke timing was voorzien dat de 15 vervoersregio’s in het voorjaar van 2019 klaar zouden zijn met de opmaak van hun vervoersplannen. De vervoersregio’s zijn echter met vertraging opgestart en de gunningsprocedure voor het aanduiden van studiebureaus, die de vervoersplannen moeten opmaken, ging ook niet vlot.

Vier vervoersregio’s vroegen bij monde van hun voorzitter al uitstel, zegt de minister, en van 12 vervoersregio’s zei het begeleidende studiebureau aan de administratie van Lydia Peeters dat de timing niet haalbaar is. Alleen de regio’s Leuven en Antwerpen (dat zijn proefprojecten, red.) zitten als regio op schema.

Vervoersregio’s en studiebureaus vragen om uitstel

“De vervoersregio’s zijn hard aan het werk om hun openbaar vervoerplan zo snel als mogelijk af te hebben”, zegt Lydia Peeters. “Het gaat om een participatief traject waarin de nodige inspraak wordt voorzien. Ook wordt elk lokaal bestuur gehoord. Het voorstel is dat alle gemeenteraden ten laatste in juni 2020 de vervoersplannen goedkeuren. “Pas na deze goedkeuring kan de Lijn aan de slag om dit om te zetten in een aangepast systeem voor het kernnet en het aanvullend net. De Lijn heeft hier ook één jaar voor nodig”. Lees: dat plan is pas klaar medio 2021.

De Lijn moet voor de liberalisering van de markt een test ondergaan maar die komt dus later

In het Vlaams regeerakkoord staat dat De Lijn ‘de interne operator voor de exploitatie van het zogenoemde kern- en aanvullend net blijft maar wel op voorwaarde dat het in 2020 een zogenoemde ‘benchmark’ doorstaat.  Via een ‘benchmark’ wil de overheid De Lijn doorlichten: werkt het bedrijf efficiënt en is het klaar voor de liberalisering van het openbaar vervoer? En vooral: voor de concurrentie met andere, private vervoersmaatschappijen?

Die lakmoesproef voor De Lijn komt er dus alvast niet in 2020

Die lakmoesproef voor De Lijn komt er dus alvast niet in 2020. Er zijn n.a.v. het regeerakkoord en het nieuwe decreet ‘basisbereikbaarheid’ namelijk nog tal van uitvoeringsbesluiten nodig. Op basis van een advies van het departement MOW kwam het kabinet Peeters tot de conclusie dat de uitvoering van het decreet basisbereikbaarheid ten vroegste begin 2022 kan. Maar “de uitdaging blijft groot”, zegt het kabinet. In het Nederlands betekent dat: wellicht wordt dat nog later.