Waarom doet de Belgische export het niet béter? Drie economen reageren op spraakmakend rapport Nationale Bank

De Belgische export groeit op dit moment minder snel dan die van Nederland, Frankrijk en Duitsland. Dat is de belangrijkste conclusie van een rapport van de Nationale Bank, waar economen en politici al drie dagen over discussiëren. Vooral over het waaróm van die beperkte groei wordt hevig gedebatteerd. Hebben onder andere de taxshift en de indexsprong hun effect gemist? Drie economen delen hun inzichten. 

Hoezo, welk rapport van de Nationale Bank?

Eind vorige week publiceerde de Nationale Bank, dat de economie in ons land onderzoekt voor de federale regering, een rapport over de Belgische buitenlandse handel. Wat blijkt? De Belgische export groeit dan wel de afgelopen tien jaar, ze doet dat niet even snel als in onze buurlanden, die ook nog eens onze belangrijkste handelspartners zijn.

Op vlak van goederenexport deden we het in de periode van 2016 tot 2018 (vanaf de uitrol van de taxshift) wel beter dan in het verleden, en dan veel handelspartners. Maar dat verdient wat nuance: als we de reorganisatie van farmareus Pfizer in Zaventem niet meerekenen, scoren we gemiddeld, en doet Nederland een pak beter. “En een dergelijke organisatie wordt beter niet meegerekend, omdat het weinig toevoegt aan het bbp, en eerder als transit werkt”, zegt econoom Geert Langenus van de studiedienst van de Nationale Bank.  

Op vlak van diensten is het verhaal anders. “Bij de export van diensten is het traject de laatste tien jaar minder gunstig, zeker in de transport- en toerismesector. De aanslagen in 2016 hebben op vlak van toerisme zeker meegespeeld, al gaat het daar nu weer beter.”

Dat is duidelijk, waarover gaat de discussie dan?

De discussie ging de afgelopen dagen vooral over de oorzaak van die beperkte exportgroei. Een krantenkop in De Tijd donderdag zette ze in gang: “Bedrijven gebruiken de indexsprong en de taxshift om hun winst op te krikken”, stond er.

Wat betekent dat nu? De taxshift en de indexsprong waren twee maatregelen van de federale regering die Belgische bedrijven competitiever moesten maken, en dus onder andere de export moesten boosten.

Bij de taxshift (ingevoerd vanaf 2016) daalden bijvoorbeeld de bijdragen die werkgevers betaalden op het loon van werknemers, waardoor er meer geld overblijft voor andere zaken. Door de indexsprong werden de lonen in 2015 even niet aangepast aan de levensduurte, wat ook bespaart op de uitgaven van een bedrijf.

De redenering was dan dat bedrijven hun exportprijzen ook konden aanpassen nu ze minder moeten uitgeven aan de lonen van hun werknemers. Maar in het rapport staat: “Veranderingen in de loonkosten lijken niet altijd volledig doorgerekend te worden in de exportprijzen, maar zijn gedeeltelijk – en opvallend – vertaald naar de winstmarges van de bedrijven.” En “dat zeggen wij al heel lang”, aldus Langenus.

De winstmarge is (hou u vast) het deel van de omzet dat overblijft als winst voor een onderneming. En die vloeit soms via dividenden, of onrechtstreeks via de toegenomen waarde van de onderneming door naar de aandeelhouders. 

Wat is nu het probleem met die analyse?

Vooral uit ondernemershoek kwam er kritiek op die analyse. De werkgeversorganisatie VBO verzette zich tegen het beeld dat aandeelhouders “gaan lopen” met de winstmarge die de bedrijven concurrentiëler moesten maken.

VBO-econoom Edward Roosens wijst er bijvoorbeeld op dat er wel degelijk een aanpassing aan de prijzen is gebeurd. Hij merkte ook op dat de Nationale Bank geen onderscheid maakte tussen goederen- en dienstenexport. Maar dat is, zoals eerder uitgelegd, niet correct.

De Nationale Bank verdedigt zich: “We zeggen niet dat de prijzen helemáál niet zijn gecorrigeerd, maar dat gebeurde slechts gedeeltelijk. Het andere deel ging effectief naar de winstmarges. Tijdens de discussie ging jammer genoeg verloren dat we ook heel wat andere oorzaken zien voor die mindere exportcijfers.”

Wat zijn die andere oorzaken dan?

“Een van die redenen is onze exportmarkt niet ‘prijsgevoelig’ is: als we onze prijzen wijzigen, betekent dat niet dat er ook meer vraag naar onze exportproducten zal zijn. Dat komt bijvoorbeeld omdat we relatief veel zogenoemde ‘halffabricaten’ uitvoeren (en dus minder afgewerkte producten, red.). Het is niet omdat één van die halffabricaten, één schakel in de productieketen, goedkoper wordt, dat we de hele productieketen kunnen herorganiseren.”

“We zetten ook heel sterk in op chemische en farmaceutische producten. Daar speelt dezelfde logica: het is niet omdat je de prijs van een geneesmiddel verandert, dat men meer van dat geneesmiddel gaat consumeren”, zegt Langenus. “Zelfs als de kostenverlaging volledig werd doorgerekend naar de prijzen, zou de impact van die prijswijziging eerder beperkt zijn, omdat men weinig prijsgevoelige producten uitvoert. Al belet dat niet dat de lagere loonkost andere bedrijven kan aantrekken, of voor investeringen kan zorgen. ”

Zelfs als de kostenverlaging volledig werd doorgerekend naar de prijzen, zou de impact van die prijswijziging eerder beperkt zijn, omdat men weinig prijsgevoelige producten uitvoert

Geert Langenus, studiedienst Nationale Bank

Tot eenzelfde slotsom komt hoofdeconoom van VOKA (het netwerk van ondernemers) Bart Van Craeynest: “Vooral het type van producten en landen waar we naar exporteren spelen een rol. Wij exporteren vooral naar Duitsland, en die industrie heeft het al een aantal jaren moeilijk”, zegt hij. “De boodschap dat de lastenverlaging niets heeft bijgedragen, daar zien wij geen tekenen van. Maar dat die doorrekening niet altijd 1 op 1 is, lijkt mij logisch.”  

Van Craeynest hecht meer belang aan de vele regels die bedrijven minder dynamisch maken. “Kijk naar de IT-sector, daar moeten we echt sneller in investeren. En daar kunnen die winstmarges dan weer een rol spelen. Maar het is te kortzichtig om te zeggen dat die lastenverlaging verdwijnt in de zakken van de aandeelhouders.”

Ook Langenus wijst op die randvoorwaarden, zoals bottlenecks op de arbeidsmarkt, problemen met mobiliteit, energiebevoorrading en de lage flexibiliteit van de arbeidsmarkt. "Ook dat is een wezenlijk onderdeel van onze concurrentiekracht", zegt hij. 

Het is te kortzichtig om te zeggen dat die lastenverlaging verdwijnt in de zakken van de aandeelhouders

Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van VOKA

Dus iedereen is het toch eens?

Iedereen lijkt het eens dat er door de taxshift een “lek” kan ontstaan naar de winstmarges van bedrijven, maar schatten het effect op de exportcijfers verschillend in. Hoofdeconoom Ivan Van de Cloot van denktank Itinera stelt dat enkel een “een diepgaand en compleet onderzoek door de Nationale Bank daarover uitsluitsel kan geven. De analyse van de Nationale Bank is momenteel echt te beperkt.”

Nu wordt bijvoorbeeld vaak verwezen naar de jobs die de afgelopen legislatuur zijn gecreëerd, als positief aspect van de taxshift. “Maar hoeveel daarvan is veroorzaakt door de betere conjunctuur?”, vraagt Van de Cloot zich af.

Meer langetermijnonderzoek zou de effecten van de taxshift moeten aflijnen, vindt de econoom. Daarbij moet men “onderscheid maken tussen de verschillende sectoren”, en zich “niet vastrijden in macro-economische wetmatigheden”, stelt Van De Cloot.

Het is bijna naïef om te denken dat één maatregel de arbeidsmarkt competitiever zal maken

Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom denktank Itinera

Voetnoot: “Het is bijna naïef om te denken dat één maatregel de arbeidsmarkt competitiever zal maken. Laten we kijken hoe we de productiviteit kunnen stimuleren door bredere hervormingen van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid”, zegt Van de Cloot, die zijn analyse deelt met de Antwerpse professor Ive Marx.

Het potentieel van zo’n taxshift wordt onderbenut doordat zo’n maatregel onvoldoende maatschappelijk omkaderd is

Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom denktank Itinera

“Maar dan moeten we kijken naar het hele systeem, de volledige architectuur van de welvaartstaat. Nu hebben we een insider-economie: wie een job heeft, is beschermd. Maar hoe makkelijk krijgen niet-werkenden toegang? Het potentieel van zo’n taxshift wordt onderbenut doordat zo’n maatregel onvoldoende maatschappelijk omkaderd is. Maar daar heb je dan weer politici voor nodig die fiscale hervormingen niet voorstellen als lekkers voor hun kiezers.”