Wijzen naar racisten met de morele vinger verhindert het debat over multiculturaliteit

Volgens politicoloog Paul De Roo haalt het niets uit om racisten te veroordelen omdat ze niet thuis zouden horen in een tolerante samenleving. Het gevaar van een moraliserend racismedebat bestaat volgens hem erin dat de verschillen tussen mensen ontkend worden. En dat is nu net waar het in essentie over zou moeten gaan.

opinie
Paul De Roo
Paul De Roo is doctor in de Politieke Wetenschappen. Hij is de auteur van ‘De constructie van het migrantenprobleem. Een geschiedenis’.

Auteur Tom Naegels werkt aan een boek over de geschiedenis van de migratie. Dat is maar goed ook. Dan zal hij al snel inzien dat zijn moraliserende toon, die hij afgelopen weekend in De Standaard aansloeg in in het racismedebat met schrijfster Melat Nigussie, weinig uithaalt.

Dat is omdat het debat in zwart-wittermen wordt gevoerd, waarbij racisten worden veroordeeld omdat zij niet thuishoren in een tolerante samenleving. Zodoende keert het moraliserend racismedebat zich tegen zichzelf, het sluit de vermeende vijanden uit, het snijdt altijd in eigen vel.

Racisme is niet zonder meer een kwaadaardigheid, eigen aan een grote groep van mensen

Mag er dan niet over racisme gesproken worden? Mogen racistische praktijken niet aangeklaagd worden? Zeer zeker wel, niet omdat alle mensen de morele plicht dragen om tolerant te zijn, wel omdat alle mensen in de democratische samenleving dezelfde rechten hebben, ongeacht hun afkomst, huidskleur, religie, geslacht en sociaal-economische situatie.

Racisme is niet zonder meer een kwaadaardigheid, eigen aan een grote groep van mensen. Racisme heeft met ongelijkheid te maken, met wat wij als verschillen herkennen tussen mensen die deel uitmaken van dezelfde samenleving. Het gevaar van een moraliserend racismedebat bestaat erin dat de verschillen tussen mensen ontkend worden, vanuit het nobele paradigma dat alle mensen gelijk zijn.

De Antiracismewet lijkt onbestaande

Migranten en nieuwkomers, ook de asielzoekers van de jaren 2000, worden omwille van hun zwakke sociaal-economische positie al langer als "vreemdelingen" beschouwd. Dat maakt hen gemakkelijk tot slachtoffer van racisme. Om dat exces aan banden te leggen, is in 1981 die merkwaardige antiracismewet tot stand gekomen. Door deze precaire wet werd aan iedereen opgedragen om tolerant te zijn. De wet moest de grens bewaken tussen tolerantie en intolerantie. Maar die grensbepaling is al bijna veertig jaar onderhevig aan allerhande politieke en maatschappelijke invloeden.

Het is daarom zeer betreurenswaardig dat een instelling als Unia die als opdracht had om te waken over de toepassing van deze wet, nu door de Vlaamse Regering aan de kant is gezet. De Antiracismewet lijkt nu onbestaande. In de huidige tijd zijn "mensen van vreemde origine" er zeer belabberd aan toe, als zelfs regeringsleiders — gewezen staatssecretaris voor Asielbeleid Theo Francken (N-VA) en minister-president van de Vlaamse Regering Jan Jambon (N-VA)— zich ongestoord publiekelijk kunnen begeven op het pad van de intolerantie. 

Multiculturalisme is nooit gerealiseerd

Tijdens de jaren negentig werd de multiculturele samenleving op het getouw gezet. De vreemdelingen zouden opgenomen worden in de eigen gemeenschap, door het ontwikkelen van goede communicatiekanalen via het onderwijs, het verenigingsleven, het sociaal-cultureel werk, enzovoort. Er moest erkenning gegeven worden aan de cultuur van de etnische minderheden in kwestie om van daaruit de ene en de andere cultuur met mekaar in contact te brengen en voor uitwisseling te zorgen. Onze samenleving zou zich aldus door de komst van de vreemdelingen zelf in cultureel opzicht verrijken.

Discussies rond culturele (en religieuze) tradities hebben nog lang niet geleid tot consensus, maar wel tot het uitvergroten van schijnbaar onoverkomelijke problemen

Maar dat multiculturalisme werd helaas politiek nooit gerealiseerd, het is zelfs sinds 2010 doodverklaard. Door de onophoudelijke druk van extreemrechts en van het nationalisme hebben zoveel Vlamingen sinds de jaren 2000 aanstoot genomen aan de culturele praktijken van de "vreemdelingen", zoals de andere leefgewoontes, andere klederdracht en vooral het niet spreken van de Nederlandse taal of het dragen van een hoofddoek. Als het in het gemeenschapsleven, in de dagdagelijkse omgang op integratie aankomt, gaat het daarover. De aanhoudende discussie over de hoofddoekenkwestie is daar het voorbeeld van.

Die discussies rond culturele (en religieuze) tradities hebben nog lang niet geleid tot consensus, maar wel tot het uitvergroten van schijnbaar onoverkomelijke problemen. Het vreemdelingenprobleem is hier en in geheel Europa uitgegroeid tot een van de belangrijkste politieke en maatschappelijke problemen van het begin van de eenentwintigste eeuw. 

Vermeende noodzaak van de Vlaamse identiteit

In die patstelling gedijt het nationalisme en de vermeende noodzaak tot het (her)formuleren van de Vlaamse identiteit. Nationalisten weten dat ze succesvol gebruik kunnen maken van een bepaalde vorm van kannibalisme die diegenen die niet tot de eigen gemeenschap behoren, vermorzelt.

"Intolerantie" is geen psychopathologische aberratie of perversie, maar het is een voor de hand liggende potentialiteit van de identiteitswording zelf. Het streven om iemand te zijn als individu of als volk, het discontinue proces van identiteitsontwikkeling heeft zich al altijd gebouwd op het verlangen naar zelfbehoud, op het versterken en in stand houden van het eigene. Vanuit die identiteitsontwikkeling is iedereen probleemloos potentieel racistisch, het reëel bestaande racisme ligt in de lijn van dat verlangen. Het verwerpt onverbiddelijk het vreemde. Verwerping en uitsluiting zijn daarom essentiële eigenschappen van het racisme.

Dat kannibalisme wordt pas heel problematisch als dit proces van uitsluiting (en discriminatie) zich ongebreideld en grenzeloos manifesteert zoals dat het geval was met het antisemitisme in nazi-Duitsland. Tot nader order leven wij in een democratische staat waar andersdenkenden die stormloop een halt kunnen toeroepen.  

Nationalisten weten dat ze succesvol gebruik kunnen maken van een bepaalde vorm van kannibalisme die diegenen die niet tot de eigen gemeenschap behoren, vermorzelt

Het is daar dat het grootste gevaar schuilt van het kannibalisme van het identiteitsdebat. Nationalisten sturen aan op gelijkheid en proberen daarom zand in de ogen te strooien als zij de verdeeldheid aanklagen die eigen is aan het democratisch bestel. Hun vermeende identitaire eenheid is ongegrond en dat weten zij. Zij weten ook dat Vlaanderen niet op zichzelf bestaat. Het is vanuit de omzwervingen naar de anderen toe, naar andere culturen, dat de eigen gemeenschap en haar leden hun particuliere rijkdom verzamelen. De ander is een element of instrument in de ontplooiing van de eigen identiteit, hij is nodig om de zelfontplooiing inhoud te verschaffen.

Maar het is de impact van het narcisme van het individu en het collectieve narcisme van de eigen gemeenschap dat bepaalt hoe brutaal of hoe mild er omgegaan wordt met de andere. Het is helaas heden ten dage die brutaliteit die aan het werk is als nationalisten de massa electoraal voor zich weten te winnen door de vreemdelingen te discrimineren.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.