100 jaar geleden lijfde België een staat in, al was het dan maar een heel kleintje

Op 10 januari 1920 kreeg België in ruil voor de geleden oorlogsschade een stuk Duits grondgebied. Maar wat minder geweten is, is dat ons land tegelijk een volledige ministaat in handen kreeg. Wat was het land dat  zelfs even een eigen munt kende en afgebakend was met grenspalen?

Het Verdrag van Versailles bepaalde dat “Neutraal Moresnet” voortaan Belgisch grondgebied zou worden. Het onafhankelijke staatje was een gebied van amper 344 hectare  dat in het oosten ligt van de huidige provincie Luik. Tussen 1816 en 1920 heette het staatje officieel “Het onverdeelde gebied van Moresnet”. Vandaag is het niet meer dan de kleine Luikse gemeente Kelmis, La Calamine in het Frans, en goed voor 11000 inwoners.

De namen Kelmis en La Calamine zijn afgeleid van de woorden galmei of kalmijn, en die verwijzen dan weer naar zinkcarbonaat. Het was met zink dat de woelige geschiedenis van Moresnet begon. Al in de middeleeuwen was zink het goud van de streek. De plaatselijke Altenberg of de Vieille Montagne werd omgebouwd tot een zinkgroeve. In de negentiende eeuw groeide het dorp uit tot een industriële mijnsite. Duizenden arbeiders werden naar Moresnet gelokt om het zink te ontginnen en te smelten. In het dorp ontstond een mijngemeenschap met nieuwe woningen, winkels en zeker 60 cafés en gokhuizen. Gedurende een beperkte periode werden er zelfs eigen postzegels en munten gebruikt.

Lees voort onder de foto.

De Nederlander Philip Dröge schreef het boek “Moresnet” over wat hij het “vergeten buurlandje” noemt. In “De wereld vandaag” vertelt hij waarom Moresnet neutraal en onafhankelijk werd. “Het was als in een sprookje met een burgemeester als koning, een veldwachter als leger en een bevolking die zich de “Neutralen” noemde”, vertelt Dröge.

“Het grondgebied lag op het drielandenpunt. Het begon met een fout in een verdragstekst na de Napoleontische oorlogen. De paar vierkante kilometer van Moresnet waren zowel aan Nederland als aan Pruisen beloofd. Toen de grens effectief getrokken moest worden, ontdekken beide landen dat ze aanspraak op het grondgebied konden maken. En natuurlijk was er die uiterst waardevolle zinkmijn. Jarenlang is er onderhandeld, maar ze kwamen er niet uit. Zo kwam de neutraliteit als briljante oplossing uit de bus. En dat bleef zo, ook toen de officiële buurlanden Nederland, Duitsland en België gingen heten. Het heeft kunnen duren tot na de eerste wereldoorlog.”

Een burgemeester als koning en een veldwachter als leger

Zink was in de negentiende eeuw zeer gegeerd, niet alleen voor de nieuwe industrieën, maar ook voor wapens en kanonnen. “Het was het plastic van die tijd”, zegt Dröge. “Brussel ligt vol met zink uit Moresnet, hetzelfde geldt voor Parijs. Al die oude zinken daken komen uit de mijn van Moresnet. De eigenaren van de mijn zijn schatrijk geworden, allemaal Brusselaars trouwens.”

Eind negentiende eeuw brak zelfs de kunsttaal Esperanto door in Moresnet. Philip Dröge: “8% sprak Esperanto. Nooit is ergens meer Esperanto gesproken. Enkele idealisten vonden de neutrale gemeenschap de gedroomde plek om de nieuwe taal te ontwikkelen. Er waren zelfs wegwijzers en winkelopschriften in het Esperanto.”

Zink was het plastic van deze tijd

Eert Kelmis vandaag nog haar roemrucht verleden? Philip Dröge: “Sommige mensen zijn heel trots op het verleden. Maar bij anderen heerst nog steeds schaamte. Want een tijdlang had Moresnet de naam van het Sodom en Gomorra van de streek. Maar tegelijk trekt Kelmis toeristen aan. Er is een prachtig museum. En je kan de kaarsrechte oude grensweg bewandelen, langs de grenspalen en de dichtbegroeide zinkmijn.”

Er is tenslotte nog een erfenis. De oude berg van Moresnet verleende haar naam aan het zinkbedrijf “Société des mines et fonderies de Zinc de la Vieille-Montagne”. Het bedrijf verspreidde zich in België en werd gemeengoed als “de Vieille Montagne”. De zinksmelterij is intussen opgegaan in Nyrstar.