Video player inladen...

Spitssnuitdolfijn Oostende is onvolwassen, gezond vrouwtje, doodsoorzaak onduidelijk

Aan de kust van Oostende is gisteravond een spitssnuitdolfijn aangespoeld. Een autopsie heeft uitgewezen dat het dier waarschijnlijk nog leefde toen het in onze kustwateren in de problemen kwam, er kon alvast geen duidelijke doodsoorzaak worden bepaald. 

Aan de oostelijke strekdam van Oostende is gisterenavond een dolfijn aangespoeld. Het dier - dat eerst als bruinvis, en later als tuimelaar werd doorgegeven - bleek helaas reeds overleden, en het kadaver kon dankzij een efficiënte samenwerking met de Oostendse politie, brandweer en technische diensten snel worden overgebracht naar de gebouwen van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Oostende.

Van daar vertrok het vanmorgen naar de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Gent, waar rond de middag een autopsie werd uitgevoerd. Inmiddels was duidelijk dat het om een onvolwassen vrouwtje van de gewone spitssnuitdolfijn (Mesoplodon bidens) ging, met een lengte van 2,88 m en een gewicht van 240 kg.

Slechts 5 keer eerder aangespoeld

Het gebeurt niet vaak dat spitssnuitdolfijnen worden waargenomen in de Noordzee of aanspoelen langs de Noordzeekust, en dat is niet verwonderlijk.

Ze verkiezen immers de diepzee, en blijven ver uit de buurt van kusten. Een grote waterdiepte is daarbij belangrijker dan de afwezigheid van land, aangezien het dieet van spitssnuitdolfijnen uit allerhande diepzee-organismen bestaat, voornamelijk inktvissen en pijlinktvissen, maar ook diepzeevissen en schaaldieren.

Rond eilanden in diepzeegebieden, waar de waterdiepte snel toeneemt met de afstand tot de kust, kunnen spitssnuitdolfijnen dus wel relatief kort bij de kusten worden waargenomen. De ondiepe wateren van de Noordzee, vooral van het zuidelijke deel, behoren echter niet tot hun vertrouwde habitat.

In België zijn dan ook geen meldingen van levende exemplaren op zee bekend, en slechts vijf eerdere strandingen van gewone spitssnuitdolfijnen, waarbij het in twee gevallen om moeder-kalf paartjes ging: in augustus 1835 in Oostende, in augustus 1933 in Wenduine (moeder en jong), in augustus 1954 in De Panne (drachtig vrouwtje), in februari 1969 in Heist en in oktober 1972 in Bredene (moeder en jong). Al deze dieren spoelden levend aan, maar stierven kort daarop. Het jong van 1972 in Bredene overleefde nog enkele dagen in het dolfinarium van Harderwijk in Nederland. 

Lees verder onder de foto: 

Geen plastic in maag

“De autopsie leverde geen aanwijzingen op voor een recent trauma dat als doodsoorzaak kan worden genoemd, bijvoorbeeld een aanvaring of verdrinking in een net, en bevestigde dat het tot kort voor het overlijden om een gezond dier ging”, verduidelijkte Jan Haelters, marien bioloog en zeezoogdierenexpert aan het KBIN.

“Het lijkt dus aannemelijk dat de spitssnuitdolfijn van Oostende nog leefde toen deze in de kustwateren in de problemen kwam, en dat de schaafwonden op het dier nadien werden veroorzaakt door het heen-en-weer schuren van het lichaam tegen de stenen van de Oostdam. In de maag werd echter niets aangetroffen, ook geen plastic of andere items, wat illustreert dat het dier al een tijdje geen voedsel meer had gevonden en dat het bij ons dus sowieso geen rooskleurige toekomst tegemoet ging. Alle spitssnuitdolfijnen op het Belgische lijstje ondergingen daarmee wellicht hetzelfde lot.”

Enkele van de schedels van de Belgische spitssnuitdolfijnen worden bewaard in het KBIN, dat ook over een uitgebreide verzameling van fossiele resten van spitssnuitdolfijnen beschikt. Hier blijven ze ter beschikking voor wetenschappelijk onderzoek en occasionele tentoonstelling.

Het skelet van de nieuwe Oostendse spitssnuitdolfijn zal aan de Universiteit Gent worden gebruikt als didactisch materiaal in de opleiding Diergeneeskunde.

Bekijk hier het verslag van "Het Journaal":

Video player inladen...