De index wordt 100 jaar: het is goed geweest, tijd voor een afscheidsfeest

Ook bij de vakbonden gaan volgens econoom Bart Van Craeynest van Voka meer en meer stemmen op voor vrije loononderhandelingen. Dat zou economisch verstandiger zijn, stelt hij. Maar vrije loononderhandelingen impliceren uiteraard ook het einde van de automatische indexering.

opinie
Bart Van Craeynest
De auteur is hoofdeconoom bij Voka (Vlaams netwerk voor Ondernemingen) en auteur van "Terug naar de feiten".

Hieperdepiep hoera, in 2020 wordt de index 100 jaar. Of dat echt een reden is om te vieren is nog maar de vraag. In februari 1920 werd het eerste nationale indexcijfer van kleinhandelsprijzen in België gepubliceerd. Dat werd meteen gebruikt om onder meer de lonen in de mijnsector en bepaalde toelagen voor ambtenaren te koppelen aan de levensduurte. Ondertussen worden alle lonen en uitkeringen automatisch geïndexeerd. 

Bij de start leek dat een goed idee waar veel landen in meegingen. Maar in de loop der jaren stapten zo goed als alle landen daarvan af, onder meer Nederland in 1982, Frankrijk in 1983 en Italië in 1993. Met een automatische loonindexering van zowat alle lonen staat België vandaag samen met Luxemburg alleen in de wereld. Het vasthouden aan de indexering is evenwel gebaseerd op een dubbele illusie.

De eerste illusie is dat via de indexering de "mensen" volledig afgeschermd kunnen worden van prijsschokken. Het idee is dat de koopkracht van de gezinnen gevrijwaard wordt bij prijsstijgingen door die laatste af te wentelen op de ondernemingen en de overheid. Dat is evenwel een heel kortzichtige aanpak. De hogere kosten voor de ondernemingen vertalen zich op langere termijn in minder jobs, terwijl hogere uitgaven voor de overheid uiteindelijk hogere belastingen worden. Op die manier wordt de impact van een eventuele prijsschok op termijn toch door de hele economie, inclusief de gezinnen, gedragen. 

De indexdynamiek ondergraaft de concurrentiepositie en de werkgelegenheid. Dat risico is verlaagd via de gezondheidsindex. 

Dat besef zorgde begin jaren 90 voor de overstap naar de gezondheidsindex als basis van de indexering. Daarbij werd onder meer de dynamiek van de olieprijzen grotendeels uit de indexering gehaald. Het heeft immers geen zin om de illusie te wekken dat gezinnen afgeschermd kunnen worden van de schommelingen op de internationale oliemarkten.

Bovendien hield dat het risico in van een ontsporing waarbij hogere olieprijzen zorgden voor hogere lonen die dan op hun beurt zorgden voor hogere inflatie en opnieuw hogere lonen. Die dynamiek ondergraaft dan de concurrentiepositie en de werkgelegenheid. Dat risico is verlaagd via de gezondheidsindex. Maar er zijn nog altijd prijsfactoren waarbij het contraproductief is om die volledig te proberen af te wentelen op de ondernemingen zoals elektriciteitsprijzen of indirecte belastingen zoals milieutaksen. 

Compensatie via onderhandelingen is beter idee

Daarnaast is het een illusie te denken dat automatische indexering de enige manier is om voor loontrekkenden compensatie voor de inflatie te voorzien. Die compensatie gebeurt ook in landen zonder automatische indexering, maar daar maakt die deel uit van bredere onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. De resultaten daarvan lopen op langere termijn opmerkelijk gelijk. Zo lag de gemiddelde jaarlijkse groei van de reële lonen in België de voorbije 25 jaar nagenoeg op hetzelfde niveau als het gemiddelde in de buurlanden (respectievelijk 0,47% en 0,44% per jaar). 

Een automatische indexering zorgt voor hogere loonkosten net op het moment waarop ondernemingen al onder druk staan

Ook zonder automatische indexering worden werknemers op middellange termijn gecompenseerd voor inflatie. Het voordeel om die compensatie via onderhandelingen te regelen is dat er rekening gehouden kan worden met de economische omstandigheden. Inflatie is doorgaans een laat-cyclisch gegeven, ze volgt met vertraging de economische activiteit. Zo kan het dat de inflatie nog aan het toenemen is, terwijl de economie al in de remmen gaat.

Een automatische indexering zorgt dan voor hogere loonkosten net op het moment waarop ondernemingen al onder druk staan, waardoor de impact van de mindere economische activiteit op de werkgelegenheid nog versterkt dreigt te worden. Bij onderhandelingen is meer flexibiliteit mogelijk, waardoor de impact op de werkgelegenheid beperkt kan worden.   

Een instrument voor sociale vrede?

Het enige mogelijke voordeel aan een automatische indexering is als een instrument voor sociale vrede. Maar ook die rol is al geruime tijd uitgespeeld. De indexering wordt als zo vanzelfsprekend beschouwd dat mensen er zich nog amper van bewust lijken. Bovendien wordt op die manier de marge voor onderhandelingen over reële loonstijgingen zodanig vernauwd dat dat voor nieuwe spanningen zorgt. Zo leidden de loononderhandelingen voor 2019-2020 midden februari 2019 nog tot een nationale staking over een reële marge voor loonstijging van 0,8% tot 1,1%. En dit terwijl de totale loonstijging voor die periode, inclusief inflatie en veiligheidsmarge, neerkomt op 5,6%.

Daarnaast vereist de neiging tot ontsporing, inherent in de automatische indexering, ook correcties, bijvoorbeeld via indexsprongen, die dan ook voor sociale onrust zorgen. Tegen die achtergrond gaan bij de vakbonden meer en meer stemmen op voor vrije loononderhandelingen. Dat zou economisch inderdaad verstandiger zijn. Maar vrije loononderhandelingen impliceren uiteraard ook het einde van de automatische indexering. Die wordt dus 100 jaar, het is mooi geweest. Laat ons er een mooi afscheidsfeest van maken.  

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.