De stalagmiet 'Prosperine' in de grotten van Han-sur-Lesse waaruit de boormonsters genomen zijn.
Sophie Verheyden/KBIN

VUB-onderzoek stalagmieten: België wordt steeds warmer en droger

Zeker vanaf de 17e eeuw zijn de zomers in wat nu België is gaandeweg warmer geworden en de winters droger. Dat blijkt uit onderzoek onder leiding van de VUB van boormonsters uit een stalagmiet in de grotten van Han-sur-Lesse. De onderzoekers konden ook vaststellen wanneer de invloed van de mens op het landschap een zichtbare rol begon te spelen. 

Het team gebruikte voor zijn onderzoek 'Proserpine', een brede, snelgroeiende stalagmiet die zich diep in de grotten van Han bevindt, zodat er zo goed als geen contaminatie te verwachten is door het toerisme in de heel populaire grot.

Stalagmieten groeien elk jaar, en dat geeft een weerslag die vergelijkbaar is met de groeiringen van bomen. Die jaarringen zijn niet in alle stalagmieten even duidelijk als in 'Proserpine', waardoor die heel erg geschikt was voor dit soort onderzoek.

De onderzoekers namen drie monsters uit de stalagmiet die ze vervolgens onderzochten met de uranium-thorium-dateringsmethode. Deze methode, samen met het tellen van de jaarlijkse laagjes, maakt een precieze datering mogelijk waardoor men kon uitmaken dat de monsters drie periodes overspanden: een periode van 1960 tot 2010, een 17e-eeuws monster voor de jaren 1635 tot 1646 en een uit de 16e eeuw van 1593 tot 1605.  

 “We onderzochten deze boormonsters op de aanwezigheid van koolstof- en zuurstofisotopen, die jaarlijks aangevoerd worden via het water dat de grot insijpelt”, zei doctor Niels de Winter van AMGC. “Door de variaties in de hoeveelheid water  en de isotopensamenstelling van dat water, kunnen we afleiden hoe de neerslag per seizoen en per jaar evolueerde.” 

Isotopen zijn atomen van een bepaalde chemische stof met een verschillend aantal neutronen in hun kern. 

De uitgang van de grotten, waar de Lesse weer naar buiten stroomt.
Chatsam/Wikimedia Commons/CC BY-SA 3.0

Bos gekapt

Als er meer neerslag is of als er een minder dikke bodem boven de grot ligt komt er ook meer en sneller water in de grot. Het water neemt dan andere elementen op die vervolgens in de stalagmiet terecht komen, zodat men dit kan zien.

Anderzijds kon het team aantonen dat het warmer en droger wordt omdat er in de hedendaagse monsters veel hogere concentraties van de elementen magnesium en strontium zitten. Die komen er namelijk in als het water er langer over doet om de grot in te sijpelen.

Er zijn dus twee effecten die elkaar tegenwerken: meer en sneller water in de grot door meer neerslag of een dunnere bodem, en minder water dat langzamer insijpelt als het warmer en droger wordt. 

Het eerste effect is zichtbaar vanaf de 17e eeuw, in de 20e eeuw gaat het tweede effect overheersen. 

“We konden in ons onderzoek vaststellen dat de mens al in de zeventiende eeuw zijn stempel op het landschap begint te drukken", zei Niels de Winter. "Door het kappen van de bossen boven de grot kwam er plots meer water tot in de grot omdat de bodem door het kappen verdwijnt of dunner wordt. In die periode groeide de druipsteen dan ook aan een hoger tempo. Dat effect verdwijnt weer in de 20e eeuw: we zien dat de winters droger worden en de zomers warmer.”

Het onderzoek is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Climate of the Past. Het onderzoek stond onder leiding van doctor Stef Vansteenberge van de onderzoeksgroep  AMGC, Analytical, Environmental and Geo-Chemistry van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) en het was een samenwerking met de Universiteit Gent (UGent) en het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). Dit artikel is hoofdzakelijk gebaseerd op een persbericht van de VUB.

Een van de doorsnedes van de boormonsters. De twee heldere, lichte lijnen waarnaar de pijltjes wijzen, zijn de twee wereldoorlogen, toen er veel minder mensen de grot bezochten en er dus minder vervuiling was.
Niels de Winter