AFP or licensors

De brexit sloeg een gat in de Europese begroting: wie gaat dat betalen? 

Een kleine 1.100 miljard euro, daarover gaat de extra Europese top die Europees president Charles Michel donderdag organiseert. Dat is de som geld die de Europese Unie van 2021 tot 2027, als het van Michel afhangt, zal kunnen uitgeven aan innovatie, landbouw, armere regio’s, Erasmusbeurzen, grensbewaking, strijd tegen klimaatverandering enzovoort. Het is de eerste zogenaamde meerjarenbegroting na de brexit. Door het vertrek van het Verenigd Koninkrijk verliest de Europese Unie een rijk land, en de andere landen staan niet te trappelen om extra te gaan bijdragen aan het Europees budget. Tegelijk wordt de Europese Unie met nieuwe uitdagingen geconfronteerd, die volgens sommigen alleen door een verhoging van het budget kunnen worden opgelost. 

Het gat van de brexit

Elk land betaalt een jaarlijkse bijdrage aan de Europese Unie. Rijke landen betalen een hogere bijdrage dan arme landen. Arme landen krijgen bovendien ook meer subsidies uit het Europese budget. Het Verenigd Koninkrijk is een rijk land, dat per jaar ongeveer 10 miljard euro meer betaalde dan het terugkreeg, of 70 miljard over de periode van de hele meerjarenbegroting. Die 70 miljard ging dus naar projecten in de andere 27 landen. Als die 27 evenveel geld willen blijven ontvangen als voor de brexit, zal iemand extra moeten betalen om gat in de financiering van 70 miljard te vullen. Anders moet er bespaard worden, of moeten er andere inkomstenbronnen worden gevonden. 

Nieuwe uitdagingen

Tegelijk zijn de uitdagingen waar de Europese Unie in 2020 voor staat, anders dan die in 2013 (toen de vorige meerjarenbegroting werd opgesteld): toen was er nog geen migratiecrisis, nog geen brexit, kon Europa voor zijn veiligheid en defensie nog op de Verenigde Staten rekenen, en was er minder aandacht voor de digitale voorsprong die China en de Verenigde Staten aan het opbouwen waren. De klimaatverandering stond al op de agenda, maar nu wil Europa met de “Green Deal” de transitie naar een klimaatneutrale economie een boost geven, en dat kost ook geld.  En dus klinkt de roep om méér Europees geld voor migratie, defensie, digitale samenleving en klimaattransitie. 

De vrekkige vier

In de vorige periode was de Europese meerjarenbegroting goed voor 1 procent van het BBP van de 28 lidstaten. Vier landen willen dat dit zo blijft: Nederland, Oostenrijk, Zweden en Denemarken. Deze 1%-club kreeg de bijnaam “frugal four”, of de vrekkige vier. Een kleinere Unie (zonder de Britten) moet het ook met minder geld doen, vinden ze. Ze willen dat er bespaard wordt op de “klassieke“ uitgavenposten in de begroting, zoals landbouw of de steun aan arme regio’s. Europa moet zijn middelen verschuiven naar “moderne” posten: onderzoek en ontwikkeling. Aan de andere kant van het spectrum zijn er een vijftiental landen die men “de vrienden van cohesie” noemt (landen uit Centraal- en Oost-Europa, en uit Zuid-Europa): ze willen niet dat er bespaard wordt op de “cohesiefondsen”, het geld dat naar arme regio’s gaat. De Franse president Macron heeft al herhaaldelijk gezegd dat besparingen op landbouw ook niet door de beugel kunnen: als Europa soeverein wil zijn voor zijn voedselbevoorrading, moet het ook zijn eigen landbouwsector hebben, zegt Macron, en die sector kan alleen standhouden met subsidies. Duitsland, het land dat de grootste bijdrage betaalt aan de EU, behoort officieel niet tot de 1%-club, maar gebruikt wel eens dezelfde argumenten. 

Hoger lager

De discussie is erg ingewikkeld, maar gaat in wezen over cijfers na de komma. De vrekkige vier wil een budget van 1% van het BBP van de 27 lidstaten, het Europees Parlement wil 1,3%. Andere voorstellen zitten daar ergens tussenin.

Twee jaar geleden deed de Commissie het openingsvoorstel voor het post-brexittijdperk: zij stelde een begroting van 1,11% van het BBP van de 27 voor. Daarna volgde het Europees Parlement: dat stelde 1,3% van het BBP voor. Finland (EU-voorzitter toen) stelde eind 2019 een compromis van 1,07 voor. Het laatste voorstel, dat donderdag op de tafel van de staatshoofden en regeringsleiders ligt, komt van Charles Michel: 1,074%.

De vergelijking met de vorige meerjarenbegroting is moeilijk.

  • Het Europese ontwikkelingsfonds, goed voor 0.03% van het BBP viel vroeger buiten de begroting, nu wil men het in de begroting opnemen. Het budget van de vorige periode om mee te vergelijken was dus 1,03%. (1%+0.03%)
  • In de vorige periode waren de Britten nog lid: ze leverden een nettobijdrage, en waren goed voor 15% van het Europese BBP. Om de vergelijking met vorige periode mogelijk te maken, heeft men de meerjarenbegroting van 2014-2020 opnieuw berekend: zonder de nettobijdrage, en zonder het Britse BBP, was die begroting in feite goed voor 1,16% van het BBP van de 27.

Waar bespaart Michel, en waar niet?

De grootste besparingen vinden plaats in het landbouwbudget. Europees President Michel wil er minder fors in snoeien dan de Europese Commissie dat wou, maar het gaat toch om een vermindering van het budget met 45 miljard euro. Michel wil onder meer dat landbouwbedrijven niet meer dan 100.000 euro subsidies kunnen ontvangen.  Michel snoeit minder fors in het geld voor de armere regio’s, maar het blijft een besparing. Landen zoals Polen zijn er de voorbije jaren fors op vooruit gegaan, en hebben dus minder nood aan steun, is de verantwoording hiervoor. De grootste groei is er in de begrotingsposten voor onderzoek en ontwikkeling, voor migratiebeheer, en voor defensie. De Europese Commissie wou het budget voor Erasmus+ verdubbelen naar 26 miljard euro, Michel maakt er 21 miljard van (nog altijd een verhoging met 50 procent).

De Europese landbouwsector zou het met 45,5 miljard euro minder moeten doen

Een kwart van het budget voor het klimaat

Michel wil, zoals de Europese Commissie had voorgesteld, extra geld (7,5 miljard euro) voor een nieuw “fonds voor een eerlijke transitie”, dat landen zoals Polen moet helpen om steenkoolmijnen- en steenkoolcentrales te sluiten. Eerder raakte bekend dat Polen 2 miljard euro uit dit nieuwe fonds zou kunnen krijgen. Maar Michel verbindt er een voorwaarde aan: als Polen niet de ambitie onderschrijft om tegen 2050 klimaatneutraal te worden, dan kan het maar op de helft van het geld beschikken. Een kwart van de hele meerjarenbegroting moet overigens besteed worden aan projecten in verband met klimaatverandering. Van het landbouwbudget zou minstens 40 procent naar klimaatmaatregelen moeten gaan.  

Geen respect voor de rechtsstaat, geen subsidies

Michel steunt het voorstel van de Commissie om landen die de principes van de rechtsstaat ondermijnen (waarbij iedereen denkt aan Hongarije en Polen) te kunnen straffen door het afnemen van Europese subsidies. Maar Michel wil het iets moeilijker maken om zulke beslissing te kunnen nemen: een meerderheid van de lidstaten moet instemmen met een Commissievoorstel (terwijl het oorspronkelijk de bedoeling was dat een sanctie kon worden opgelegd, tenzij een meerderheid van landen het voorstel verwierp). 

Wie betaalt de rekening?

Wat regeringsleiders vooral interesseert: hoeveel belastinggeld gaat mijn land de komende jaren moeten afdragen aan de Europese Unie. Want op die manier wordt ongeveer 80 procent van de meerjarenbegroting gespijsd.

Verschillende landen hebben in het verleden verkregen dat ze een “korting” hebben op hun bijdrage: Nederland, Zweden en Denemarken. Michel wil die geleidelijk doen dalen, maar in zijn voorstel staat niet dat de kortingen helemaal zullen verdwijnen, zoals de Europese Commissie (gesteund door de Franse president Macron) had voorgesteld.

Volgens de meerjarenbegroting die de Europese Commissie had voorgesteld (1,11 procent van het BBP) zou de Belgische bijdrage stijgen van 4 miljard euro in 2020 naar 4,5 miljard euro in 2027. Die bijdrage komt volledig ten laste van de federale overheid, die al krap bij kas zit. (Onduidelijk hoe groot de verhoging is in het plan van Michel).

Verliest België 200 miljoen euro douanerechten?

Ongeveer 20 procent van de meerjarenbegroting wordt gefinancierd met de douanerechten die geïnd worden op invoer van producten van buiten de Europese Unie. Landen die die rechten innen, storten het bedrag door aan de EU. Tot nu toe mochten ze 20 procent van het bedrag zelf houden, als vergoeding voor de douaniers die ze moeten inzetten. Voor België gaat het (dankzij de haven van Antwerpen, een poort naar de rest van de EU) over een aanzienlijk bedrag: wij inden 2.6 miljard euro douanerechten, en mochten 500 miljoen euro houden. Europees president Michel stelt voor om het percentage dat de lidstaten mogen houden te verlagen naar 12,5 procent: dit zou voor België een “verlies” van ongeveer 200 miljoen euro betekenen. 

Nieuwe inkomsten!

Een manier om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun bijdrage niet moeten verhogen, is zoeken naar andere inkomsten. Michel heeft er twee gevonden:

  • Elk land moet dezelfde taks heffen op niet-gerecycleerd plastic, en die dan doorstorten aan de EU.
  • De opbrengst van de handel in emissierechten blijft voor de lidstaten. Maar als die opbrengst hoger ligt dan in de periode 2016-2018, dan gaat de “winst” naar het EU-budget.

Er liggen nog andere voorstellen op tafel om nieuwe inkomstenbronnen aan te boren voor het EU-budget, maar die zullen niet op tijd klaar zijn. Indien de lidstaten het er later over eens geraken, gaat de opbrengst ook naar de EU: 

  • Een CO2-taks op invoer van producten uit landen die minder klimaatinspanningen doen dan de EU
  • Een taks op financiële transacties
  • Een luchtvaarttaks
  • Een taks op de digitale sector (Google, Facebook,…: bedrijven die veel omzet boeken in de EU, maar nergens belastingen betalen)

Fiat of veto van het Europees Parlement?

Het Europees Parlement heeft de lat erg hoog gelegd voor zichzelf, door een begroting van 1,3 procent van het BBP te eisen. Het is een illusie te denken dat de regeringsleiders ook maar in de buurt komen van dat percentage. Vanuit het Europees Parlement dringt dreigende taal: de fractieleiders van de drie grootste fracties en van de groenen dreigen met een veto. Het doet denken aan zeven jaar geleden. Ook toen klonk hetzelfde dreigement, uiteindelijk bond het parlement in. Zonder akkoord over de meerjarenbegroting dreigen er in 2021 verschillende subsidiekranen droog te vallen, en dat wil niemand op zijn geweten hebben. 

Much ado about nothing?

De discussie tussen de lidstaten lijkt futiel: 1,07 procent of 1,074 procent? Wat maakt het nu uit? Zeker als je dit verschil kan spreiden over 7 jaar, en verdelen over 27 landen? Toch is de strijd hevig, en wordt hij niet altijd op een faire manier gespeeld. Landen tellen douanerechten mee met hun eigen bijdrage, cijfers uit 2014 worden vergeleken met geïndexeerde bedragen van 2027 (“onze bijdrage gaat verdubbelen!”). Maar we mogen het belang van de meerjarenbegroting niet onderschatten. Voor arme lidstaten zijn de Europese investeringen van groot belang. Rijke lidstaten moeten aan hun burgers kunnen (en willen) verantwoorden waarom het vaak onpopulaire “Europa” of “Brussel” extra geld vraagt. En de discussie over geld is een buitenkans voor eurosceptici om voluit te gaan. Net zoals in de campagne voor het brexitreferendum: de brexiteers beloofden toen dat een brexit (en het stoppen met betalen aan de EU) ervoor zou zorgen dat er 350 miljoen pond per week beschikbaar zou zijn voor de Britse gezondheidszorg (NHS). Het cijfer (in werkelijkheid gaat het om veel lager bedrag, 136 miljoen) bleef hangen bij vele Britten, en bepaalde mee het resultaat van het referendum. Om maar te zeggen: de discussie over het geld van Europa is niet zonder belang.

Meest gelezen