Hollainhof zoals het er vandaag uitziet.
© Pol Mayer / Paul M.R. Maeyaert

Ooit kwijnden pestlijders op deze plek in Gent weg, nu is het er goed en modern wonen

De laatste uitbraken van de pest in Vlaanderen dateren uit de zeventiende eeuw. De bestrijding van de ziekte gebeurde meestal een stuk drastischer dan de maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus vandaag. Vele Vlaamse steden bouwden pesthuizen waar ze pestlijders isoleerden, verzorgden en meestal ook moesten begraven. De stad Gent bouwde haar pesthuis langs de Schelde waar nu het woonproject Hollainhof ligt. Waar eens heel veel is geleden, is het nu modern en (meestal toch) goed wonen.

Het Hollainhof in Gent is een complex met 129 sociale woningen dat sinds de bouw in de jaren negentig op heel veel applaus heeft mogen rekenen in de gespecialiseerde architectuurpers. De populaire pers haalde het Hollainhof ook, maar dan door de schimmel, de spleten, de waterinsijpeling en het wegterende hout.

Het prestigieuze Gentse project langs de Brusselsepoortstraat moest twintig jaar na de bouw al grondig gerenoveerd worden. Hadden ze het in Gent misschien moeten weten? Het Hollainhof is gebouwd op een verdoemde plek, een plek waar veel pijn is geleden.

Tot de zestiende eeuw was de grond waarop het Hollainhof is gebouwd een verlaten plek buiten de stadspoorten. Het schrale en zanderige stuk aan de Nederschelde werd "t Sant", het Zand genoemd. Het lag afgelegen en dat was de voorwaarde voor de bouw van het "Huys van Sinte Macharius", of het "Pesthuys". Vanaf 1582 werd het de plaats waar lijders aan de pest, of andere "vuile ziektes" werden geïsoleerd.

Van de veertiende tot de zeventiende eeuw werd Vlaanderen geteisterd door verschillende pestepidemieën. De wetenschap dat de ziekte van mens op mens werd overgedragen groeide snel. De bewegingsvrijheid van pestlijders moest beperkt worden. Zo niet moesten ze compleet geïsoleerd worden, al was het maar om hun soms afschuwwekkende uiterlijke symptomen. 

Met weinig medische kennis kondigden overheden allerlei maatregelen aan, die kwamen en weer gingen. Huizen van pestlijders moesten gemarkeerd worden, met een bundel stro of de letter "P". Als ze op straat kwamen, moesten ze een witte doek of stok dragen. Hun toegang tot markten, kerken of kroegen werd verboden. Hun kinderen mochten niet naar school.

Openbare pesthuizen

Vanaf de zestiende eeuw ging de maatschappij een stap verder, niet alleen uit angst voor besmetting, maar ook voor de paniek en onrust die pestlijders veroorzaakten. Vooral steden gingen openbare pesthuizen bouwen, meestal buiten de stadsmuren of anders op weinig bewoonde plekken.

Gewoonlijk waren het kloosterordes die de pesthuizen bestierden. Weinige zieken verlieten een pesthuis levend. De meeste pesthuizen hadden daarom hun eigen anonieme begraafplaats. Over de leefomstandigheden in pesthuizen is weinig opgetekend, maar ze moeten belabberd geweest zijn. Ook slachtoffers van besmettelijke ziektes als schurft, tyfus of lepra belandden in pesthuizen. Zelfs zwervers en marginalen waarvan men enkel maar vermoedde dat ze besmet waren, en die men liever niet zag in de gewone hospitalen.

Het Gentse pesthuis werd in 1582 op "t Sant" gebouwd. Pas later kreeg het de naam van Sint Macharius. Macharius was een soort Gentse parochieheilige geworden die zijn leven als zoenoffer had gegeven tegen de pest. Eeuwenlang was hij in Gent het voorwerp van volksverering. Religieuze ordes leverden in de stad zelfs onderling strijd om wie het echte reliek van Macharius had.

Huiveringwekkende verwondingen

De laatste grote opstoot van de pest dateert uit 1669. Tussen de epidemieën door ving het Sint-Machariushuis de gedupeerden op van een heel andere kwaal, de vele oorlogen. Vlaanderen werd meermaals het strijdveld van Europa. Wapens werden steeds dodelijker of veroorzaakten huiveringwekkende verwondingen. In 1618 kwamen gewonde Franse soldaten aan in het pesthuis. Pruisen, Spanjaarden, Engelsen en Kozakken zouden volgen.

In 1745 maakte de stad Gent een einde aan de burgerlijke hospitaalfunctie van het pesthuis. De Dragonders van Sint-Ignace trokken als eerste militair regiment in wat voortaan een kazerne zou zijn. Ruim twee eeuwen militaire geschiedenis zouden volgen. De Gentse kazerne ging vooral dienstdoen voor de cavalerie. Midden de negentiende eeuw gaf het steeds groter geworden gebouwencomplex al onderdak aan 600 soldaten en 485 paarden. Rond de kazerne ontpopte zich een volkse wijk, gespijsd door hongerige of dorstige soldaten.

Den Hollain

In 1933 kreeg de kazerne de naam van Alphonse-Alexandre de Hollain, een gesneuvelde artilleriecommandant uit de eerste dagen van de Eerste Wereldoorlog. En zo komt het dat de naam van deze anders vergeten militair doorleeft in het Gent van vandaag. De kazerne zou in de stad lang gemeengoed zijn als "den Hollain" tot ze in 1996 definitief plaats maakte voor socialewoningbouw. Het Alphonse de Hollainhof is nu de naam van het volledige complex van anderhalve hectare tussen de Brusselsepoortstraat en de rechteroever van de Schelde. Het was een van de eerste grote realisaties van het architectenbureau Neutelings Riedijk.

Op het binnenplein van het Hollainhof herinneren enkele houten beelden van paarden en een oorlogsgedenkteken aan het militaire verleden. Aan de pest wordt liever niemand herinnerd, dat mag geen wonder heten. Het enige restant zijn de ondergrondse keldergewelven onder het brede classisistische herenhuis dat grenst aan het Hollainhof. In 1784 werd het pand gebouwd op de grondvesten van het oude pesthuis. Het heeft de kazerne overleefd en is nu respectvol geïntegreerd in het hedendaagse bouwconcept van het Hollainhof.

Meest gelezen