Van Shinkolobwe tot Hiroshima: de weg van het Congolese uranium

De eerste atoombom werkte met uranium dat vooral afkomstig was uit Belgisch-Congo. De Amerikanen kochten het uranium van een Belgisch bedrijf, zonder dat de Belgische regering erbij betrokken was.

Dit is een bijdrage van Bert Govaerts, gewezen eindredacteur van historische televisiedocumentaires op de VRT. Hij is de auteur van Ik alleen! Een biografie van Albert De Vleeschauwer (1897-1971),  waarin de kwestie van het Congolese uranium tijdens de oorlog ter sprake komt. 

Op de mooie zomerochtend van 6 augustus 1945, iets na achten, verscheen er een Amerikaanse B-29-bommenwerper boven de Japanse stad Hiroshima. Enola Gay stond er in grote letters op een van de flanken. De vracht van de Enola Gay bestond uit één enkel springtuig dat door zijn makers liefdevol Little Boy was genoemd, een atoombom. Om 8:15:19 uur opende de piloot, Paul Tibbets, zijn bommenluik. Little Boy suisde naar beneden en ontplofte 43 seconden later, op een hoogte van 500 meter, pal boven een ziekenhuis. 

De bommenwerper "Enola Gay" en zijn bemanning, die de bom boven Hiroshima afwierp.; Foto bovenaan: de mijn van Shinkolobwe.

De kracht van Little Boy kwam overeen met die van 12.500 ton TNT en was het resultaat van een kettingreactie, verwekt in de atoomkern van een zeldzaam metaal: uranium. Little Boy had een lading van 65 kilogram verrijkt uranium in zijn buik en het grootste deel daarvan was afkomstig uit de mijn van Shinkolobwe, in de Congolese provincie Katanga.  

De atoombom die drie dagen later die andere Japanse stad, Nagasaki, zou verwoesten, werkte door de kettingreactie in een ander metaal, plutonium. Dat was ook het geval voor de allereerste atoombom, die drie weken eerder bij wijze van proef in een Amerikaanse woestijn explodeerde. Dat plutonium was niet in de natuur te vinden, maar werd verkregen door uranium in een kernreactor te bewerken. Ook dat uranium kwam overwegend uit Shinkolobwe.

Over de weg die het Congolese uranium heeft afgelegd van de Belgische kolonie naar de hemel boven Hiroshima doen nog altijd veel legendes de ronde. Zo vertelt David Van Reybrouck in zijn bekende Congoboek dat Edgar Sengier, de directeur van de Union Minière du Haut Katanga, ‘toen de Nazi-dreiging ernstiger werd’, op slag 1250 ton uranium naar de Verenigde Staten had laten brengen en prompt ook zijn mijn onder water had gezet om ze uit Duitse handen te houden'.

Het ging toch een tikkeltje anders.

Little Boy gemonteerd in de bommenwerper.

Uranium: een verzadigde markt

De Union Minière – het huidige bedrijf Umicore - had de mijn in Katanga al in 1937 gesloten. Niet omdat ze bang was voor een Duitse invasie, maar omdat de mijn verlieslatend was. Uranium verkocht niet goed in de late jaren dertig. Het was eigenlijk maar een restproduct.

In Shinkolobwe werd pekblende gewonnen, een mineraal dat hoofdzakelijk uit uraniumerts bestaat, maar met onzuiverheden die zeer kleine hoeveelheden radium bevatten. Dat sterk radioactieve radium werd gebruikt om kanker te bestrijden. De Union Minière had daarom in Olen een radiumfabriek gebouwd die gebruik maakte van de Congolese pekblende. Maar de markt was verzadigd geraakt. Uranium zelf kende alleen een zeer beperkte toepassing als kleurstof.

Een mijngang in Shinkolobwe.

Begin 1939 raakten een aantal natuurkundigen in een soort ‘uraniumroes’. Ze hadden ontdekt dat de atoomkern van dat element gesplitst kon worden, waarbij enorm veel energie zou vrijkomen. De onverkochte voorraad van de Union Minière werd ineens heel interessant. Britse en Franse geleerden namen contact op met Sengier en wezen hem op het potentieel van ‘zijn’ uranium. Maar de oorlog doorkruiste alle plannen.

Na de inval in Polen, in september 1939, verklaarden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk de oorlog aan Duitsland. België bleef neutraal, maar werd wel meteen getroffen door de zeeblokkade die de Britten en de Fransen rond Duitsland legden. Dat had zeer onaangename effecten voor de handel tussen Belgisch-Congo en België. De Britten hadden bijvoorbeeld bepaald dat de export van sommige categorieën van producten vanuit Congo de ‘normale’ omvang niet mocht overschrijden. 

Deels om de effecten van de blokkade op te vangen besloot de Union Minière zich te richten op de Verenigde Staten, die niet betrokken waren in de oorlog. Directeur Edgar Sengier vestigde zich in New York om er de dochter­onderneming African Metals te leiden. Hij liet tonnen ertsen naar New York verschepen, onder andere ook 451 ton pekblende,

Na de oorlog ging Sengier er prat op dat hij als een soort ‘helderziende’ het erts in veiligheid had gebracht voor de vrije wereld, maar meer dan vage aanwijzingen van een mogelijke militaire toepassing kan hij in 1939 niet gehad hebben.

Deze oude prentkaart van de mijn van Shinkolobwe noemt ze een "radiummijn". De mijn leverde in de jaren 1920 zowat 80 % van alle radium in de wereld. Er was meer dan tien ton uraniumerts nodig om één gram radium te bekomen.  Voor het uranium zelf was er geen belangstelling.

Amerikaanse belangstelling

In juni 1940 werd Sengier gepolst door leden van een Amerikaanse adviesraad voor uranium, die was opgericht nadat een aantal natuurkundigen, onder wie Albert Einstein, de aandacht van president Roosevelt op de mogelijkheid van een nucleair wapen hadden gevestigd.

Dat eerste contact leverde niet meteen een akkoord op, maar Sengier had begrepen dat hij aan zijn ‘waardeloze’ uranium misschien toch meer kon verdienen dan anderhalve dollar per kilogram, de marktprijs in 1939. Hij liet  een deel van de resterende stock uit Shinkolobwe ophalen. Dat was nog eens 1.100 ton. Hij sloeg zijn pekblende op in openlucht, in tweeduizend stalen vaten in Port Richmond op Staten Island, een deel van de haven van New York. Die bleven daar, tot zijn groot verdriet, lange tijd onaangeroerd staan. 

Propaganda van de Belgische regering over de bijdrage die Belgisch-Congo aan de oorlog levert. De levering van belangrijke grondstoffen wordt benadrukt, maar uranium wordt daarbij niet vermeld.

De ontwikkeling van de Amerikaanse atoombom kwam pas op dreef nadat de Verenigde Staten zelf in de oorlog waren gestapt, na de Japanse aanval op Pearl Harbor.

Onder leiding van de energieke generaal Leslie Groves ontstond een geweldige onderneming, toegedekt onder de neutrale naam ‘Manhattan Engineering District’, om atoomwapens te ontwikkelen. Groves en zijn mannen dachten eerst dat ze bom konden maken met Amerikaans en Canadees uranium, maar die voorraad was akelig klein. 

Edgar Sengier (midden op de foto) toe hij na de oorlog een decoratie ontving van generaal Groves (links).

Toen Groves het verhaal van de tweeduizend vaten op Staten Island hoorde, aarzelde hij niet. Hij kocht ze meteen op en begon aan onderhandelingen voor volgende leveringen en een eventuele heropening van de mijn in Shinkolobwe, op basis van puur commerciële contracten.

De Belgische regering – die toen in Londen zat - werd daar volledig buiten gehouden. De Belgische minister van Koloniën Albert De Vleeschauwer begon wel onraad te ruiken, want de kolonie exporteerde uranium met vergunningen die “bij hoogdringendheid’ ter plaatse waren afgeleverd door gouverneur-generaal Pierre Ryckmans, zonder zijn toestemming. 

Pierre Ryckmans (links) was de hele oorlog door gouverneur-generaal van Belgisch-Congo. Hij maakte geen problemen met de levering van uraniumerts aan de Verenigde Staten, zonder dat minister van Koloniën Albert De Vleeschauwer (rechts) daar veel over te zeggen had. Niet toevallig werd Ryckmans later Belgisch commissaris voor atoomenergie en richtte hij het Studiecentrum voor Kernenergie in Mol op.

Het uraniumcontract met de Belgische regering

Het duurde tot in de lente van 1944 eer de Belgische ministers bij de zaak werden betrokken. Dat was nodig omdat Sengier het spel wat te hoog begon te spelen.

Hij had bijna alles wat hij aan uranium bezat intussen verkocht. Voorlopig tekende hij geen nieuwe contracten meer. Omdat hij de ‘reuk’ van een goede naoorlogse markt voor uranium in de neus had gekregen, beweerden de Britten. Omdat hij zich als individu niet mocht engageren voor een ‘nationale uitverkoop’, schreef hij zelf.

Midden 1942 ondertekende de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak (tweede van links zittend) met zijn Britse collega Anthony Eden (rechts van hem) akkoorden over economische en militaire samenwerking. De grondstoffen uit Congo waren daarin belangrijk, maar van uranium was geen sprake.

En zo begonnen de onderhandelingen over een groot, langlopend uraniumcontract in Londen. Er was haast bij, lieten de Amerikanen weten. Ze suggereerden dat de constructie van de bom op het spel stond. Een van de Belgische onderhandelaars, minister van Financiën Camille Gutt, keek dwars door die bluf heen. Hij wist dat er intussen meer dan genoeg uranium naar Amerika was verscheept voor het militaire project. 

Waar de Amerikanen echt op uit waren was volledige controle over de uraniummarkt. De Belgische ministers schrokken zich dood toen ze het eerste ontwerpcontract onder ogen kregen: België zou ‘voor onbepaalde tijd’ uranium moeten leveren tegen een vriendenprijs. 

De Vleeschauwer vreesde dat hij veroordeeld zou kunnen worden voor hoogverraad als hij dat tekende. Na bitse onderhandelingen werd het een contract voor tien jaar, waarbij België bovendien zou kunnen genieten van de civiele toepassingen van de nucleaire wetenschap. 

De ministers Gutt (links) en De Vleeschauwer (rechts) vlak voordat ze in het vliegtuig naar Brussel stapten.

Het contract was nog niet getekend toen de Belgische regering zich begin september 1944 klaarmaakte om van Londen naar Brussel terug te keren. Het bleek ineens onmogelijk om een vliegtuig te vinden. De Amerikaanse ambassadeur wilde de Belgen niet laten vertrekken voor ze het uraniumakkoord ook echt getekend hadden.

De grote haast van de Amerikanen kwam voort uit hun obsessie met de schaarste van uranium op wereldschaal. Een nodeloze bezorgdheid, bleek achteraf, toen het erts op veel plaatsen begon op te duiken. 

Mijnwerkers van Shinkolobwe bij het bezoek van koning Boudewijn aan de mijn in 1955.

Met de bonus van de ‘civiele toepassingen’ (lees: vreedzaam gebruik van kernenergie) liep het uiteindelijk nog mis. In de zomer van 1946 keurde het Amerikaanse Congres een wet goed die de uitwisseling van wetenschappelijke informatie over nucleaire toepassingen zonder meer verbood, tot er genoeg garanties waren dat ze niet voor militaire doelen gebruikt zou worden. Het zou nog tien jaar duren voor de eerste onderzoeksreactor in het Studiecentrum van Mol werd opgestart.

Maar dat alles speelde natuurlijk geen rol toen Paul Tibbets Little Boy uit de Enola Gay liet vallen. Voor diens lading had inderdaad het winkeltje van Edgar Sengier gezorgd, tegen een gemiddelde prijs van 2,25 dollar per kilogram erts, een leuk eind boven de marktprijs van 1939. Een ‘simpel’ handelscontract, onbelast door oorlogspathetiek, had daarvoor volstaan.

De rol van het Congolese uranium werd pas enkele jaren na de oorlog duidelijk. Dit artikel over de mijn van Shinkolobwe uit de Amerikaanse krant "The Evening Star" is van 1950.

De brief van Einstein

In de zomer van 1939 ontving de Amerikaanse president Roosevelt een brief van de wereldberoemde natuurkundige Albert Einstein, die toen al enkele jaren in de Verenigde Staten verbleef. Daarin werd gewezen op het strategisch belang van uranium.

De brief legde uit dat er op basis van uranium wel eens zeer krachtige bommen konden worden ontwikkeld en wees erop dat Duitsland alle export van uraniumerts had verboden. Er staat ook uitdrukkelijk in dat Belgisch-Congo over de grootste uraniumvoorraad beschikt. 

De brief kwam er op voorstel van de Hongaarse fysicus Leo Szilard. Die was net als Einstein een overtuigd tegenstander van de nazi’s en dacht al jaren aan de mogelijkheid van kernenergie. Hij vreesde dat nazi-Duitsland kernwapens zou gaan ontwikkelen.  

Einstein (rechts) in zijn bureau in Princeton.

Szilard had Einstein opgezocht omdat hij wist dat er een grote voorraad uraniumerts lag in de fabriek van de Union Minière in Olen. Hij was bang dat de Duitsers die voorraad zouden weghalen als ze ooit België zouden binnenvallen.

Omdat Einstein de Belgische koningin-moeder Elisabeth persoonlijk kende, vroeg Szilard hem aanvankelijk om Elisabeth een brief te sturen om op dat gevaar te wijzen. Einstein vond dat geen goed idee, maar uiteindelijk wilde hij wel de Amerikaanse president aanschrijven.  

De grotendeels door Szilard opgestelde brief van Einstein had effect. Niet dat de Amerikanen daardoor een atoombom zijn gaan ontwikkelen, zoals wel eens beweerd is. Er kwam wel snel een adviesraad voor uranium, die de handel en de voorraden van dit strategisch materiaal scherp in het oog hield.  

Het uraniumerts in Olen – meer dan duizend ton – raakte door de bezetting van België dan toch in Duitse handen. De Duitsers hebben het grootste deel ervan opgeëist, maar wel tegen betaling. De Union Minière heeft dus tijdens de oorlog aan beide kampen uranium verkocht - zij het misschien tegen haar zin. Op het einde van de oorlog vonden de Amerikanen dit uraniumerts grotendeels terug in een Duitse zoutmijn. 

Tim Trachet

 

 

Meest gelezen