"Gesprekken kunnen niet gevoerd worden in 15 minuten", al sinds mei waarschuwen experts voor problemen contactopsporing

Contactopsporing is essentieel om een gecontroleerde afbouw van de lockdown mogelijk te maken, zonder daarbij het coronavirus weer vrij spel te geven. En toch loopt die contactopsporing in ons land nog altijd mank. Al sinds mei trekken experts aan de alarmbel, zonder resultaat. Dat blijkt uit verslagen van de Vlaamse stuurgroep contactonderzoek.

Het is 5 mei 2020. Ons land heeft net de eerste stappen uit de lockdown gezet. Een nieuwe fase in de strijd tegen het coronavirus. We kunnen weer – voorzichtig – uit ons kot, maar dat betekent ook dat het virus zich weer kan verspreiden onder de bevolking. Om een tweede golf te vermijden, is het opsporen van contacten van groot belang. Op Vlaams niveau komt de ‘stuurgroep contactonderzoek’ een eerste keer samen. Daarin zitten vertegenwoordigers van minister-president Jan Jambon en minister Wouter Beke, maar ook experts als epidemioloog Pierre Van Damme.

De opdracht van de stuurgroep is om de uitvoering van de contactopsporing op te volgen. In Vlaanderen is dat een samenwerking tussen de mutualiteiten en enkele callcenters, goed voor zo’n 1.200 medewerkers. “Op 11 mei zullen we de tracingcapaciteit hebben die nodig is”, klinkt het eind april bij Vlaams minister-president Jan Jambon.

Al na één dag problemen

Eén dag later, op 12 mei, duiken in de stuurgroep al de eerste problemen op. De contactopsporing is dan al een week aan het proefdraaien, maar veel telefoongesprekken met besmette patiënten blijken amper een kwartier te duren. En dat is veel te kort, geeft het Agentschap Zorg en Gezondheid aan: “De gesprekken kunnen niet gevoerd worden in 15 minuten. Zelfs als mensen vooraf een lijst meekrijgen, blijft dit (het doorgeven van contacten, nvdr.) niet zo makkelijk. Je moet tot 6 dagen terug nadenken. In lockdown is dit niet zo moeilijk, maar dit zal complexer worden.”

Om het probleem op te lossen, komen er bijkomende opleidingen voor de medewerkers. Professor Jan De Maeseneer, gespecialiseerd in eerstelijnszorg, pleit voor het invoeren van mysterycalls om de kwaliteit van de gesprekken te controleren. Maar ook nu, meer dan twee maanden later, is dat amper verbeterd en varieert het gemiddelde tussen 15 en 17 minuten. Eind juni was dat nog beter, toen was de afhandeltijd voor indexpatiënten (de persoon waarbij een besmetting is vastgesteld) net geen 20 minuten. Bij contactonderzoek in Nederland duurt zo’n gesprek ongeveer één uur.

Bekijk hier de reportage van "Terzake" en lees voort onder de video:

Video player inladen...

Drie dagen later komt de stuurgroep opnieuw samen en trekken de leden een eerste keer aan de alarmbel. “De stuurgroep drukt zijn bezorgdheid uit. Het is belangrijk dat de contacten beter in kaart worden gebracht”, staat het zwart op wit in het verslag van de vergadering. Gemiddeld worden er maar 2,5 contacten verzameld. “Dat lijkt weinig”, besluit de stuurgroep. Ook in de volgende vergadering, op 18 mei, zetten de experts het probleem nog eens extra in de verf: “Er zijn te weinig contacten in kaart gebracht. Het gemiddelde van 0,76 contacten per index is onmogelijk, zelfs de gezinssamenstelling zou een hoger cijfer moeten geven. Alle leden van de stuurgroep maken zich hierover grote zorgen. Er dient dringend te worden ingegrepen op de kwaliteit van het contactonderzoek.”

De stuurgroep drukt zijn bezorgdheid uit. Het is belangrijk dat de contacten beter in kaart worden gebracht.

Verslag 'stuurgroep contactonderzoek', 25 mei 2020

Volgens de laatste cijfers worden er bij het contactonderzoek nu gemiddeld 4,5 contacten in kaart gebracht per indexpatiënt. En dat terwijl het volgens de maatregelen toegestaan is om per week maximaal 15 mensen te ontmoeten. Door het lage aantal contacten hebben de contactonderzoekers ook minder werk dan verwacht. Om te vermijden dat medewerkers tijdens de werkuren naar Netflix kijken, wordt er beslist om het aantal contactonderzoekers fors te verminderen naar 150.

Problemen met IT-systeem

Een ander probleem dat al sinds mei op de agenda van de stuurgroep staat, zijn de verschillende technische problemen. In de beginfase ontbreken nog te veel contactgegevens van besmette personen, dat wordt opgelost door gegevens uit de databank van de mutualiteiten te gebruiken om mensen te kunnen contacteren. Maar niet alles wordt altijd even snel aangepakt.

Op 15 mei, het contactonderzoek is dan nog maar vier dagen bezig, signaleert de stuurgroep dat het IT-systeem niet is aangepast om ook inkomende telefoongesprekken te behandelen. Wie na een gemiste oproep zelf wil bellen naar de contactonderzoekers, kan dus niet geholpen worden. “Er wordt aan gewerkt”, is de conclusie. Maar een oplossing is niet voor meteen. Amper een week later wordt duidelijk hoe belangrijk die functie kan zijn: “Terugbellen is nog niet in orde, gisteren 500 pogingen”, klinkt het. Dat probleem wegwerken zal uiteindelijk twee maanden duren, vanaf 22 juli is terugbellen wel mogelijk.

Maar niet alleen bij de contactopsporing zelf zijn er problemen, ook het testen verloopt niet optimaal: “Als je werkt met het federaal platform duurt het 19 uur voor de stalen bij het labo zijn waar de analyse gebeurt”, is de stand van zaken op 15 mei. Volgens de stuurgroep worden de stalen verzameld in Zaventem, worden die dan in pakketten verdeeld en gaan ze dan richting de labo’s: “Resultaat binnen 48 uur lukt, maar 24 uur gaat niet lukken op deze manier.”

Experts vragen lokale aanpak

De verschillende problemen met het contactonderzoek zijn voor sommige leden van de stuurgroep een aanleiding om na te denken over een nieuwe, doeltreffendere aanpak. “Er is nood aan lokale data om hotspots snel te kunnen detecteren”, klinkt het eind mei. Een week later, op 5 juni, doet professor Jan De Maeseneer, gespecialiseerd in eerstelijnszorg, een voorstel om te werken met een decentraal systeem op basis van de verschillende eerstelijnszones in Vlaanderen.

Omdat er relatief weinig besmettingen zijn, stelt hij voor het systeem nu al uit te testen. Bij het kabinet van minister Wouter Beke is er weinig animo voor het idee: “We zijn niet tegen nieuwe initiatieven, maar (we vragen ons) af of dit het juiste moment is om het systeem te veranderen, net nu het systeem van contacttracing stabieler wordt.”

CLI

Maar voor professor De Maeseneer kunnen beide systemen naast elkaar bestaan. Ook epidemioloog Pierre Van Damme is voorstander van het idee: “Het aantal contactonderzoekers daalt, we bereiken niet wat we willen bereiken. We bouwen af maar het systeem is niet efficiënt. Goed om dit experiment in deze periode te doen”, staat er in het verslag. Maar de reactie van het kabinet-Beke blijft lauw: “We zijn bezig met mobiele teams, we zitten in de staart van de epidemie. Gaan we hier nog extra in investeren? We moeten dit rustig bekijken.”

We zitten in de staart van de epidemie. Gaan we hier nog extra in investeren? We moeten dit rustig bekijken.

Reactie kabinet-Beke, 5 juni 2020

Uiteindelijk wordt beslist dat alle ideeën “moeten worden geordend” en dat “experimenteerruimte oké is, maar dat het compatibel moet zijn met de bestaande systemen”. Nu, anderhalve maand later, zijn veel lokale besturen zelf een versnelling hoger geschakeld. Na enkele uitbraken in Antwerpen, Limburg en West-Vlaanderen proberen huisartsen, provinciegouverneurs en burgemeesters zelf de besmettingen en mogelijke clusters in kaart te brengen. De vraag is alleen of de gegevens die op lokaal niveau verzameld worden, op papier of in Excel-bestanden, ook in de nationale databank zullen komen. Daarvoor is het mogelijk wachten tot een update van het IT-systeem. Die nieuwe versie wordt eind augustus verwacht.

In "Terzake" reageren Björn Rzoska (Groen) en Lorin Parys (N-VA) op de reportage:

Video player inladen...

Meest gelezen